Bob Dylan  Nobel Prize Winner 2016 for Literature. Go to my Bob Dylan song analysis page to find out that Bob fully deserved to win this prestigious prize.

Bezoekers vandaag: 45Bezoekers totaal: 343746
Welcome to the website of Kees de Graaf
Kees de Graaf keesdegraaf.com
 

Het boek ‘De Uitnodiging’ van W. Paul Young – een recensie- deel 5.

We zetten de bespreking voort van dit uitdagende boek ‘De Uitnodiging’ van Paul W. Young. In Johannes 14: 6 zegt Jezus: ‘Ik ben de weg de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij”.  Alleen door geloof in Jezus Christus hebben wij toegang tot de Vader en worden wij als geliefde kinderen aangenomen. Andere toegangswegen zijn afgesloten. Dit is een exclusieve statement van de Heer.

De vraag is: denkt de schrijver hier ook zo over?. Ik zou haast zeggen van niet. Want als je de volgende passages leest dan is het antwoord op die vraag op zijn minst nogal in nevelen gehuld. Dat blijkt als we Jezus op pagina 207 tegen Mack horen zeggen: ‘Onthoud dat de mensen die mij kennen, mensen zijn om te leven en lief te hebben zonder een lijst van verplichtingen’. Mack tegen Jezus: ‘Is dat wat het inhoudt om christen te zijn? Jezus vervolgt: ‘Wie heeft het over christen-zijn. Ik ben geen christen’. Jezus vervolgt: Zij die mij liefhebben komen uit elke bestaand systeem. Sommigen zijn boeddhist geweest of mormoon, baptist of moslim, democraat of republikein en velen die niet stemmen of geen kerkdienst bijwonen op zondagochtend. Onder mijn volgelingen vind je moordenaars en mensen die zo overtuigd waren van hun eigen deugdzaamheid, dat ze aanvankelijk vonden dat ze mij niet nodig hadden. Sommigen van hen zijn bankier of bookmaker, Amerikaan of Irakees, Jood of Palestijn. Ik wil geen christenen van ze maken, maar ik wil ze wel helpen om zonen en dochters van mijn Papa te worden, mijn broers en zussen, mijn geliefden’. Mack: ‘Betekent dat, dat alle wegen naar jou leiden? Jezus: Niet alle, de meeste wegen leiden nergens naartoe. Wat het wel betekent is dat ik elke weg afga om ze te vinden. En zo vond ik jou ook!’.

I Petrus 4:16 zegt dat het kan gebeuren dat je moet lijden in deze wereld omdat je christen bent.  Waarom heeft de schrijver eigenlijk bezwaar tegen de naam ‘christen’? De Bijbel noemt de volgelingen van Christus toch christenen?(Handelingen 11:26 en I Petrus 4:16).Volgens de auteur wil Jezus van bijv. Boeddhisten, joden en moslims geen christenen maken. Maar wat dan wel? De Bijbel leert op veel plaatsen dat een mens alleen volgeling van Jezus kan worden door zich te bekeren.( Zie bijv. Handelingen 3:19 en 2 Petrus 3:9) Bekering betekent: je zonden belijden, breken met je zondige levenswandel en jezelf volledig toewijden aan de Heer. Daardoor wordt je van jood, boeddhist of moslim een christen. Die noodzaak voelt de schrijver kennelijk niet. Hij stelt weliswaar dat ‘niet alle wegen’ naar Jezus (God) leiden. Dat houdt op zijn minst de mogelijkheid open dat sommige andere wegen ook naar Jezus (God) kunnen leiden. De verwarring zit hier in het gebruik van de naam ‘Jezus’. Een weg die uit zichzelf immers naar Jezus leidt, leidt automatisch ook naar God. De auteur suggereert op zijn minst dat er meerdere wegen zijn om tot God te komen. De Bijbel leert echter duidelijk dat alleen Jezus zelf die weg is. Het goede nieuws is dat ook volgens de schrijver de meeste wegen ‘nergens naartoe’ leiden. Zelfs dat is niet eens Bijbels te noemen. Andere wegen leiden volgens de Bijbel niet naar het leven maar naar de dood.

Is het bovenstaande nu allemaal zo belangrijk? Dat is het m.i. wel. Als we in twijfel gaan trekken of Jezus wel de enige weg tot de Vader is, dan slaan we de bodem weg onder elke vorm van zending of evangelisatie, van elke vorm van missionair gemeente zijn. Waarom zou de mens zich nog tot de God van de Bijbel bekeren als ‘zijn weg’ (bijv. de weg van de islam of het boeddhisme) ook tot God kan leiden ?Met deze leer draai je de mensen een rad voor ogen. Uiteindelijk kom je dan uit bij de alverzoening. Dat betekent: het komt met alle mensen goed, alle mensen worden uiteindelijk behouden of ze nu in Christus geloven of niet. Dat wordt niet met zoveel woorden gezegd in dit boek. Maar toch tendeert het wel in die richting. Lees maar de dialoog tussen God de Vader (Papa) en Mack op pagina 220. Papa zegt tegen Mack: ‘Lieverd je hebt mij gevraagd wat Jezus aan het kruis heeft volbracht. Nou, luister goed: door zijn dood en opstanding ben ik nu volkomen verzoend met de wereld’. Mack: ‘De hele wereld? U bedoelt met degenen die in u geloven toch?”. Papa vervolgt: ‘Met de hele wereld, Mack. Wat ik je vertel is dat de verzoening twee kanten heeft en ik heb mijn aandeel geleverd, helemaal en afdoende. Het ligt niet in de aard van liefde om een relatie op te dringen aan iemand, maar liefde opent juist de weg naar de ander toe’.

Nu moeten we goed onderscheiden. Het offer van Christus, Zijn lijden en sterven, is voldoende voor de verzoening van de zonde van de hele wereld.  Maar dat staat in bovenvermeld citaat niet! In dat citaat staat dat God verzoend is met de hele wereld, ongeacht of de wereld nu in Christus gelooft of niet. De Bijbel spreekt echter anders. Johannes 3:36 zegt: ‘Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven, wie de Zoon niet wil gehoorzamen zal dat leven niet kennen; integendeel, Gods toorn blijft op hem rusten’. Dat maakt toch een groot verschil.

Maar dat is nog niet alles. II Korintiërs 5:20 roept de wereld op: ‘Laat u met God verzoenen’.  In dit boek krijgt de verzoening echter twee kanten: God heeft aan de ene kant Zijn aandeel geleverd en dat ‘helemaal en afdoende’. Nu zijn wij kennelijk aan de beurt om ons aandeel te leveren. Want God dringt zich niet aan ons op. Dat past immers niet bij de aard van de liefde om een relatie op te dringen. In wat de schrijver hier zegt zit een kern van waarheid. We hebben een eigen verantwoordelijkheid gekregen. Als wij tegen God kiezen dan zijn we daar zelf verantwoordelijk voor. God dringt zich nergens aan de mensen op. Jezus heeft dat ook nooit gedaan. Het is inderdaad alleen de liefde van God zelf die de weg naar God openbreekt. Maar….die vrijheid, dat ongedwongene, om tot God te komen is iets wat de Geest in ons werkt. Want zegt 2 Kor. 3:17 ‘waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid’. God werkt zowel het willen als het werken in ons (Filip. 2:13). Wij hebben geen vrije wil zoals hier gesuggereerd wordt, en al helemaal geen aandeel in de verzoening. Dat is voor 100% het werk van God. Dat is volgens Efeziërs 2:5-8 enkel en alleen genade. Het woord ‘genade’ is trouwens een woord wat ik zo pijnlijk mis in dit boek.

Ook op pagina 257 wordt gezinspeeld op de vrije wil van de mens, alsof de mens het in zijn eigen macht heeft om voor God te kiezen.  Alsof de mens zichzelf met zijn eigen haren uit het moeras kan optrekken.  Alsof de mens zichzelf op de borst kan kloppen: ik ben toch zo goed geweest om voor u te kiezen. Pappa zegt op pagina 257: ‘In Jezus heb ik alle mensen hun zonden tegen mij vergeven, maar slechts een aantal kiest voor een relatie met mij’. Voor nadere uitleg over dit onderwerp kunt u mijn weblog raadplegen: Heeft de mens nog steeds een vrije wil?l

Tenslotte nog dit. Op pagina 152 vraagt Mack aan Sarayu: ‘Is er echt een tuin geweest?. Ik bedoel de tuin van Eden en zo?. Sarayu: ‘Natuurlijk. Ik heb je toch verteld dat ik iets heb met tuinen’. Mack: ‘Daar zullen sommige mensen moeite mee hebben. Er zijn heel wat mensen die denken dat het alleen maar een mythe is’. Sarayu: ‘Nou hun vergissing is niet fataal. Er zit vaak heel wat goddelijks verscholen in wat door velen beschouwd wordt als mythen en verhalen’.

Het heeft er alle schijn van dat de Heilige Geest (Sarayu) hier vasthoudt aan de historiciteit van de Hof van Eden en van zijn bewoners Adam en Eva. Er wordt echter door Sarayu ook ruimte gelaten om te geloven de geschiedenis van Genesis 2 een mythe is. Een dergelijke vergissing wordt in ieder geval niet ‘fataal’ d.i. ‘dodelijk’ genoemd. Sarayu kan die ruimte dan wel geven, de Bijbel echter niet. Als de Hof van Eden niet echt heeft bestaan maar slechts een mythe is, dan hebben de bewoners van de Hof van Eden, Adam en Eva ook niet echt bestaan. Jezus Christus wordt in Romeinen 5:12-21 getekend als de tweede Adam. De eerste Adam viel in de hof van Eden in zonde en sleepte de gehele mensheid mee in zijn val. Romeinen 5 zegt dat de tweede Adam (Christus) gekomen is om door zijn offerande deze breuk van de eerste Adam te herstellen en heeft zodoende het eeuwige leven en de gerechtigheid voor God verworven. Die eerste en die tweede Adam zijn nauw met elkaar verbonden. Je kunt niet de eerste Adam als historisch persoon doorstrepen en tot mythe verklaren, zonder de gehele verzoeningsleer onderuit te halen. Want ten diepste is het zo: als de eerste Adam niet echt heeft bestaan, dan is er ook geen zondeval geweest. Dan is de verlossing door de tweede Adam ook niet nodig. Bovendien waarom zou je de dood en opstanding van Christus (de tweede Adam) dan ook niet tot een mythe kunnen verklaren waarin ‘ heel wat goddelijks is verscholen’?.

De volgende keer gaan we nog wat zaken langs zoals de vraag of God een ‘werkwoord’ is en willen we ook nog wat zeggen over Sophia, een vierde persoon, die in dit boek op het toneel verschijnt. Vervolgens maken we de balans op. Wordt vervolgd……….

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Terug
Geplaatst: 28-04-2011 14:42:08
Share on Google+

Reacties

Er zijn nog geen reacties geplaatst

Reactieformulier