Bob Dylan  Nobel Prize Winner 2016 for Literature. Go to my Bob Dylan song analysis page to find out that Bob fully deserved to win this prestigious prize.

Bezoekers vandaag: 234Bezoekers totaal: 367689
Welcome to the website of Kees de Graaf
Kees de Graaf keesdegraaf.com
 
images6MZ4R6N5.jpg

'Een Nieuwe Aarde' een boek van Eckhart Tolle - recensie Hoofdstuk 5.

In deze aflevering gaan we ons bezig houden met enkele passages uit het vijfde Hoofdstuk van het boek van Eckhart Tolle: ‘Een nieuwe Aarde’. Dit hoofdstuk heeft als titel meegekregen: ‘Het pijnlichaam’. Aan het begin van onze bespreking willen we het nog een keer duidelijk stellen dat de opvattingen van Tolle niets te maken hebben met de essentie van het christelijk geloof, ook al noemt Tolle de naam Jezus nog zo vaak. Sterker nog, de ideeën van Tolle trekken je van Jezus af. Als je de ideeën van Tolle in praktijk brengt, verval je tot een soort van zelfverering en dat staat heel ver af van Jezus. De opvattingen van Tolle lijken nog het meest op die van de Zen Boeddhisten. Eén van de bekendste zenboeddhisten is de Vietnamese monnik Thich Nhat Hanh. Hij wordt gezien als een van de meest invloedrijke spirituele personen binnen deze beweging. Wat zegt hij over ‘Zen’? Hij verklaart zen door te vragen: ‘Hoe kun je leven als alleen je lichaam hier verkeert en je geest in het verleden of de toekomst dwaalt?’. Het antwoord van Thich Nhat Hanh is: ‘ Je leeft niet echt. Je bent niet bereikbaar voor jezelf, maar ook niet voor de mensen om je heen.” Hij gaat verder door te zeggen: “Keer terug naar jezelf, in het hier en nu. Leef volledig in het nu en je ware aanwezigheid zal hiervan profiteren’. Dit lijkt sprekend op wat Tolle propageert, ook in dit boek.
Als we nu verder gaan lezen in dit hoofdstuk dan moeten we toegeven dat wat Tolle schrijft over de kwalijke symptomen van het pijnlichaam zeer accuraat is. Waar we het echter niet mee eens zijn is dat Tolle alle ellende die het pijnlichaam veroorzaakt beperkt tot het pijnlichaam zelf, het ego. Het echte ‘Zijn’ van de mens, het ‘Ik Ben’ deelt bij Tolle niet in de misère. Integendeel, het ‘Zijn’ is juist goed en goddelijk. Dit is een rampzalige beslissing van Tolle, met rampzalige gevolgen voor tijd en eeuwigheid. De grote boosdoener bij Tolle is het ‘denken’ en de emoties die het denken oproept. Daar gaat hij in dit hoofdstuk nader op in. De emoties die het denken opwekt zijn bij Tolle de brandstof waarmee het ego zich voedt. Op zich is die opvatting van Tolle vreemd als je bedenkt dat het verstand, het denken, de hoofdcomponenten van de menselijke intelligentie, de schoonste gave is de God de mens ooit heeft gegeven. Daarmee onderscheidt de mens zich fundamenteel van de dieren en de mens is daarmee een geheel uniek schepsel. Tolle denkt daar totaal anders over wanneer hij schrijft: ‘Duizenden jaren lang is de mensheid steeds meer bezeten geraakt door het verstand en zagen de mensen de bezit nemende entiteit niet als ‘niet-zelf’. Door een totale identificatie met het verstand ontstond er een onwaar zelfbesef – het ego’. Tolle laat zich niet uit over de oorzaak van die ‘bezetenheid’ die het verstand veroorzaakte. De Bijbel des te meer. Die ‘bezetenheid’ waar Tolle het over heeft, is geen proces dat zich gedurende duizenden jaren steeds meer ontwikkelde maar is het gevolg van de fundamenteel verkeerde keuze die de mens eens deed toen hij in het paradijs zich tegen God keerde. De mens wilde aan God gelijk worden en koos toen tegen God. Daarmee corrumpeerde en perverteerde de mens zijn gehele existentie. Niet alleen werd zijn lichaam sterfelijk maar ook zijn ziel, zijn verstand, en ook wat Tolle noemt het ‘Zijn’ van de mens werd totaal gecorrumpeerd en geperverteerd. De mens viel toen in zonde en met de gevolgen van die zonde hebben we nog steeds te maken. Die zonde is de bron van alle ellende. Geen mens kan zichzelf uit eigen kracht zich uit dat moeras omhoog werken. Tolle zegt: ‘Door een totale identificatie met het verstand ontstond er een onwaar zelfbesef – het ego’. Tolle wil daarmee zeggen dat het verstand a.h.w. de mens bedriegt. Het verstand geeft volgens de Tolle de mens ‘een onwaar zelfbesef’. Het verstand liegt a.h.w. tegen de mens en zegt tegen hem ‘je ego, dat ben jijzelf’. Maar dat is volgens Tolle een leugen. De consequenties van deze opvatting van Tolle hebben we al in voorgaande hoofdstukken besproken, dus kunnen we er hier kort over zijn. Als het menselijk ego – dus ook wat Tolle in dit hoofdstuk het ‘pijnlichaam’ noemt – eigenlijk niet bij het echte mens zijn behoort, dan is die mens – dat pijnlichaam- ook niet verantwoordelijk voor zijn slechte daden.
Onder het kopje ‘Emoties en het ego’ schrijft Tolle: ‘Zelfs de reguliere geneeskunde, ook al weet ze nog maar erg weinig over hoe het ego functioneert, begint het verband tussen negatieve emotionele toestanden en lichamelijke ziekten te zien. Een emotie die het lichaam schade berokkent infecteert ook de mensen met wie je in contact komt en indirect, door een kettingreactie, talloze mensen die je nooit ontmoet hebt. Er is een algemene aanduiding voor alle negatieve emoties: ongelukkig-zijn. Hebben positieve emoties dan het omgekeerde effect op het stoffelijke lichaam? Versterken ze het immuunsysteem, sterken en helen ze het lichaam? Dat doen ze zeker, maar we moeten wel onderscheid maken tussen positieve emoties die door het ego worden opgewekt en diepere emoties die voortkomen vanuit je natuurlijke toestand van verbondenheid met Zijn. Door het ego opgewekte positieve emoties hebben hun tegendeel al in zich en kunnen daar gemakkelijk in veranderen. Hier volgen wat voorbeelden. Wat het ego liefde noemt is bezitsdrang en een verslavend zich vastklampen dat in een seconde in haat kan veranderen. Uitzien naar een verwachte gebeurtenis, eigenlijk de overwaardering van de toekomst door het ego, verandert gemakkelijk in het tegendeel – je in de steek gelaten of teleurgesteld voelen – wanneer de gebeurtenis voorbij is en niet beantwoord heeft aan de verwachtingen van het ego. Door lof en erkenning voel je je de ene dag gelukkig, kritiek of genegeerd worden maken je de volgende dag terneergeslagen en ongelukkig. Het plezier van een wild feest verandert de volgende ochtend in grauwheid en een kater. Er is geen goed zonder slecht en geen hoogtepunt zonder een dieptepunt. Door het ego opgewekte emoties worden afgeleid van de identificatie van het verstand met externe factoren, die natuurlijk instabiel zijn en elk moment kunnen veranderen. De diepere emoties zijn eigenlijk helemaal geen emoties maar Zijnstoestanden. Zijnstoestanden kunnen verduisterd worden maar hebben geen tegengestelde. Ze komen voort vanuit jou als de liefde, vreugde en vrede die aspecten zijn van je ware natuur’. De stelling van Tolle dat negatieve emoties slecht zijn voor het lichaam lijkt ons plausibel. Maar dit moet niet overdreven worden. Er zijn heel wat mensen die heel veel emotionele en lichamelijke ellende hebben meegemaakt en waarvan je zou verwachten dat ze er totaal door geknakt zouden zijn en jong zouden sterven. Toch zijn ze overeind gebleven en hebben alle moeilijkheden weten te overwinnen en zijn gezond gebleven en op hoge leeftijd overleden. En hun veerkracht kwam heus niet voort – zoals Tolle wil suggereren - uit het feit dat hun ‘emoties’ uit hun ‘Zijn’ toestand zijn ontsproten en aan hen daardoor een bepaalde vorm van immuniteit voor allerlei ziekten zouden verlenen. De lichamelijke en psychische kracht van een mens is namelijk genetisch bepaald. Het is onze Schepper die ons de genen toebedeelt en die genen bepalen hoe sterk we zijn, zowel psychisch als lichamelijk, en hoe lang we kunnen leven. Deze genetische bepaling ontslaat ons echter niet van onze verantwoordelijkheid om op een goede en verantwoorde wijze met ons lichaam en onze geest om te gaan.
Wat ons nu in bovenvermeld citaat opvalt is, dat het Tolle weinig moeite kost om voorbeelden te noemen van positieve emoties die door het ego worden opgewekt. Volgens Tolle heeft elke positieve emotie die het ego opwekt zijn (donkere) keerzijde want zegt Tolle: ‘Er is geen goed zonder slecht en geen hoogtepunt zonder dieptepunt’. In Tolle’s visie bestaat elke positieve emotie van het ego bij de gratie van een negatieve emotie en andersom. En als Tolle dan voorbeelden zou moeten geven van positieve emoties die uit ‘Zijnstoestanden’ voortkomen, dan is hij daartoe niet in staat. Dan maakt hij een draai en zegt: ‘De diepere emoties zijn eigenlijk helemaal geen emoties maar Zijnstoestanden’. Feitelijk komt dit bij Tolle erop neer dat de ‘Zijnstoestand’ geen emoties kent. Het lijkt erop dat alles in de ‘Zijnstoestand’ statisch, of beter gezegd apathisch, is geworden bij Tolle. Iets wat statisch is roept ook geen emoties op. Toch zegt Tolle over ‘Zijnstoestanden’ het volgende: ’Ze(de ‘Zijnstoestanden’) komen voort vanuit jou als de liefde, vreugde en vrede die aspecten zijn van je ware natuur’. Liefde is hier bij Tolle dus geen emotie. Maar hoe kan liefde ooit liefde zijn als liefde niet emotioneel maar statisch is? Liefde vraagt toch altijd om wederliefde en roept daarbij juist emoties op en daarom is liefde bij uitstek emotioneel en niet statisch. Liefde drijft op interactie en die interactie maakt liefde emotioneel. Bovendien, iemand die vanuit zijn ‘Zijnstoestand’ blij is, zou dan volgens Tolle altijd blij moeten blijven want zegt Tolle: ‘Zijnstoestanden hebben geen tegengestelde’. Je vraagt je dan af hoe het bij Tolle in de ‘Zijnstoestand’ met kwaadheid en verdriet zit?. Hoe stelt Tolle zich dat voor? Als iemand vanuit zijn ‘Zijnstoestand’ kwaad is, blijft hij dan kwaad vanwege het feit dat in de visie van Tolle ‘Zijnstoestanden’ geen tegengestelde kennen? Ik denk dat Tolle geen andere conclusie trekt dan dat emoties als liefde maar ook emoties als boosheid en verdriet in de ‘Zijnstoestand’ geen plaats hebben maar dat deze emoties alleen een plaats krijgen in het ego – het pijnlichaam. Nu schijnt Tolle zich ervan bewust dat er hier iets niet klopt want hij keert enigszins op zijn schreden terug wanneer hij schrijft: ‘Zijnstoestanden kunnen verduisterd worden maar hebben geen tegengestelde’. Weer vragen we: hoe moeten we ons deze ‘verduistering’ dan voorstellen? Als de zon ‘verduisterd’ wordt dan verandert die ‘verduistering’ niets aan de zon. De zon blijft ook tijdens de verduistering gewoon dezelfde en blijft stralen, alleen wij, vanuit onze positie op aarde, ervaren het gebrek aan zonlicht op dat moment als ‘verduistering’. Strikt genomen kan een ‘Zijnstoestand’ dus helemaal niet ‘verduisterd’ worden. De grondfout die Tolle voortdurend maakt, maakt hij ook hier weer. Tolle kent aan de mens ‘Zijnstoestanden’ toe die aan de gevallen mens helemaal niet toekomen maar die alleen aan God toebehoren. Het citaat: ‘Zijnstoestanden kunnen verduisterd worden maar hebben geen tegengestelde. Ze komen voort vanuit jou als de liefde, vreugde en vrede die aspecten zijn van je ware natuur’ mag je op deze manier helemaal niet toepassen op een sterfelijk mens. Als je dat wel doet, zoals Tolle, dan is dat pure arrogantie en hoogmoed tegenover God en bovendien een geheel onrealistisch mensbeeld. ‘Zijnstoestanden’ in de zin waarin Tolle daar over spreekt, passen alleen bij God en kunnen alleen aan God toegekend worden. Hij is zoals Hij is en God blijft zichzelf altijd gelijk. Jac. 1: 17 noemt God dan ook ‘Vader van de hemellichten, bij Hem is nooit enige verandering of verduistering waar te nemen’. Dat God niet verandert betekent dat Hij volstrekt betrouwbaar is. Hij verandert niet, je kunt altijd op Hem aan en op Hem rekenen en Hij komt zijn beloften altijd na. Geen ‘verandering’ betekent niet dat God in Zijn ‘Zijnstoestand’ geen emoties zou kennen en niet interactief met de mens bezig zou zijn. Integendeel. Maar die emotie van God is wel anders dan die van de gevallen mens. De Bijbel zegt: God is Liefde (1 Joh. 4:16). God is absolute liefde. God is voor 100% liefde. God kan niet anders dan liefhebben. Die liefde van God is een diep emotionele en interactieve liefde. Diep emotioneel en interactief is deze liefde allereerst binnen Gods Wezen, binnen de Triniteit. Binnen de Triniteit, tussen de Vader en de Zoon en de Heilige Geest is er een eeuwigdurende continue stroom en uitwisseling van wederzijdse liefde. Niemand kan de diepte van die liefde peilen, maar ze is er wel. Vervolgens richt die interactieve emotionele liefde van God zich ook naar buiten, naar de schepping en dus ook naar de mens. Alle ‘andere’ emoties van God - emoties van God die wij als ‘anders’ ervaren -ontspringen uit Zijn liefde en zijn strikt genomen óók liefde. Dus als we in de Bijbel lezen van een emotie als de ‘toorn’ van God, dan ontspringt die toorn van God óók uit zijn liefde. God kan het vanuit Zijn liefde niet verdragen dat de mens de verkeerde kant opgaat. Daar is God boos over, daar over toornt Hij. Maar altijd vanuit Zijn liefde. ‘Zijnstoestanden kunnen verduisterd worden maar hebben geen tegengestelde ‘ schrijft Tolle. Tolle past dat dit ten onrechte op de mens toe zoals we al zagen. Alleen van God kunnen we zeggen dat Zijn ‘Zijnstoestand’ geen tegengestelde heeft. Gods ‘Zijnstoestand’, zijn stralende glans en heerlijkheid, kan door de zonde van de mens weliswaar verduisterd worden, maar nooit zo dat die glans en heerlijkheid in zichzelf aangetast of verduisterd wordt of kan worden. De glans en heerlijkheid van God lijkt vaak afwezig in deze wereld. God lijkt Zich te verbergen. Maar dat doet Hij alleen voor wie Hem afwijzen. Voor wie Hem oprecht zoeken in Hij altijd te vinden.
Wanneer Tolle over de ‘Zijnstoestanden’ van de mens schrijft: ‘ze komen voort vanuit jou als de liefde, vreugde en vrede die aspecten zijn van je ware natuur’ dan is het menselijke ego, het pijnlichaam, van de mens heel blij met deze uitspraak van Tolle. Aan God gelijk zijn, dat wil het ego heel graag, het is de oerzonde van de mens. Als via een achterdeurtje – dat achterdeurtje heet bij Tolle ‘het Bewustzijn’ en hier in dit hoofdstuk de ‘Zijnstoestand’ van de mens – het mogelijk is om aan God gelijk te worden, nou dan trekt dat ego van de mens al snel die goddelijkheid naar zich toe. We kunnen derhalve niet anders concluderen dan dat deze stelling van Tolle dat de mens in zijn ‘Zijnstoestand’, in zijn ‘ware natuur’ ,niets anders is dan ‘liefde en vreugde en vrede’, koren op de molen is van het menselijk ego. De pretenties en de kwalijke werking van het menselijk ego en het pijnlichaam worden door deze uitspraak van Tolle derhalve niet verzwakt maar juist versterkt. Kan een mens dan helemaal niet in een ‘Zijnstoestand’ verkeren t.o.v. God?. Jazeker wel. Je kunt een kind van God ‘zijn’. Als God met jou een verbond is aangegaan, dan ben je Zijn kind en dat blijf je ook, wat er ook gebeurt. Dat verbond geeft je een bepaalde status. Binnen dat verbond mag je aanspraak maken op Gods beloften. Mits jij trouw blijft aan Hem, mag je in dat verbond altijd op God rekenen en altijd bij Hem terugkomen. Binnen dat verbond ‘ben’ je dus een kind van God en dat verbond zou je in die zin dus een ‘Zijnstoestand' kunnen noemen’.
Onder het kopje ‘De eend die als een mens dacht’ schrijft Tolle: ‘Je ziet hoe problematisch het leven van de eend zou worden als hij net zo dacht als een mens. Maar zo leven de meeste mensen de hele tijd. Geen situatie of gebeurtenis is ooit echt afgelopen. Het verstand en het door het verstand gemaakte ‘ik en mijn verhaal’ houden het aan de gang. We zijn als soort verdwaald. We zouden van alles in de natuur, van elke bloem, elk dier, belangrijke dingen kunnen leren als we maar stil zouden blijven staan om te kijken en te luisteren. De les van onze eend is deze: sla met je vleugels – wat je kunt vertalen met ‘zet het verhaal van je af’ – en keer terug naar de enige plaats waar je sterk bent: het huidige moment’. Dit verhaal van Tolle bevestigt wat we in het vierde hoofdstuk al besproken hebben over de z.g. ‘Tegenwoordigheid’ van de kat van de buurman. Als Tolle schrijft: ‘Je ziet hoe problematisch het leven van de eend zou worden als hij net zo dacht als een mens. Maar zo leven de meeste mensen de hele tijd. Geen situatie of gebeurtenis is ooit echt afgelopen. Het verstand en het door het verstand gemaakte ‘ik en mijn verhaal’ houden het aan de gang’ dan willen we eerst een voorbehoud maken voor mensen die lijden aan een psychische aandoening. Deze mensen kunnen baat hebben bij een psycho therapeutisch behandel traject waarbij ze kunnen leren om te gaan met bepaalde dwangmatige gedachten, dwangmatige gedachten waarbij een situatie of gebeurtenis nooit is afgelopen en maar door blijft malen. Een psychiatrische behandeling kan daarbij nuttig zijn en de psychiatrie als wetenschap heeft zijn nut bewezen en dit staat los van wat voor religieuze opvatting een psychiatrisch patiënt er al dan niet op na kan houden. Maar Tolle heeft het hier niet specifiek over een mensen die lijden aan een psychische stoornis maar over een algemeen mensbeeld. Als Tolle dan zegt dat bij een mens ‘geen situatie of gebeurtenis ooit echt afgelopen is’, dan komt dat echt niet door het ‘verstand’ zoals Tolle ons wil laten geloven. Dat komt omdat de mens geen verzoenende kracht in zichzelf heeft. Pas als een mens vrede heeft in zijn hart met een bepaalde situatie of gebeurtenis, kan hij die gebeurtenis achter zich laten. Die vrede kan hij alleen van God krijgen. Als die mens die vrede zelf wil bereiken door een bepaalde techniek, dan kan hij weliswaar het gevoel hebben dat hij daar baat bij heeft, maar die mens bedriegt uiteindelijk zichzelf, want zonder dat hij het door heeft, verdringt hij een bepaalde negatieve gebeurtenis zonder dat deze wordt verzoend. Zo’n negatieve gebeurtenis of ervaring komt dan op een later tijdstip onverbiddelijk weer terug en met recht kan je dan zeggen dat ‘geen situatie of gebeurtenis ooit echt afgelopen is’. Vrede komt er in je hart als je beseft hoeveel God voor jou heeft over gehad om jou het echte leven te geven. Die wetenschap maakt je mild en vergevingsgezind. Niet dat daardoor al het negatieve en kwade in dit leven kan worden opgelost. Bij verzoening hoort ook gerechtigheid. Soms kan geleden onrecht in dit leven niet meer worden goed gemaakt. Maar als de liefde van Jezus in je hart is uitgestort dan kan je dit verdragen en vind je echte rust, ook omdat je weet dat in de toekomst alles wat nu nog krom is zal worden recht gezet. Nee, ik wil niet worden als de kat van de buurman en ik wil ook geen eend worden. Het verstand is en blijft de mooiste gave die God aan de mens heeft gegeven.
Onder het kopje ‘Het pijnlichaam individueel en collectief’ schrijft Tolle: ‘Dit energieveld van oude maar nog zeer levendige emoties dat in bijna ieder mens leeft is het pijnlichaam. Het pijnlichaam is echter niet alleen individueel van aard. Het draagt ook iets mee van de pijn die ontelbaar velen gedurende de hele geschiedenis van de mensheid, een geschiedenis van voortdurende stammenoorlogen, in slavernij voeren, plunderingen, verkrachting, marteling en andere vormen van geweld, geleden hebben’. Even later: ‘Het collectieve pijnlichaam is waarschijnlijk gecodeerd in het DNA van alle mensen, ook al hebben we het daar nog niet ontdekt. Elke nieuwgeborene betreedt deze wereld met een emotioneel pijnlichaam’. Nog even later: ‘Terwijl sommige mensen gevangen blijven in hun zware pijnlichaam, bereiken vele anderen een punt waar ze niet meer met hun ongelukkig-zijn kunnen leven, waardoor de motivatie om te ontwaken sterk wordt. Waarom is het lijdende lichaam van Christus, met zijn van pijn vertrokken gezicht en het uit vele wonden bloedende lichaam zo’n belangrijk beeld in het collectieve onbewuste van de mensheid? Miljoenen mensen, vooral tijdens de Middeleeuwen, zouden daar niet zo’n sterke band mee hebben gehad als er niet iets in henzelf meeresoneerde, als ze het niet onbewust hadden herkend als een uiterlijke voorstelling van hun eigen innerlijke werkelijkheid – het pijnlichaam. Ze waren nog niet bewust genoeg om het direct in zichzelf te kunnen herkennen, maar het was het begin van een bewustwording. Je kunt Christus zien als de archetypische mens, die tegelijk de pijn en de mogelijkheid om die te boven te komen belichaamt’. Dit verhaal van Tolle lijkt enigszins op de Bijbelse leer van de zondeval van de mens. Wat Tolle dan het ‘pijnlichaam’ noemt zou dan te vergelijken zijn met de gevolgen van de zondeval van de mens in het paradijs. Toch is het ook wezenlijk anders want het verhaal van Tolle is uiteindelijk een verhaal zonder God en uiteindelijk moet je jezelf als mens weer zien te bevrijden. Tolle schrijft: ‘‘Het collectieve pijnlichaam is waarschijnlijk gecodeerd in het DNA van alle mensen, ook al hebben we het daar nog niet ontdekt. Elke nieuwgeborene betreedt deze wereld met een emotioneel pijnlichaam’. De voor de hand liggende vraag is: wie is er verantwoordelijk voor wat Tolle noemt deze ‘foute’ codering van het DNA? Dat antwoord geeft Tolle niet. De Bijbel zegt dat de mens er zelf voor verantwoordelijk is dat de zonde (voor de discussie stellen we ‘de zonde’ even gelijk aan ‘het pijnlichaam’’) in de wereld is gekomen (Rom. 5:12). Met de zonde kwam ook de dood in de wereld. Oorspronkelijk werd de mens goed en naar het ‘beeld en de gelijkenis’ van God geschapen (Gen 1:26). Maar de mens was niet tevreden met de geweldig hoge positie die hij van God had ontvangen en wilde aan God gelijk zijn en koos toen tegen God (Gen. 3). Met die verkeerde keuze viel de mens in zonde en sleurde hij het hele menselijk geslacht en de hele schepping mee in zijn val. Het gevolg daarvan is dat elke mens in zonde ontvangen en geboren wordt. Dit lijkt dan in veel opzichten hetzelfde als wanneer Tolle zegt dat ‘Elke nieuwgeborene deze wereld met een emotioneel pijnlichaam betreedt’. Dat lijkt overeen te komen maar op een principieel punt ook weer niet. En dat principiële punt is nu net de bottleneck. Want wanneer Tolle het heeft over het ‘pijnlichaam’ dan heeft hij het niet over de hele mens maar alleen over zijn lichaam. Zijn diepere ‘Zijn’, zijn ‘’Bewustzijn’ deelt bij Tolle niet in de val en is goed, ja zelfs goddelijk. Maar de zondeval van de mens in het paradijs strekt zich uit over de gehele mens, zijn lichaam en zijn ziel, zijn bewustzijn en zijn onbewust zijn, het bederf is in zijn hele existentie binnen geslopen en strekt zich vanuit de eerste mens Adam naar alle mensen uit. En de mens kan op eigen kracht zich daar onmogelijk uit bevrijden. Daar heeft de mens God voor nodig. Daar heeft de mens Christus voor nodig. Alleen Christus, de tweede Adam, kan de mens van de zonde ‘verlossen’. Ook in voorgaande hoofdstukken hebben we hier al over geschreven, maar ‘verlossing’ is heel iets anders dan ‘ontwaken’. ‘Ontwaken’ doe je bij Tolle op boeddhistische wijze zelf. Dat blijkt wanneer Tolle hier schrijft: ‘Terwijl sommige mensen gevangen blijven in hun zware pijnlichaam, bereiken vele anderen een punt waar ze niet meer met hun ongelukkig-zijn kunnen leven, waardoor de motivatie om te ontwaken sterk wordt’. De mens neemt hier het heft in eigen handen, hij kan met zijn ongeluk niet langer leven en motiveert zichzelf om te ontwaken.
In dat proces van ontwaken van de mens doet Tolle hier weer een poging om op syncretische wijze het boeddhisme en het christendom aan elkaar te verbinden. Dat doet Tolle wanneer hij schrijft: ‘Waarom is het lijdende lichaam van Christus, met zijn van pijn vertrokken gezicht en het uit vele wonden bloedende lichaam zo’n belangrijk beeld in het collectieve onbewuste van de mensheid? Miljoenen mensen, vooral tijdens de Middeleeuwen, zouden daar niet zo’n sterke band mee hebben gehad als er niet iets in henzelf meeresoneerde, als ze het niet onbewust hadden herkend als een uiterlijke voorstelling van hun eigen innerlijke werkelijkheid – het pijnlichaam. Ze waren nog niet bewust genoeg om het direct in zichzelf te kunnen herkennen, maar het was het begin van een bewustwording. Je kunt Christus zien als de archetypische mens, die tegelijk de pijn en de mogelijkheid om die te boven te komen belichaamt’. We hebben in onze recensie van hoofdstuk 4 al besproken dat Christus helemaal geen archetype is van de mens. We herhalen wat we daar al schreven: ‘Het lijden van Jezus aan het kruis – trouwens ook Zijn sterven en Opstanding- is een uniek gebeuren wat door geen mens gekopieerd of overgedaan kan en mag worden en dus ook niet herbeleefd kan worden. Dat lijden van Jezus had nl. verzoenende kracht. Jezus leed voor ons aan het kruis en betaalde in onze plaats, zodat wij door God vrij gesproken konden worden. Van menselijk lijden kan dat nooit zo gezegd worden. Menselijk lijden heeft geen verzoenende kracht voor God’. Wij als mens hebben vanuit eigen inzicht en kracht geen enkele mogelijkheid om wat Tolle noemt ‘de pijn’ – maar wat wij noemen onze zonde – te boven te komen. Alleen Christus kan dat voor ons doen. Wij mogen delen in wat Hij alleen tot stand heeft kunnen brengen, mits wij ‘in’ Christus blijven, op dezelfde wijze zoals een rank aan de wijnstok verbonden is. Zonder Christus kunnen wij niets doen (Joh. 15: 1-7).
Onder het kopje ‘Hoe het pijnlichaam zich voedt met gedachten’ schrijft Tolle: ‘Een gelukkige, positieve gedachte is onverteerbaar voor het pijnlichaam. Dat kan zich alleen voeden met negatieve gedachten, omdat alleen die gedachten passen bij zijn eigen energieveld. Alle dingen zijn trillende energievelden die onophoudelijk in beweging zijn. De stoel waarop je zit, het boek dat je in je handen houdt, ziet er alleen vast en onbeweeglijk uit omdat je zintuigen hun trillingsfrequentie – dat wil zeggen, de onophoudelijke beweging van de moleculen, atomen, elektronen en subatomaire deeltjes die met elkaar scheppen wat je als stoel, boek, boom of lichaam ziet – zo waarnemen. Wat wij waarnemen als stoffelijke materie is energie die binnen een bepaald frequentiebereik trilt (beweegt). Gedachten bestaan uit dezelfde energie, maar met een hogere frequentie dan materie, en dat is de reden dat we ze niet kunnen zien en aanraken. Gedachten hebben hun eigen frequentiebereik, met negatieve gedachten aan het lage en positieve gedachten aan het hoge uiteinde. De trillingsfrequentie van het pijnlichaam komt overeen met die van negatieve gedachten, en daarom kunnen alleen die gedachten het pijnlichaam voeden. Het gebruikelijke patroon van gedachten die emoties opwekken wordt bij het pijnlichaam omgedraaid, in elk geval in het begin. Emoties uit het pijnlichaam krijgen al snel controle over je denken en als je verstand eenmaal in de macht van het pijnlichaam is, wordt je denken negatief’. Wanneer Tolle hier opmerkt: ‘Wat wij waarnemen als stoffelijke materie is energie die binnen een bepaald frequentiebereik trilt (beweegt) ’dan kan die opmerking wel waar zijn maar wat hij vervolgens schrijft is o.i. fantasie en nog nooit bewezen: ‘Gedachten bestaan uit dezelfde energie, maar met een hogere frequentie dan materie, en dat is de reden dat we ze niet kunnen zien en aanraken’. We zouden aan Tolle willen vragen welk wetenschappelijk bewijs er is voor zijn stelling dat gedachten een hogere frequentie hebben dan materie en dat we ze om die reden niet zouden kunnen aanraken?. Nog meer fantasie en onzin is de opmerking: ‘De trillingsfrequentie van het pijnlichaam komt overeen met die van negatieve gedachten, en daarom kunnen alleen die gedachten het pijnlichaam voeden’. Maar waar het nu ons vooral om gaat in bovenvermeld citaat is de volgende opmerking van Tolle: ‘‘Een gelukkige, positieve gedachte is onverteerbaar voor het pijnlichaam Dat kan zich alleen voeden met negatieve gedachten, omdat alleen die gedachten passen bij zijn eigen energieveld’. Eerlijk gezegd geloven we niets van deze stelling van Tolle. Eerder schreven we al dat de mens door zijn opstand tegen God in zonde is gevallen. Daardoor is zijn hele existentie, zijn lichaam en zijn ziel geperverteerd. Die zonde van die eerste mens is overgegaan op het hele menselijke geslacht. Alle mensen die geboren zouden gaan worden heeft de eerste mens in zijn val meegezogen. Ook ons. We noemen dat erfzonde. Toch heeft God de doorwerking van het kwade een restrictie opgelegd. De val van de mens en de hele schepping is zo diep, dat als God het kwade dat uit die val van de mens voortkomt, zijn gang zou laten gaan, er geen samenleving mogelijk meer zou zijn. De mens is door zijn val zo’n verscheurend dier geworden dat hij, als God het niet zou verhoeden, de hele mensheid en de hele schepping zou uitroeien. God wil echter in Zijn oneindige genade en goedheid een herstelplan uitvoeren. Hij wil door de overgave van Zijn Zoon de mensheid redden. Voor de uitvoering van dat reddingsplan heeft Hij tijd nodig. Dat is de enige reden waarom de tijd überhaupt nog bestaat. Daarom weerhoudt en blokkeert God de volle en volledige doorwerking van het kwaad in deze wereld. Dat doet Hij door aan deze wereld heel veel goede gaven te schenken (Hand 14:17). Jezus zegt in Mat. 5:45: ‘Hij (dat is God de Vader) laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen’. God is dus goed voor alle mensen, niet alleen voor de gelovigen, Hij is ook goed voor degenen die zich tegen Hem verzetten. Daarom klopt het niet dat het ‘pijnlichaam’ zich alleen maar met negatieve (kwade) gedachten zou kunnen voeden zoals Tolle ons wil laten geloven. Het ‘pijnlichaam’ kan zich ook voeden met positieve en goede gedachten die – als die gedachten worden uitgevoerd - goed zijn voor de mens en de samenleving. Dat proces vindt plaats bij gelovigen en ongelovigen. In de dogmatiek noemt men dit proces ‘gemene (d.w.z. ‘algemene) gratie’. Wel moeten we eerlijkheidshalve zeggen dat de goede daden van de mens – of deze zich nu gelovig of ongelovig noemt – nooit de grond voor de redding van die mens betekent. De redding van de mens komt alleen tot stand op grond van de verdienste van Christus, maar daar gaat het nu niet over.
Onder het kopje ‘Hoe het pijnlichaam zich voedt met drama’ schrijft Tolle: ‘Overmatige consumptie van alcohol activeert het pijnlichaam vaak, vooral bij mannen, maar ook wel bij sommige vrouwen. Als iemand dronken wordt, maakt hij een totale persoonlijkheidsverandering door terwijl het pijnlichaam de macht overneemt. Een diep onbewuste persoon wiens pijnlichaam zich gewoontegetrouw voedt door lichamelijk geweld richt dat geweld vaak tegen zijn eigen vrouw of kinderen. Als hij weer nuchter is, heeft hij echt spijt en kan hij zeggen dat hij het nooit meer zal doen, en dat meent hij ook. Maar de persoon die praat en dingen belooft is niet de entiteit die de gewelddaden pleegt, en je kunt er dus zeker van zijn dat het telkens opnieuw gebeurt, tenzij hij tegenwoordig wordt, het pijnlichaam in zichzelf herkent en zo de identificatie ermee opgeeft. In sommige gevallen kan therapie hem daarbij helpen’. De conclusie die Tolle aan het einde van deze paragraaf trekt is: ‘Het is natuurlijk niet zijn ware gezicht, maar dat van zijn pijnlichaam dat hem tijdelijk in bezit heeft genomen. Het zou moeilijk zijn een partner te vinden die geen pijnlichaam torst, maar het is wel verstandig iemand te kiezen met een niet al te dicht pijnlichaam’. Ook hier weer komt het mensbeeld van Tolle tot uitdrukking. Bij Tolle is er bij de mens sprake van een gespleten persoonlijkheid. Enerzijds zijn ‘onbewuste’ persoonlijkheid die hier tot uitdrukking komt in de dronkaard die zijn vrouw en kinderen mishandelt. Anderzijds is er de ‘bewuste’ persoonlijkheid. Dat is de persoon die wanneer hij uit zijn roes ontwaakt, zegt dat hij er spijt van heeft en het nooit meer zal doen’. Vervolgens loopt Tolle vast in deze tweedeling want zegt Tolle nu vervolgens: ‘Maar de persoon die praat en dingen belooft is niet de entiteit die de gewelddaden pleegt, en je kunt er dus zeker van zijn dat het telkens opnieuw gebeurt, tenzij hij tegenwoordig wordt, het pijnlichaam in zichzelf herkent en zo de identificatie ermee opgeeft‘. Zou Tolle zich niet realiseren dat dit erg tegenstrijdig is? Als de dronkaard er zich van bewust wordt wat hij heeft aangericht en hij vervolgens belooft het niet meer te zullen doen, dan doet hij die gemeende belofte toch vanuit een ‘bewuste’ toestand. Tegelijkertijd constateert Tolle dat hij zich niet aan zijn belofte zal gaan houden. Hieruit blijkt dat de ‘bewuste’ ‘tegenwoordige’ persoonlijkheid even slecht en corrupt is als de ‘onbewuste’ niet ‘tegenwoordige’ persoonlijkheid. Anders gezegd: de mens kan zichzelf uit eigen kracht helemaal niet verlossen want zowel zijn ‘onbewuste’ ‘niet tegenwoordige’ persoonlijkheid als zijn ‘bewuste’ ‘tegenwoordige’ persoonlijkheid zijn beiden even slecht. Eigenlijk is de ‘bewuste’ ‘tegenwoordige’ persoonlijkheid van de mens nog veel slechter dan de ‘onbewuste’ niet ‘tegenwoordige’ persoonlijkheid. Want die bewuste persoonlijkheid kiest ‘bewust’ voor het slechte, hij doet het willens en wetens. Hij is en blijft daar aansprakelijk voor. Alleen hulp van buitenaf, beter gezegd hulp van Boven, kan bij de mens een proces van bewustzijn, van levensvernieuwing, op gang brengen. Alleen Jezus kan dat door de Heilige Geest die in je komt wonen. Los hiervan kan aanvullende therapie natuurlijk ook nuttig zijn. Het blijft irritant als de dronkaard die Tolle hier beschrijft en die door drank meer kapot maakt dan hem lief is, door Tolle verontschuldigd wordt. Dit gebeurt wanneer Tolle concludeert: ‘Het is natuurlijk niet zijn ware gezicht, maar dat van zijn pijnlichaam dat hem tijdelijk in bezit heeft genomen’. Zo kan je letterlijk alles goed praten en feitelijk doet Tolle dit ook. Dan ligt de volgende redenatie voor de hand: ‘Ik heb in mijn dronkenschap alles wel kort en klein geslagen en mijn vrouw en kinderen mishandeld, maar dat is niet mijn ware gezicht, in mijn ‘bewuste’ ‘tegenwoordige’ toestand ben ik eigenlijk een goed, ja een goddelijk mens, dus het valt allemaal wel mee’. Ons oordeel hierover is: nee het valt niet mee. Trouwens wat is dat een ‘pijnlichaam dat hem tijdelijk in bezit heeft genomen’? Wat is dat ‘tijdelijk’. Net zolang hij dronken is? Of ‘tijdelijk’ totdat hij ‘ontwaakt’ en ‘tegenwoordig’ wordt en daardoor stopt met drinken?
In de voorlaatste paragraaf van dit hoofdstuk met als titel: ‘Het collectieve vrouwelijke pijnlichaam’ trekt Tolle de volgende conclusie: ‘Maar alles gaat nu snel veranderen. Nu steeds meer mensen bewuster worden, verliest het ego zijn macht over het menselijke verstand’. Onder het laatste kopje in dit hoofdstuk met als titel ‘Het collectieve pijnlichaam van volkeren en rassen’ gaat Tolle hier nader op in en schrijft Tolle vervolgens: ‘Spirituele oefeningen waarbij het lichaam wordt ingezet, zoals tai-ji en yoga, winnen ook in het Westen aan populariteit. Deze oefeningen leiden niet tot een scheiding tussen lichaam en geest en helpen het pijnlichaam te verzwakken. Ze gaan een belangrijke rol spelen in het wereldwijde ontwaken’. Tolle gelooft stellig dat ‘bewuster worden’ de wereld drastisch zal gaan veranderen. Sterker nog: ‘alles gaat nu snel veranderen’. Dit boek van Tolle werd geschreven aan het begin van deze eeuw (de eerste Nederlandse uitgave is van 2005). We schrijven nu 2016. Merken we al iets van die verandering? Is de wereld er sindsdien beter op geworden? We zien daar nog niets van. Wishful thinking dus. De motor voor die mondiale verandering ziet Tolle in het praktiseren van spirituele oefeningen als tai-ji en yoga want schrijft Tolle: ‘Spirituele oefeningen waarbij het lichaam wordt ingezet, zoals tai-ji en yoga, winnen ook in het Westen aan populariteit‘. We beperken ons hier tot het fenomeen yoga. Ik denk dat Tolle zonder meer gelijk heeft wanneer hij met zoveel woorden stelt dat het praktiseren van yoga in het Westen de laatste decennia een enorme vlucht heeft genomen. Maar als Tolle vervolgens stelt dat yoga een belangrijke rol gaat spelen in wat hij noemt het ‘wereldwijde ontwaken’ dan geloven we daar niets van. Hoe moet je als christen tegen yoga aankijken? Het valt niet te ontkennen dat de oorsprong van yoga in het Hindoeïsme te vinden is. Het woord Yoga is afkomstig uit het Sanskriet, de wortel van het woord is ‘Yuj’ wat betekent ‘vereniging’. Het woord yoga heeft ook wel de betekenis van ‘juk’. Het gaat oorspronkelijk in de yoga om langs de weg van meditatie, lichaamsbeweging en lichaamshouding te komen tot een soort van eenwording met de hindoeïstische god Brahman. Ergens lazen we: ‘Juist zoals de golf op de oceaan één wordt met de oceaan zo ook wordt de ziel wanneer hij volledig gezuiverd is van de zucht naar genot, lust, hebzucht, egoïsme, … één met Para Brahman’. Zonder dat ik op deze plaats een volledige uiteenzetting ga geven van allerlei soorten yoga, en hoewel ik weet dat afgoden niet echt bestaan (1Kor 8:4), is het voor mij als christen duidelijk dat ik mij niet in het krachtenveld wil en mag gaan begeven van het Hindoeïsme waarin yoga zo sterk geworteld is en wordt gepraktiseerd. Ik wil alleen de God en Vader van Jezus Christus dienen zoals die mij in de Bijbel wordt geopenbaard. Is daarmee alles gezegd? Nee. Want in het bovenstaande heb ik het over yoga als levensvorm. Maar ik kan yoga, los van alle hindoeïstische spiritualiteit waarmee yoga gepaard gaat en waar ik neen tegen zeg, ook zien als bewegingsvorm. De bewegingen zijn op zichzelf niet verkeerd. Integendeel. Lichaam en geest zijn een door God geschapen twee-eenheid die dus in nauw verband met elkaar staan. Lichaamsbeweging ontspant de geest en dat is een goede gave van God. Die ontspanning van lichaam en geest hebben we in deze hectische maatschappij hard nodig. Elke morgen doe ik een half uur rek en strekoefeningen. Dat ontspant mijn lichaam en geest. Daar zullen best wel oefeningen bijzitten die ook in yoga lessen gebruikt worden. Ik wil het niet eens precies uitzoeken. Wat dat betreft is leerzaam wat Paulus schrijft in 1 Kor. 10-23. Ik geeft deze passage in de versie van de Bijbel in Gewone Taal: ‘‘Jullie zeggen: ‘Wij mogen doen wat we willen.’ Maar ik zeg: Ja, maar niet alles is goed. Jullie zeggen: ‘Wij mogen doen wat we willen.’ Maar ik zeg: Ja, maar alleen als je daarmee ook de anderen helpt. 24 Jullie moeten niet alleen aan jezelf denken, maar ook aan anderen.25 Jullie mogen gerust al het vlees eten dat op de markt verkocht wordt. Je hoeft je niet bezorgd af te vragen waar dat vlees precies vandaan komt. 26 Want in de heilige boeken staat: «Van de Heer is de aarde en alles wat er leeft.»27 Stel dat een ongelovige jullie uitnodigt voor een maaltijd. Dan mogen jullie gerust alles eten wat er op tafel staat. Je hoeft je niet bezorgd af te vragen waar het vlees precies vandaan komt.28-30 Maar stel dat iemand aan tafel tegen jullie zegt: ‘Dit vlees is aan onze goden geofferd.’ Dan moeten jullie het niet eten. Het probleem is niet wat jullie van dat vlees vinden. Nee, het probleem is wat die persoon ervan vindt. Hij vindt het verkeerd dat jullie vlees eten dat aan zijn goden geofferd is. Daarom waarschuwt hij jullie. Stel dat jullie dat vlees dan toch eten, en God ervoor danken. Dan zal die ander denken: Die christenen doen wat ze zelf willen, ze trekken zich van niemand iets aan. En dan zal hij slechte dingen gaan vertellen over jullie en over God’. Als ik deze passage op me laat inwerken dan geldt wat hier in deze Bijbelpassage over het aan afgoden gewijd offervlees wordt gezegd ook voor mijn lichaamsbeweging en ontspanningsoefeningen: ik hoef mezelf, net als bij dat gewijd vlees, niet bezorgd af te vragen waar die oefeningen vandaan komen. Komen die oefeningen ook voor in yoga lessen. Prima, het zij zo. In die zin mag ik er dus gewoon mee doorgaan. Lichaamsoefeningen en geestelijke ontspanningsoefeningen zijn voor mij gewoon oefeningen, meer niet. Principieel gesproken is het nl. precies andersom want lichaamsbeweging en ontspanningsoefeningen komen van God en zijn een gave van God. Dat deze gave binnen het Hindoeïsme ‘misbruikt’ wordt doordat deze gave in de spirituele c.q. afgodische sfeer wordt getrokken en daaraan gekoppeld is, ligt niet aan die gaven zelf. In die afgodische sfeer wil ik niet verkeren, maar ik wil de goede gave van God wel blijven gebruiken. Waar het ons nu vooral om gaat is dat Tolle voor yoga een belangrijke rol weggelegd ziet voor het spiritueel ontwaken van deze wereld. Als yoga op de manier van Tolle wordt gebruikt is dit vanuit christelijke optiek niets anders dan de zoveelste methode voor zelfverlossing. Van die methode verwachten wij niets goeds en wijzen die dan ook af, want zichzelf verlossen kan de mens helemaal niet.
Tolle eindigt dit hoofdstuk met de volgende conclusie: ‘Het maakt niet echt wat uit welk deel van je pijnlichaam bij je land of ras hoort en welk deel persoonlijk is. Je kunt het in beide gevallen alleen overwinnen door nu de verantwoordelijkheid op je te nemen voor je innerlijke toestand. Ook al lijkt het maken van verwijten meer dan gerechtvaardigd, zolang je andere mensen verwijten maakt blijf je je pijnlichaam voeden met je gedachten en blijf je de gevangene van het ego. De enige die kwaad doet op de planeet is de menselijke onbewustheid. Dat beseffen is echte vergeving. Met vergeving lost je slachtoffer -identiteit op en komt je ware kracht te voorschijn – de kracht van Tegenwoordigheid. In plaats van de duisternis verwijten te maken breng je licht naar binnen’. In dit citaat brengt Tolle zaken naar voren die in voorgaande hoofdstukken ook al besproken werden. We kunnen er nu wat korter over zijn. ’Verantwoordelijkheid op je nemen voor je innerlijke toestand ’betekent ook hier niet dat je onder ogen ziet wat je verkeerd hebt gedaan en er alles aan doet om een weg van herstel in te slaan; nee ook hier betreft het een verdringing en verontschuldiging van de verkeerde daden die in het verleden zijn begaan. Het kwaad in het verleden en heden begaan wordt niet gerepareerd maar genegeerd. Genegeerd maar ook gemitigeerd en gebagatelliseerd. Want ook hier is de grote boosdoener bij Tolle de ‘menselijke onbewustheid’. Het excuus ‘Ach wat kan ik er eigenlijk aan doen als ik me er niet van bewust ben’ is echt een flauwe smoes. Die smoes noemt Tolle ‘vergeving’. Tolle zegt wel ‘we moeten de duisternis (d.i. het kwaad) geen verwijten maken’ maar wij maken dat kwaad wél verwijten maken. We blijven kwaad kwaad noemen en zonde zonde en de mens is en blijft daar verantwoordelijk voor. Als je op dit punt met Tolle meegaat dan zet je de hele rechtsorde op zijn kop.

Tot zover. Wordt vervolgd. Reacties zijn meer dan welkom.

 Terug
Geplaatst: 21-04-2016 21:31:29

Reacties

Er zijn nog geen reacties geplaatst

Reactieformulier