Bob Dylan  Nobel Prize Winner 2016 for Literature. Go to my Bob Dylan song analysis page to find out that Bob fully deserved to win this prestigious prize.

Bezoekers vandaag: 72Bezoekers totaal: 357055
Welcome to the website of Kees de Graaf
Kees de Graaf keesdegraaf.com
 
images6MZ4R6N5.jpg

'Een Nieuwe Aarde' een boek van Eckhart Tolle - recensie Hoofdstuk 1.

We beginnen met de bespreking van het eerste hoofdstuk van het boek van Eckhart Tolle: ‘Een nieuwe aarde’. Als ik uit het boek citeer zal ik dat steeds in schuine druk doen. Wil ik binnen een citaat zelf ergens de nadruk op leggen dan zal ik dat woord of de woorden onderstrepen.
De titel van het eerste hoofdstuk is: ‘De bloei van het menselijke bewustzijn’. Tolle gaat meteen recht op zijn doel af: ontwaking van de mens door bewustzijn. Zijn vertrekpunt is 114 miljoen jaar geleden toen de allereerste bloem op aarde open ging. Het valt direct op dat de Schepper van zo iets wonderbaarlijks schoons als een bloem buiten beeld blijft. De geëvolueerde bloem is er,zonder enige nadere verklaring, eensklaps en van een persoonlijk Schepper is geen sprake, hier niet en nergens in het boek. Tolle zegt dan over die bloem: ‘Het zien van schoonheid in een bloem kan mensen, al is het maar even, openstellen voor de schoonheid die een wezenlijk onderdeel is van hun diepste wezen, hun ware natuur. De eerste herkenning van schoonheid was een van de belangrijkste gebeurtenissen in de evolutie van het bewustzijn van de mens. De gevoelens van vreugde en liefde zijn intrinsiek met die herkenning verbonden. Zonder dat we het beseften werden bloemen voor ons een uiting in vorm van wat het hoogst, het heiligst en uiteindelijk het vormloze in onszelf is’. Tolle zeg hier dat er in die bloem een schoonheid zichtbaar is die bij het diepste wezen van die bloem hoort. Toen de mens die schoonheid ging herkennen gebeurde er volgens Tolle iets heel belangrijks in de evolutie van het bewustzijn van de mens. Zonder dat de mens het besefte kwam er een verbinding tot stand tussen de schoonheid in die bloem en de schoonheid die in de mens zelf zit. Een verbinding van het hoogste en het heiligste, dat zowel in de bloem als in de mens aanwezig is. Hier zien we de eerste aanduiding van Tolle dat het allerheiligste, het goddelijke in de mens zelf zit. Dat goddelijke in de mens heet het ‘vormloze onszelf’ en in het vervolg ‘Het Bewustzijn’. Dat vormloze, niet stoffelijke ‘Zijn’, daar gaat het Tolle om.
Hoe kan de mens hiermee in contact komen?. Dat omschrijft Tolle als volgt: ‘Als mensen een bepaalde mate van Tegenwoordigheid, van stille en alerte aandacht in hun waarneming hebben bereikt, kunnen ze de goddelijke levensessentie, het ene inwonende bewustzijn of de geest in elk schepsel, elke levensvorm, voelen en dat herkennen als iets dat één is met hun eigen essentie en het dus liefhebben zoals zichzelf’. De vragen die in dit citaat beantwoord worden zijn deze: hoe herken je als mens dat je in je diepste wezen zelf god bent?. Hoe herken je dat je die ‘goddelijke levensessentie’ met alle schepselen en geesten deelt? Om dit te kunnen herkennen moet je volgens Tolle een bepaalde mate van ‘Tegenwoordigheid’ hebben bereikt in je waarneming. ‘The power of Now’ klinkt hier door. Je moet dan volgens Tolle het denken uitschakelen en je concentreren op wat je ‘Nu’ waarneemt. Langs deze weg van stilte en alertheid volgt een samensmelting van het vormloze goddelijke in het object dat je waarneemt en het goddelijke vormloze in jezelf. Zo wordt bij Tolle bewaarheid wat de bekende dichter Willem Kloos (1859-1938) al in zijn sonnet schreef: ‘Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten, en zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon’. Ik moest hier even terug denken aan de zondeval van de mens in de hof van Eden. Die wordt beschreven in Genesis 3. God had tegen de mens gezegd dat ze van de vrucht van die ene boom niet mochten eten, anders zouden ze sterven (Genesis 3:3). De slang – de duivel antwoordde: ‘Jullie zullen helemaal niet sterven, integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad’. (Genesis 3:4,5). Nu was deze uitspraak van de slang natuurlijk een leugen maar het tekent wel de diepste begeerte die in ieder mens schuilt: worden als God. Die oerzonde van de mens - de begeerte om aan God gelijk te worden - tekent de Bijbel als een weg die naar de dood voert.
Onder het kopje ‘Het doel van dit boek’ gaat Tolle nu verder spreken over de mogelijkheid van wat hij noemt de ‘transformatie van het bewustzijn’. Kunnen mensen afkomen van hun ‘geconditioneerde denkpatronen’? Tolle schrijft dan: ‘Kunnen ze de aantrekkingskracht van het materialisme en de stoffelijkheid weerstaan en uitstijgen boven de identificatie met vorm die het ego in stand houdt en hen veroordeelt tot gevangenschap in hun eigen persoonlijkheid? De mogelijkheid van een dergelijke transformatie is de centrale boodschap van de grote wijsheid tradities van de mensheid. De boodschappers – Boeddha, Jezus, en anderen, niet allemaal bekend – waren de eerste bloemen van de mensheid. Ze waren voorlopers, zeldzame en kostbare wezens’. Verder op in het hoofdstuk geeft Tolle aan wat die ‘transformatie' inhoudt. Hij schrijft dan: ‘Binnen het hindoeïsme (en soms ook binnen het boeddhisme) wordt die transformatie aangeduid met verlichting. In het onderricht van Jezus heet het verlossing en in het boeddhisme is het het einde van het lijden. Bevrijding en ontwaken zijn andere termen waarmee deze transformatie wordt aangeduid’. Verlichting betekent hier bij Tolle dat we los moeten komen van de gebondenheid aan materiele, stoffelijke, zaken want die voeden alleen maar het menselijke ego. Door verlichting – het ontsteken van de goddelijke vonk in onszelf - ontstaat een nieuw bewustzijn waardoor we met andere ogen naar ons ego en naar de wereld om ons heen gaan kijken en daarnaar gaan handelen. Wat nu in deze citaten opvalt is allereerst dat volgens Tolle deze transformatie, deze verlichting, de centrale boodschap is van de grote wijsheid tradities van de mensheid. Bij deze tradities heeft Tolle kennelijk vooral het oog op het Hindoeïsme, het Boeddhisme en het Christendom, want deze noemt hij expliciet. Hij gaat er voetstoots van uit dat de centrale boodschap van het Hindoesisme, het Boeddhisme en het Christendom dezelfde is. Boeddha en Jezus (en anderen) worden in één adem genoemd en staan op gelijke voet. Met die ‘Transformatie’ wordt volgens Tolle in die godsdiensten hetzelfde bedoeld, alleen gebruikt men in die godsdiensten verschillende woorden om deze aan te duiden. Bij ‘verlichting’, ‘verlossing’ en ‘einde van het lijden’ zou het om dezelfde zaak gaan. Als we echter in de Bijbel gaan kijken wat ‘verlossing’ betekent komen we bij iets totaal anders uit. In het woord ‘verlossing’ zit het woord ‘lossen’ . ‘Lossen’ is in het Oude Testament voor een familielid financieel in de bres springen. Wanneer iemand gedwongen wordt om zijn land te verkopen kan een naaste bloedverwant als ‘losser’ optreden en het stuk land terug kopen voor zijn familielid. ‘Verlossen’ is dus eigenlijk ‘los kopen’. Jezus is ook zo’n ‘verlosser’. Sterker nog : Hij is ‘Dé Verlosser’. Dat zegt Hijzelf ook van zichzelf in Mattheüs 20:28: ‘zoals de Mensenzoon (met ‘Mensenzoon bedoelt Hij zichzelf) niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen’. Jezus is onze verlosser en Hij koopt ons vrij door Zij eigen leven te geven in onze plaats. Door aan God gelijk te willen zijn hadden wij onze ziel aan de duivel verkocht en Jezus koopt ons nu vrij door in onze plaats te sterven en ons het oorspronkelijke leven terug te geven. Dat is wat ‘verlossing’ betekent. ‘Verlossing’ is dus totaal iets anders dan ‘verlichting’ en Jezus en Boeddha zijn op dit punt totaal niet ‘compatible’ zoals Tolle ons wil laten geloven.
Verder op schrijft Tolle: ‘Een essentieel onderdeel van het ontwaken is het herkennen van het niet-ontwaakte ik, het ego dat denkt, spreekt en handelt, maar ook de herkenning van het collectief geconditioneerde mentale proces dat de niet-ontwaakte toestand laat voortduren’. Even later gevolgd door: ‘Als je de onbewustheid in jezelf herkent, is wat de herkenning mogelijk maakt het ontwaken. Je kunt niet vechten tegen het ego en het gevecht winnen, net zoals je niet tegen de duisternis kunt vechten. Het licht van het bewustzijn is alles wat je nodig hebt. Jij bent dat licht’. Enerzijds heeft Tolle hier een punt. Want inderdaad, als de mens er alleen voor staat in zijn strijd tegen zijn gecorrumpeerde ego, is de situatie hopeloos. In je eentje kan je de strijd tegen de duisternis in jezelf, en de strijd tegen de duisternis in de samenleving, nooit winnen maar ben je altijd een verliezer. Maar het punt is dat Tolle die mens helemaal geen strijd laat voeren tegen het kwade. Tolle erkent nl. geen absolute tegenstelling tussen goed en kwaad waarbij het kwade door het goede bestreden dient te worden. Later in het boek zal blijken dat deze opvatting van Tolle zal leiden tot een passiviteit en lijdzaamheid in de mens, die de strijd tegen het kwade verlamt. Je hebt volgens Tolle alleen maar licht van het bewustzijn nodig en dat licht heb je in jezelf, sterker nog zegt Tolle: ‘Jij bent dat licht’. Met deze uitspraak vergoddelijkt Tolle de mens. Jezus zegt echter van zichzelf: ‘Ik ben het licht van de wereld’ (Joh. 8:12). Niet wij, zijn het licht van de wereld maar dat is alleen Jezus. Wij kunnen alleen maar 'een licht' zijn voor deze wereld als we in Zijn licht wandelen. Wij zijn van nature alleen maar duisternis in plaats van licht. Jezus heeft ons vrij gekocht uit de duisternis en nodigt ons nu uit om in Zijn licht te gaan wandelen. ‘Zonde’ is bij Tolle ‘onbewustheid’. Met deze term ‘onbewustheid’ reduceert Tolle de ernst van de zonde en daarmee wordt de mens in feite ontoerekeningsvatbaar verklaard voor de zonden die hij begaat en voor de enorme puinhoop die hij ervan maakt. Ook daar komen we later in het boek op terug. Herkennen van dat ‘onbewuste’ in de mens is wat Tolle ‘ontwaken’ noemt. In de Bijbel is dat ontwakingsproces nooit een werk van de mens zelf. Een mens kan uit zichzelf helemaal niet ontwaken. Alleen de Heilige Geest kan dat proces in de mens in werking stellen. In Joh. 16:7,8 wordt de Heilige Geest de Pleitbezorger genoemd die de wereld – de mens – bekend zal maken wat ‘zonde’ is. De Heilige Geest laat de mens ontwaken en de Heilige Geest maakt hem van de zonde in hemzelf bewust. Tegelijkertijd met dat ontwakingsproces zet de Heilige Geest ook een vernieuwingsproces in van de mens. (Kol 3:10. Efez. 4:22-24). Dat hele proces wordt bekering genoemd.
Tolle heeft gelijk wanneer hij zegt dat de grondbetekenis in het Nieuwe Testament van het woord ‘zonde’ ‘betekent dat je het doel mist, zoals een boogschutter die zijn doel mist’. ‘Zonde’ in het Nieuwe Testament is inderdaad het grote doel missen. Dat grote doel is Jezus. Als je dat doet mist door niet in Jezus te geloven (Joh. 16:9) dan bega je bij uitstek ‘zonde’.
Onder het kopje ‘Onze overgeërfde stoornis’ gaat Tolle uitleggen hoe het menselijke ego erbij staat, en dat is niet best. Tolle schrijft dan: ‘De collectieve manifestaties van de waanzin die het menselijk bestaan kenmerkt vormen het grootste deel van de geschiedenis van de mensheid. Die is tot op grote hoogte een geschiedenis van de waanzin. Als de geschiedenis een klinisch geval was van één mens, zou de diagnose als volgt moeten luiden: chronische paranoïde wanen, een pathologische geneigdheid om te moorden en om extreem geweld en wreedheid in te zetten tegen zijn vermeende ‘vijanden’ – zijn eigen onbewuste dat naar buiten geprojecteerd is. Criminele waanzin met slechts enkele heldere momenten’. Hoe raak deze typering van Tolle ook lijkt, toch mankeert er iets fundamenteels aan. De Bijbelse leer is dat de mens geneigd is om God en zijn naaste te haten. Daar ligt de bron van alle ellende op deze aarde. We hebben tegen God gekozen en zijn van Hem afgevallen en het gevolg daarvan is dat we nu ook geneigd zijn om onze naaste te haten. De mens blijft daarbij wel verantwoordelijk voor zijn daden en hij blijft daar op worden aangesproken (Gen 3:9 e.v.). Maar als je dit citaat van Tolle op je in laat werken dat typeert Tolle een mens die eerder ziek is dan schuldig. Psychisch ziek. Iemand die geplaagd wordt door ‘chronische paranoïde wanen en een pathologische geneigdheid om te moorden’ zoals Tolle schrijft, die wordt door een rechter ontoerekeningsvatbaar verklaard en naar een TBS kliniek verwezen. In de visie van Tolle klopt dit ook wel want de mens doet dit in ‘onbewuste’ toestand. De mens heeft het helemaal niet in de gaten wat hij aanricht. Hij kan er ook niets aan doen volgens Tolle, want hij is ‘onbewust’. Die ziekte noemt Tolle telkens de ‘collectieve stoornis van het menselijk verstand’. Daarmee vergoelijkt Tolle de zaak. Er is sprake van een stoornis maar die stoornis zit niet in de hele mens, in zijn totale functioneren naar lichaam en ziel, nee, deze stoornis zit alleen in zijn verstand. Die zit alleen in zijn ‘onbewuste’. Tolle doet net alsof hij de mens kan indelen in twee gescheiden compartimenten. In het ene compartiment zit het verstand van de mens. Dat is totaal gecorrumpeerd. Maar het wordt hem niet kwalijk genomen want hij is er zich niet van bewust. Vechten tegen die ‘stoornis’ heeft geen zin, want schrijft Tolle: ‘Je wordt niet goed door te proberen goed te zijn maar door de goedheid te vinden die al in je zit en die goedheid te voorschijn te laten komen’. Wanneer Tolle de mens hier aanmoedigt om ‘de goedheid te vinden die al in je zit’, dan heeft Tolle het over het tweede compartiment in de mens. Dat tweede compartiment is het ‘bewustzijn’. Dat bewustzijn laat je weten dat je ‘goed’ bent. Nee, niet alleen goed, je bent zelfs ‘goddelijk’ in dat tweede compartiment. De misdadiger die mens heet, krijgt bij Tolle een aai over de bol, alsof Tolle tegen hem zegt: ‘Het is niet best me jou gesteld, jij pathologische moordenaar. Maar ach, je kunt er ook allemaal niets aan doen, want je weet niet eens wat je doet. Maak je maar geen zorgen want zo slecht ben je nu ook weer niet. Integendeel, je bent eigenlijk harstikke goed, want er zit nog een ander goddelijke ‘ik’ in jezelf. Die zit in dat andere compartiment. Die god heet ‘bewustzijn’. Activeer dat bewustzijn nu maar en alles komt goed’. Iedereen kan begrijpen dat als een rechter zo met elke pathologische moordenaar in een proces zal omgaan en deze pathologische moordenaar ermee wegkomt onder het mom van ‘onbewustheid’, het hele rechtssysteem in duigen valt. Recht en gerechtigheid worden bij Tolle dan ook het kind van de rekening. Uiteindelijk ook de slachtoffers van alle vormen van geweld en onrecht. Dat blijkt hier en ook verder op in het boek.
Impliciet houdt ook Tolle zijn visie voor ‘oorspronkelijk’ want schrijft hij: ‘Door sommige van die mannen en vrouwen kwamen binnen alle grote godsdiensten ‘scholen’ of bewegingen tot ontwikkeling die niet alleen een herontdekking maar in sommige gevallen ook een versterking van het licht van de oorspronkelijke leer inhielden. Zo zijn de gnosis en de mystiek ontstaan in het vroege en middeleeuwse christendom, het soefisme in de islam, het chassidisme en de kabbala in het jodendom, Advaita Vedanta in het hindoeïsme en zen en dzogchen in het boeddhisme’. Wat bedoelt Tolle met de ‘oorspronkelijke leer’?
Tolle kan niet bedoelen de leer van Jezus zoals die verwoord is in het NT. De leer van Jezus staat heel ver af van de leer van de ‘gnosis’, van het gnosticisme. Het gnosticisme is een stroming die al in de eerste jaren van het christendom is ontstaan. Net zoals Tolle nu doet, legden veel gnostici de nadruk erop dat onwetendheid – niet de zonde in bijbels, orthodox christelijke zin – de oorzaak van het menselijk lijden is. Ook boeddhisten geloven dat. Precies zoals Tolle geloofden de gnostici dat de mens moet ontwaken, zich bewust moet worden van de staat waarin het menselijk ego verkeert en van de mogelijkheid om verlost, d.w.z. ‘verlicht’ te worden. God is daarbij alleen innerlijk in de mens aanwezig en is niet ergens ‘buiten’ ons. De ‘oorspronkelijke leer’ kan bij Tolle dan ook niets anders betekenen dan het oude (zen) boeddhisme. Met het onderwijs van Jezus en de apostelen heeft het m.i. weinig te maken zoals we later nog verder zullen zien.
Onder het kopje ‘De noodzaak van een transformatie’ schrijft Tolle: ‘Wat er nu opkomt is niet een nieuw geloofssysteem, een nieuwe religie, spirituele ideologie of mythologie. We bereiken het einde van niet alleen mythologieën maar ook van ideologieën en geloofssystemen’. Met ‘wat er nu opkomt’ lijkt het alsof Tolle met iets geheel nieuws komt. Maar zoals we al zagen is dit niet zo. Tolle steekt het oude (zen) boeddhisme, het gnosticisme uit de eerste eeuw, en Meister Eckhart’s middeleeuwse mysticisme, in een nieuw jasje, maakt er een cocktail van, en verklaart vervolgens dat deze cocktail op het punt staat om de oude gevestigde godsdiensten, waaronder ook het christendom, de genade slag toe te brengen. Tolle zegt: ‘Een belangrijk deel van de wereldbevolking zal binnenkort inzien – als het dat nog niet gedaan heeft – dat de mensheid nu voor een moeilijke keuze staat: veranderen of sterven’. Mijn vraag is: hoe komt Tolle aan deze wijsheid, waarop baseert hij die? Wie heeft Tolle ( al vóór 2005, hij publiceerde dit boek voor het eerst in 2005!) geopenbaard dat het met het christendom binnenkort afgelopen zal zijn en dat de wereld nu moet kiezen voor zijn visie of anders sterven? Het is waar, het christendom is hier in het Westen op zijn retour. Tegelijkertijd komen er miljoenen en miljoenen christenen bij in Afrika en Azië. Dat is geen zaak die het grote nieuws haalt, maar het gebeurt wel.
Voorts schrijft Tolle: ‘Het ego is niet meer dan dit: identificatie met vorm, wat vooral betekent: gedachtevormen. Als het kwaad al een realiteit heeft – en het heeft een relatieve maar niet absolute realiteit – is dit ook de definitie ervan: volledige identificatie met vorm – stoffelijke vormen, gedachtevormen, emotionele vormen. Dat leidt tot een totaal onbewust zijn van mijn verbondenheid met het geheel, mijn intrinsieke eenheid met elke ‘ander’ en met de Bron. Deze vergeetachtigheid is de erfzonde, lijden, waan’. Aan de hand van een paar voorbeelden zal ik proberen aan te geven wat Tolle hier m.i. bedoelt. Als ik bijv. belijd: ‘Ik geloof in een persoonlijk God die eeuwig bestaat, die de hemel en de aarde gemaakt heeft, die liefde is, die de wereld zo lief heeft – en dus ook mij - dat Hij Zijn Zoon Jezus Christus in de wereld gezonden heeft, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft’ dan is mijn belijdenis in de ogen van Tolle een ‘gedachtevorm’, waarmee ik mezelf ‘identificeer’, d.w.z. waarmee ik mijzelf ‘vereenzelvig’. Daar heeft Tolle gelijk in want deze belijdenis is het één en al voor mij, daar leef ik uit, daar identificeer ik mij inderdaad mee. Maar kan je deze identificatie van mij hiermee nu ‘het kwaad’ noemen zoals Tolle doet in bovengenoemd citaat?. Dat is toch echt onzin. Want deze belijdenis, dat geloof in Jezus, transformeert mijn hart. Door Zijn Geest ga ik steeds meer en meer een navolger van Hem worden . Dan ga ik steeds meer doen wat Hij van mij vraagt en gaat Zijn licht in mij stralen. Dan ga ik mijn naaste lief hebben en niet vergelden, als iemand mij op de rechterwang slaat, keer ik hem ook de linkerwang toe (Mat. 5:39). Dan ga ik mijn vijanden liefhebben en juist bidden voor wie mij vervolgen (Mat. 5:44). Dan is dat geloof – wat Tolle een ‘gedachtevorm’ noemt – niet ‘het kwaad’ maar juist het goede nieuws waar de wereld behoefte aan heeft. Tolle zou voor een deel gelijk hebben als ik mij zou identificeren met verkeerde dingen. Als bijv. mijn streven zou zijn om in dit leven zoveel mogelijk rijkdom, eer en aanzien voor mijzelf te vergaren. Als ik me daar mee identificeer, mijzelf overgeef aan de machten van rijkdom , eer en aanzien, dan gaan deze kwade machten mij beheersen en in dat streven dring ik steeds meer en meer mijn naaste opzij en breng ik steeds meer schade toe aan de schepping( 1 Tim. 6:6-10). Dit wil niet zeggen dat het kwaad zit in de materie op zichzelf. Maar in het verkeerde gebruik ervan. Geld is op zich niet verkeerd, het is wel verkeerd als het een macht wordt die mij beheerst. Dan wordt het ‘geldzucht’. Paulus zegt niet voor niets in 1 Tim. 6:10: ‘Want de wortel van alle kwaad is geldzucht’.
Als Tolle in bovenvermeld citaat zegt: ‘Als het kwaad al een realiteit heeft – en het heeft een relatieve maar niet absolute realiteit’ dan ontkent hij eigenlijk het bestaan van het kwaad als een macht die bestreden moeten worden. Eigenlijk gelooft Tolle niet in het kwaad, het lijkt net alsof hij wil zeggen: ‘het kwaad bestaat niet , maar als het beestje dan een naam moet hebben noem het dan maar een ‘relatief’ kwaad’. ‘Relatief’ betekent een ‘betrekkelijk’’ kwaad. Tolle moet in zijn visie de ernst van het kwaad ook wel reduceren. Immers, het kwaad hoort in zijn visie bij het menselijk ego en het denken. En dat proces vindt onbewust plaats. Het kwaad zit bij Tolle dus aan het onbewuste gekoppeld en daardoor kan je feitelijk er niet voor verantwoordelijk worden gehouden. Het kwaad verliest daardoor zijn schepte en dat heeft desastreuse gevolgen. Tolle ontkent daarmee feitelijk de absolute tegenstelling tussen goed en kwaad. In zijn visie hoef je dan ook niet meer te vechten tegen het kwaad. Later in het boek zal blijken wat hij hier precies mee bedoelt, dus we komen ook hier nog op terug.
Tenslotte nog iets over het laatste onderwerp in dit eerste hoofdstuk. Het heeft als kopje: ‘Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’. De profetie uit de Bijbel over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde is voor Tolle de inspiratiebron geweest voor de titel van het boek. Tolle komt dan met een opmerkelijke uitspraak: ‘ We moeten hier wel bedenken dat de hemel niet een plaats is, maar betrekking heeft op het innerlijke rijk van het bewustzijn. Dat is de esoterische (KDG: ‘esoterisch’ betekent ‘alleen voor ingewijden’) betekenis van het woord en die betekenis heeft het ook in de uitspraken van Jezus’. Vanuit de visie van Tolle zelf gezien is deze uitspraak logisch. Als er volgens Tolle geen persoonlijk God bestaat buiten het innerlijk, buiten het ‘bewustzijn’, van de mens om, dan is het ook logisch dat er geen echte woonplaats van die God bestaat. Want iemand die niet echt bestaat heeft ook geen echte woonplaats nodig. De ‘hemel’ als plaats, als echte woonplaats van een God die echt bestaat, bestaat volgens Tolle dan ook niet. ‘Hemel’ staat bij Tolle gelijk aan ‘innerlijk rijk van het bewustzijn’ en volgens Tolle denkt Jezus daar net zo over. Het opmerkelijke is dat Tolle geen tekstverwijzing vermeld. Dat kan Tolle ook niet want Jezus heeft nooit iets van deze strekking gezegd of bedoeld. Integendeel. Als Jezus het over ‘de hemel’ heeft dan bedoelt Hij wel degelijk primair de plaats waar God woont. Kijk alleen maar naar het gebed dat Jezus ons geleerd heeft, het ‘Onze Vader’: ‘Onze Vader die in hemel(en) zijt’. Zie ook bijv. Mat. 5:12,16, 6:1, 7:11. enz. Voorts komt het woord ‘hemel’ in de Bijbel ook vaak voor in combinatie met het woord ‘Koninkrijk’’, het ‘Koninkrijk van de hemelen’. Met het ‘Koninkrijk van de hemelen’ wordt bedoelt het onvergankelijke rijk van God. Een eeuwigdurend rijk van God, afkomstig uit de hemel en in Jezus Christus is dat Rijk op aarde gekomen maar straks op de jongste dag zal dat Rijk uit de hemel neerdalen en de gehele aarde vervullen. (Openbaring 21:1,2). Tolle gelooft trouwens helemaal niet in die toekomstige hemel want in Hoofstuk 9 zegt hij hierover : ‘De nieuwe hemel, het ontwaakte bewustzijn, is dus niet een in de toekomst te verwezenlijken toestand. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen op dit moment in je op en als ze niet op dit moment in je opkomen, zijn ze niet meer dan een gedachte in je hoofd en komen ze dus helemaal niet op’. Vanuit de visie van Tolle gezien is dit ook logisch. Er bestaat volgens hem geen God en dus bestaat er ook geen Koninkrijk van God en dat zal volgens hem ook nooit komen.
Tot zover de bespreking van het eerste Hoofdstuk van dit boek. Wilt u alvast online reageren, druk dan op onderstaande toets ‘reacties’’

 

 Terug
Geplaatst: 21-11-2015 20:48:21

Reacties

Er zijn nog geen reacties geplaatst

Reactieformulier