Bob Dylan  Nobel Prize Winner 2016 for Literature. Go to my Bob Dylan song analysis page to find out that Bob fully deserved to win this prestigious prize.

Bezoekers vandaag: 72Bezoekers totaal: 357055
Welcome to the website of Kees de Graaf
Kees de Graaf keesdegraaf.com
 
images6MZ4R6N5.jpg

'Een Nieuwe Aarde' een boek van Eckhart Tolle - recensie Hoofdstuk 8.

Tolle gaat in dit hoofdstuk door op thema’s die hij al eerder heeft aangesneden. Onder het kopje ‘De ontdekking van de innerlijke ruimte’ wil Tolle ons twee wijsheden meegeven. Het al eerder besproken ‘Misschien’ en nu, in dit hoofdstuk, als variant daarop: ‘Ook dit gaat voorbij’. We hebben hier al eerder uitgebreid op gereageerd dus kunnen we nu volstaan door te stellen dat deze stelling ‘Ook dit gaat voorbij’ letterlijk een dooddoener is. Deze stelling ‘Ook dit gaat voorbij’ probeert met alle kracht de ogen te sluiten voor het feit dat er iets grondigs mis is met onze menselijke existentie. ‘Ook dit gaat voorbij’ sluit moedwillig de ogen voor de harde realiteit waarin we leven. Het lost nl. niets op. Je kunt je hele leven wel blijven zeggen ‘Ook dit gaat voorbij’ maar je komt telkens in nieuwe situaties terecht waarin je dat als een soort van mantra moet blijven herhalen, totdat er een moment komt wanneer je moet zeggen: ‘Dit gaat niet voorbij’. De troost die Tolle te bieden heeft is daarom een schrale troost want er blijft niets blijvends over. Wanneer Tolle schrijft: ‘Onthecht zijn betekent niet dat je niet kunt genieten van het goede dat de wereld te bieden heeft. Je geniet er juist meer van’ dan geloven we daar niets van. Laten we als voorbeeld de vakantie noemen. Juist als je na een jaar hard werken op vakantie gaat en je moet gaan beginnen van je rust te genieten, dan merk je dat de tijd voorbij vliegt en dan komt al snel de gedachte naar boven ‘Ook dit gaat voorbij’. Voor je het weet zeg je: ‘Was dit het nu?. De harde realiteit van onze vergankelijke en gebroken existentie slaat als een boemerang op ons terug, Tolle ten spijt. Alleen als het doel waarvoor je leeft echt goed is en gebaseerd is op echt gebeurde, harde feiten, pas dan vind je troost. Deze feiten zijn: Jezus is opgestaan uit de dood en leeft. Wie deze feiten gelooft deelt in het eeuwige leven van Jezus. Nu al. Dat is een heel ander ‘Nu’ dan waar Tolle het voortdurend over heeft. Het geschenk van het eeuwige leven waarin wij door Jezus mogen delen gaat nl. niet voorbij. Tolle zal dat geloof in Jezus ongetwijfeld impliciet benoemen als ‘objectsbewustzijn’ . In zekere zin is dat ook zo. Objectbewustzijn is nl. gebaseerd op de feiten. En Jezus is real. Onder het volgende kopje: ‘Objectbewustzijn en ruimtebewustzijn’ zegt Tolle: ‘Ruimtebewustzijn betekent niet alleen dat je bevrijd bent van het ego maar ook van afhankelijkheid van de dingen van deze wereld, van materialisme en materialiteit. Het is de spirituele dimensie die als enige deze wereld transcendente en ware zin kan geven’. Opnieuw wil Tolle de mens hier afleiden van de realiteit van het bestaan hetgeen Tolle hier kwalificeert als ‘objectsbewustzijn’ en dat in tegenstelling met ‘ruimtebewustzijn’. Weer zo’n gemakkelijke oplossing van Tolle!. Nu heet het ‘ruimtebewustzijn’ Als jezelf maar bewust bent van de ‘ruimte’ dan zijn alle problemen van je ego opgelost. Hocus, pocus, Pilatus pats!. En dat ‘ruimte’ maken is volgens Tolle een kwaliteit die de mens in zichzelf bezit. Alleen moet je jezelf daarvan bewust worden. Ons antwoord is: Nee, zo simpel is het niet mijnheer Tolle!. Een mens heeft deze capaciteit helemaal niet in huis. Als dat wel zo was dan was het probleem van ons menselijk falen al lang opgelost. ‘Ruimtebewustzijn’ op de manier zoals Tolle er hier over spreekt moet nl van buitenaf naar ons toekomen. Alleen als de Geest van God in het hart van de mens komt volgt er een transformatie. Als dat gebeurt worden we echter niet ‘bevrijd’ van het ego maar wordt het ego ten goede omgevormd. De Geest gaat in ons wonen en ons ego veranderen. Die verandering gebeurt niet zonder slag of stoot. Dat is een levenslange innerlijke strijd. Als we die strijd aangaan dan moet het boze ego in de mens (ook wel genoemd ‘de oude mens’) steeds verder terug wijken en plaats maken voor ‘de nieuwe mens’. Als dat proces in de mens vorm krijgt dan gaat de mens materiele zaken anders waarderen. Materiele zaken worden dan geen doel meer in zichzelf maar middelen die meewerken in het vernieuwingsproces van de Geest. Geen gemakkelijk proces dus, maar wel een proces dat vrede geeft, uitzicht, en hoop voor de toekomst biedt.
Onder ‘Onder het denken wegzakken en erbovenuit stijgen’ schrijft Tolle ‘Ruimtebewustzijn heeft weinig te maken met high zijn. Beide toestanden liggen buiten het denken. Dat hebben ze gemeen. Het fundamentele verschil is echter dat je in het eerste geval boven het denken uitstijgt en er in het tweede onderuit zakt. Het een is de volgende stap in de evolutie van het menselijk bewustzijn, het ander een regressie naar een toestand die we heel lang geleden hebben verlaten’ Tolle erkent dat beide toestanden ‘buiten het denken’ liggen. Dat betekent dat in beide toestanden het verstand op nul komt te staan. Het ‘fundamentele verschil’ dat Tolle tussen beide gemoedstoestanden ziet, zien wij echter niet. Drugs en alcohol gebruik schakelen, na gebruik van een bepaalde dosis, het redelijk denken, het verstand, uit. ‘Ruimtebewustzijn’ wordt daarentegen gecreëerd door concentratie op het ‘Nu’. Natuurlijk zijn de gevolgen van het veelvuldig gebruik van verdovende middelen veel ingrijpender dan concentratie op het ’Nu’. Er ontstaat bij overmatig drugs en alcohol gebruik veelal ook een lichamelijke verslaving met alle gevolgen van dien. Maar beide gemoedstoestanden hebben dit gemeen dat ze zich – hoewel slechts tijdelijk - afsluiten voor de harde realiteit waarin de menselijke existentie verkeert. Beiden willen je een goed gevoel geven, maar helaas, het beklijft niet. Inderdaad, verslaving aan drank en drugs maakt uiteindelijk alles kapot. ‘Ruimtebewustzijn’ daarentegen maakt je apathisch voor de nood waarin deze wereld verkeert en maakt je ook apathisch voor de nood waarin jezelf verkeert. We hebben dit in vorige hoofdstukken al gedetailleerd besproken wat de gevolgen daarvan zijn.
Onder het kopje ‘Televisie’ geeft Tolle een uiteenzetting over het TV kijken. Dat kan erg verslavend werken en daar heeft Tolle gelijk in. Door veelvuldig naar nutteloze programma’s te kijken en maar te blijven zappen, wordt het zelfstandig denken inderdaad uitgeschakeld en raak je in een zodanige trance dat je de denkwijze van de programma makers onbewust overneemt. Tolle schrijft dan: ‘Als het interessant was, je tot denken zou aanzetten, zou het je verstand prikkelen om weer zelf te gaan denken, wat bewuster is en daarom beter dan een door de tv opgewekte trance. Je aandacht zou dan niet meer helemaal gevangen zijn door de beelden op het scherm’. We zijn het eens met deze opmerking van Tolle. Maar toch is het vreemd. Want in voorgaande hoofdstukken heeft Tolle zich uitgeput om het ‘denken’ van de mens aan te wijzen als de grote blokkade voor het bewustwordingsproces van de mens. ‘Denken’ wordt door Tolle steevast gekoppeld aan ‘vorm’ en ‘vorm’ verhindert de mens te komen tot bewustwording van het allesbepalende ‘Nu’. Tolle spreekt zichzelf hier dus behoorlijk tegen. Als Tolle dan vervolgens schrijft: ‘Als de inhoud van het programma een bepaalde kwaliteit heeft, kan dat het hypnotische, verdovende effect van het medium tv tot op zekere hoogte neutraliseren en zelfs tenietdoen. Er zijn programma’s waar veel mensen enorm veel aan hebben gehad, die hun leven ten goede hebben veranderd, hun hart openden, hen bewuster maakten’ dan vragen we ons af waar Tolle op doelt. Bedoelt Tolle wellicht zijn eigen ‘live online’ seminar’ dat in 2008 samen met Oprah Winfrey wereldwijd op TV werd uitgezonden?. Het paradoxale in Tolle is dat hij het ‘denken’ van de mens voortdurend op non actief wil stellen terwijl hij er tegelijkertijd op aandringt om over zijn eigen ideologie na te denken.
Tolle spant zich in om voortdurend Jezus een plaatsje te geven in zijn denken. Ik denk dat Tolle dat doet om zijn leerstellingen ook voor christenen appetijtelijk te maken. Dat doet hij ook weer onder de titel ‘Het herkennen van de innerlijke ruimte’. Tolle schrijft dan: ‘Als je over innerlijke ruimte hoort, ga je er misschien naar streven, en doordat je ernaar streeft als iets waarnaar je als object of ervaring kunt zoeken, kun je het niet vinden. Dat is het dilemma voor alle mensen die streven naar spirituele bewustwording of verlichting. Daarom zei Jezus: ‘Het Koninkrijk Gods komt niet zó, dat het te berekenen is; ook zal men niet zeggen: zie, hier is het of daar! Want zie, het Koninkrijk Gods is bij u’. Ook nu weer wil Tolle Jezus achter zijn eigen denkkarretje spannen. Als Jezus gezegd zou hebben: ‘Het koninkrijk is in U’ dan had Tolle misschien een punt. Maar dat zegt Jezus niet. Hij zegt: ‘Het koninkrijk is in uw midden’. Anders gezegd: Ik, Jezus, ben zelf de belichaming van het koninkrijk van God. Met mijn komst is het koninkrijk van God definitief op aarde verschenen’. Dat koninkrijk is nergens anders te vinden dan alleen bij Jezus, en niet in het z.g. ‘Zijn’ van Tolle of in wat Tolle noemt de ‘innerlijke ruimte’ van de mens. Tolle verdraait hier de woorden van Jezus zodat ze passen in het – in dit geval het hindoeïstische straatje -van zelfverlossing dat Tolle even verder op bewandelt. Tolle is lyrisch over het geluk en het welbevinden waarheen de bewustwording van het ‘Zijn’ je kan loodsen. Tolle schrijft dan even later: ‘Als dat gebeurt, is er een gevoel van welbevinden, een levende vrede, ook al is het nauwelijks bespeurbaar. De intensiteit kan variëren van een nauwelijks waarneembaar gevoel van tevredenheid op de achtergrond tot wat de oude wijzen van India ananda noemden – de gelukzaligheid van Zijn’. Die gelukzaligheid is volgens Tolle dus in jezelf te vinden. Alleen, je moet jezelf daarvan bewust worden. Deze gedachte van Tolle staat diametraal tegenover de gedachte dat echte gelukzaligheid alleen bij God te vinden is en dat die gelukzaligheid alleen door Hem aan de mens kan worden geschonken. De mens moet daarvoor de blik naar boven, naar God, richten en niet naar zichzelf.
Onder het kopje ‘Juist handelen’ schrijft Tolle: ‘Tegenwoordigheid is een toestand van innerlijke ruimtelijkheid. Als je tegenwoordig bent, vraag je: wat moet ik doen om tegemoet te komen aan wat de situatie of het moment nodig heeft? Je bent stil, alert, open voor wat is. Je brengt een nieuwe dimensie in de situatie: ruimte. Dan kijk je en luister je. Zo word je één met de situatie. Als je in plaats van tegen een situatie te reageren één wordt met die situatie, komt de oplossing uit de situatie zelf voort’. We hebben al eerder geconstateerd dat Tolle niet wil weten van een absolute scheiding tussen goed en kwaad. Een situatie is bij Tolle altijd zoals hij is, of die situatie nu goed of slecht is, dat maakt bij Tolle geen verschil. Een situatie die als kwaad valt aan te merken wordt niet aangepakt en gecorrigeerd maar de boel wordt gewoon de boel gelaten. Nee, de situatie komt volgens Tolle zelf met een oplossing. Tolle doet net alsof ‘de situatie’ een persoon is die in staat is om zelf met oplossingen te komen. Stel dat de situatie zo is dat je tiener dochter het slachtoffer geworden is van zinloos geweld op straat. Je hoeft niets te doen volgens Tolle. Je hoeft alleen maar stil en alert te worden en dan komt ‘de situatie’ met een oplossing. Tolle vervolgt: ‘Eigenlijk ben jij, de persoon, het niet die kijkt en luistert, maar het is de alerte stilte zelf. Dan, als het mogelijk of nodig is om iets te doen, handel je, of liever, gebeurt het handelen door jou. Juist handelen is handelen dat past bij het geheel. Als de actie voltooid is, blijft de alerte, ruime stilte achter’. Nu kan er volgens Tolle schijnbaar toch enige beweging of handeling komen. Maar als dat gebeurt dan ben het niet zelf die tot actie over gaat maar het is ‘de situatie’ die nu aangeduid wordt door de ‘alerte stilte zelf’, die door jou handelend kan gaan optreden. Onze vraag is: wie is dat dan die ‘alerte stilte zelf’ die eventueel gaat optreden in het geval van het zinloos geweld dat tegen je tiener dochter op straat is gepleegd? Nog een vraag: als volgens Tolle zo’n situatie niet als goed of slecht is aan te merken, wat voor actie zou je dan überhaupt moeten nemen?
Onder ‘Waarnemen zonder te benoemen’: ‘Wanneer het bewustzijn niet meer helemaal in beslag wordt genomen door het denken, blijft een deel ervan in zijn vormloze, ongeconditioneerde, oorspronkelijke toestand. Dat is innerlijke vrede’. Ook hier is de boodschap: schakel het denken uit en wat er overblijft is ‘innerlijke vrede’. Dit staat haaks op wat Jezus zegt: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand’( Mat. 22:37). Liefhebben gebeurt dus ook met het verstand. Alleen liefde kan tot innerlijke vrede leiden. Alle menselijke zintuigen en gevoelens, ook het denken en het verstand - dienen op God gericht te worden. Pas dan ontstaat er echte vrede. Vrede is een vrucht van de Geest (Gal. 5:22). Alleen Jezus is onze echte vrede (Efez. 2:14). Die vrede is het hoogste goed dat God de mens kan schenken. Die vrede is weliswaar meer dan het verstand maar schakelt het verstand niet uit zoals Tolle beweert. Als je God dankt -zegt Paulus in Filippenzen 4:7 – ‘dan zal de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, uw hart en uw gedachten i Christus Jezus bewaren’. We geven toe: dit is geen ‘waarnemen zonder te benoemen’ waartoe Tolle ons oproept maar dit is waarnemen en Jezus benoemen. En die naam wil gaarne benoemd worden.
Onder het gedeelte ‘Wie is het die ervaart? creëert Tolle voor de zoveelste keer een tegenstelling tussen wat je als mens waarneemt (vorm) en het ‘Bewustzijn’ het eeuwige ‘Zijn’ van de mens. Tolle maakt het ‘Zijn’ van de mens tijdloos en plaats daarmee de essentie van de mens boven de tijd. De Bijbel leert ons echter duidelijk dat alleen God boven de tijd staat. God heeft het begrip ‘tijd’ zoals wij dat kennen en ervaren, zelf geschapen. Zelf is God echter tijdloos, dus eeuwig. Van dat alles wil Tolle niet weten. Dat blijkt wanneer Tolle schrijft over de ‘de lichtgevende ruimte waarin de wereld opkomt en ondergaat’. Over die ruimte zegt Tolle dan: ‘Die ruimte is het leven dat Ik Ben. Het is tijdloos. Ik Ben tijdloos, eeuwig’. Herkent u het als lezer? We hebben het al vaker opgemerkt dat ‘Ik Ben’ een naam is die God alleen voor Zichzelf heeft gereserveerd (Ex.3:14). Een schepsel kan en mag deze naam zich niet toe-eigenen. Door de mens het etiket ‘tijdloos’ en ‘eeuwig’ op te plakken maakt Tolle de mens aan God gelijk. En dat is afgoderij. ‘Tijdloos ‘ en ‘eeuwig’ zijn termen die de Bijbel alleen voor God heeft gereserveerd. De mens is geschapen en heeft als zodanig wel degelijk een begin. Als die zelfde mens echter in Jezus gelooft, dan heeft hij eeuwig leven. Maar dan als een door God uit genade gegeven geschenk.
Onder het kopje ‘De Ademhaling’ zegt Tolle: ‘Omdat de ademhaling als zodanig geen vorm heeft, is ze van oudsher gelijkgesteld met geest – het vormloze ene Leven. ‘… toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen. Het Duitse woord voor ademen, atmen (en het Nederlandse woord ademen) is afgeleid van het Oud-Indische woord atman, dat ‘de inwonende goddelijke geest’ of ‘God in je’ betekent’. We hebben uiteraard niets tegen ademhalingstechnieken om daarmee bijv. een hyperventilerende persoon tot rust te brengen. Wel gaat het kriebelen als er een pseudo spirituele betekenis aan ademhalingstechnieken wordt toegekend zoals Tolle hier wil suggereren. Tolle suggereert hier op zijn minst dat je ademhalingstechnieken kunt gebruiken om jezelf bewust te worden van de ‘inwonende’ goddelijke geest’ of van ‘God in je’. Daar lezen we niets van terug in de Bijbel. Als de Heilige Geest in de mens komt wonen dan is dat volgens de Bijbel niet iets wat wij kunnen faciliteren door onze ademhalingstechnieken. De Geest doet wat Hij wil en komt op eigen initiatief in de mens wonen (Joh. 3:8). Bovendien maakt de Heilige Geest ons niet bewust van de ‘god’ in ons, integendeel, de Heilige Geest wil er ons juist bewust van maken dat alleen dat Jezus Christus de Heer is en niet wijzelf. Paulus zegt dan ook niet voor niets in 1 Kor.12: 3: ‘Niemand kan ooit zeggen: ‘Jezus is de Heer, behalve door toedoen van de Heilige Geest’.
Onder het kopje ‘Verslavingen’ schrijft Tolle: ‘Als je een dwangmatig gedragspatroon hebt als roken, je overeten, drinken, tv-kijken, internetverslaving of wat dan ook, kun je het volgende doen: wanneer je maar merkt dat de dwangmatige behoefte bij je opkomt, houd je op met wat je aan het doen bent en haal je drie keer bewust adem. Daarmee wek je bewustzijn op. Neem dan een paar minuten de dwangmatige behoefte in jezelf waar als een energieveld in je. Voel bewust de behoefte om fysiek of mentaal de een of andere substantie tot je te nemen of het verlangen om de een of andere dwanghandeling uit te voeren. Haal dan nog een paar keer bewust adem. Daarna kan het gebeuren dat de dwangmatige behoefte verdwenen is – voor een poosje. Het kan ook gebeuren dat de behoefte je te veel wordt en dat je er toch aan toegeeft. Maak er geen probleem van. Maak van de verslaving een deel van de bewustzijnsoefening op de manier die hierboven beschreven is. Als je bewuster wordt, verzwakken verslavingspatronen en verdwijnen ze uiteindelijk’. Dat Tolle niets wil weten van een absolute tegenstelling tussen goed en kwaad, breekt hem ook hier op. De ernst van de verslaving wordt door Tolle niet onderkend. Tolle schijnt geen moreel oordeel te hebben over de ravage die bijv. drank, drugs of porno verslaving aanricht, voor zowel ‘daders’ als ‘slachtoffers’. Als de ernst, het kwaad, van verslavingen niet wordt ingezien, dan kan de behandeling ervan ook niet deugen. Dat zie je bij Tolle terug. Dat blijkt wanneer Tolle zegt: ‘Haal dan nog een paar keer bewust adem. Daarna kan het gebeuren dat de dwangmatige behoefte verdwenen is – voor een poosje. Het kan ook gebeuren dat de behoefte je te veel wordt en dat je er toch aan toegeeft. Maak er geen probleem van’. Denkt Tolle werkelijk dat diep gewortelde verslavingen zich zullen laten verdrijven – ook al is het maar voor een poosje – door ademhalingstechnieken? Verslavingen zijn een kwaad. Kwaad gaat nl. pas echt opzij als ingezien wordt dat het ook echt een kwaad is dat aangepakt moet worden. Dat is een heel lastig en moeilijk traject. Daar heb je hulp van buiten voor nodig. Je red het niet met ademhalingstechnieken van Tolle. Als je toegeeft aan je verslaving dan gaat Tolle pamperen en zegt: ’Maak er geen probleem van’. Echter, pas als je er wel een serieus probleem van maakt dat je telkens toegeeft aan je verslaving, en je vervolgens professionele hulp gaat zoeken, dan gloort er licht aan de horizon. Wat Tolle hier aanbeveelt is veel te simpel en zal niet werken. Dat komt ervan als je de doorwerking van het kwade in de wereld bagatelliseert zoals Tolle dat telkens doet.
Onder ‘Je bewust zijn van het innerlijke lichaam’ zet Tolle het navelstaren nog even voort. Ademhalingstechnieken moeten je volgens Tolle helpen om jezelf bewust te worden van ‘het innerlijke lichaam’. Tolle schrijft: ‘De meeste mensen zijn zo afgeleid door hun gedachten, zijn zo geïdentificeerd met de stem in hun hoofd, dat ze de levendigheid in zichzelf niet meer kunnen voelen. Niet in staat te zijn het leven te voelen dat het stoffelijke lichaam bezielt, het leven dat je zelf bent, is het grootste verlies dat je kan overkomen’. Wij geloven daar niets van. Het ergste is wat je kan overkomen is dat je de oplossing van je problemen gaat zoeken in jezelf. Want je bent het nl. gewoon zelf die de problemen veroorzaakt. Wat Tolle hier het ‘innerlijke lichaam’ noemt deelt net zo hard in de malaise van de menselijke existentie als het stoffelijk lichaam. De mens is verdorven naar lichaam en ziel en kan zichzelf niet uit dit moeras trekken, door geen enkele techniek. Tolle constateert terecht dat mensen voor de leegte die ze in zichzelf voelen vervangingsmiddelen gaan zoeken. Tolle zegt dan: ‘Tot de vervangingsmiddelen die mensen zoeken behoren de door drugs opgewekte roes, (te) sterke prikkeling van de zintuigen door bijvoorbeeld erg harde muziek, opwindende of gevaarlijke activiteiten en een obsessie met seks. Zelfs drama in relaties wordt gebruikt als vervanging van dat echte gevoel dat je leeft. De meest gezochte dekmantel voor het continue onbehagen op de achtergrond is een intieme relatie: een man of vrouw die ‘me gelukkig zal maken’. Het is natuurlijk ook een van de meest ervaren ‘teleurstellingen’. En als het onbehagen aan de oppervlakte komt, krijgt de partner meestal de schuld’. Echter, de oplossing die Tolle aandraagt: ‘Haal twee of drie keer bewust adem. Kijk nu of je een subtiel gevoel van levendigheid kunt bespeuren dat je hele innerlijke lichaam doordringt’ zal niet gaan helpen. De door Tolle zo geprezen ‘innerlijke levendigheid’ is net zo goed een deel van het probleem. Het middel dat Tolle aanreikt is net zo erg als de kwaal.
Onder ‘Innerlijke ruimte en de ruimte van het heelal’ probeert Tolle met een aantal argumenten de realiteit van het menselijke lichaam te ontkennen. Tolle zegt hier: ’Natuurkundigen hebben ontdekt dat de vastheid van materie een door onze zintuigen geschapen illusie is. Ons fysieke lichaam, dat we waarnemen en denken als vorm, valt daar ook onder, want 99,99 procent ervan is in werkelijkheid lege ruimte. Zo groot is de ruimte tussen de atomen in vergelijking met hun omvang, en in elk atoom is weer evenveel ruimte. Het fysieke lichaam is niet meer dan een onware waarneming van wie je bent’. We zouden haast zeggen: knijp jezelf in de arm en je merkt dat je wel degelijk bestaat. Ook al is 99,99 procent van ons fysieke lichaam in werkelijkheid lege ruimte, dan zegt dat niets. Er blijft ook in deze these van Tolle nog een honderdste procent materie over. Het percentage maakt namelijk niets uit. Ons lichaam bestaat uit materie en of het overgrote deel nu uit lege ruimte bestaat doet niets af van het feit dat er tussen de lege ruimte nog altijd materie overblijft, ook al zou dat slechts een klein percentage zijn. Ook in stoffelijk opzicht bestaan we dus echt. Lichaam en ziel van de mens vormen een twee-eenheid. De opmerking die Tolle even later maakt klopt dan ook niet: ‘Je fysieke lichaam, dat vorm is, openbaart zichzelf dus als in wezen vormloos wanneer je er dieper in doordringt’. Hier vertoont Tolle weer de trekken van het gnosticisme uit het begin van onze jaartelling. Het lichaam is van geen waarde, het gaat om de geest, het vormloze ‘Zijn’. Door het fysieke lichaam zo te depreciëren, ontmenselijkt Tolle de mens. Het lichaam mag bij Tolle hooguit een toegangspoort zijn naar de ‘innerlijke ruimte’ want zo vervolgt Tolle: ‘Het wordt een toegang naar de innerlijke ruimte. Hoewel innerlijke ruimte geen vorm heeft, is zij intens levend. Die ‘lege ruimte’ is het leven in zijn volheid, de ongemanifesteerde Bron waaruit alle manifestatie stroomt. Het traditionele woord voor die Bron is ‘God’. De mens wordt bij Tolle ontmenselijkt en God gedepersonaliseerd. God is hier geen Persoon meer maar zo iets vaags als een ‘ongemanifesteerde Bron’. Die ‘Bron’ krijgt dan bij Tolle het etiket ‘God’ opgeplakt. Die opvatting staat haaks op de Bijbel die leert dat God als Persoon bestaat en persoonlijk betrokken is op Zijn eigen schepping.
Even later ontpopt Tolle zich weer als een echte boeddhist. Dat blijkt wanneer hij schrijft: ‘Als je denkt, voelt, waarneemt en ervaart, wordt bewustzijn in vorm geboren. Het reïncarneert – in een gedachte, een gevoel, een zintuiglijke waarneming, een ervaring. De cyclus van wedergeboorten waar boeddhisten uiteindelijk aan hopen te ontsnappen vindt voortdurend plaats en alleen op dit moment – door de kracht van het Nu – kun je eruit stappen. Door een volledige aanvaarding van de vorm van het Nu raak je inwendig afgestemd op de ruimte, die de essentie van Nu is. Door aanvaarding word je vanbinnen ruim. Afgestemd zijn op de ruimte in plaats van op vorm: dat brengt een waar perspectief en evenwicht in je leven’. We zien weinig verschil tussen een boeddhist die door meditatie en concentratie aan de cyclus van wedergeboorten probeert te ontsnappen en de methode van Tolle die de kracht van het ‘Nu’ aanwendt om eveneens aan de harde realiteit van ons gebroken leven te ontsnappen. De boeddhist en Tolle hebben dus dit gemeen dat ze beiden uit de realiteit willen stappen met alles nare gevolgen van dien.
Onder ‘Jezelf verliezen om jezelf te vinden’ haalt Tolle weer een citaat van Jezus aan. Maar zoals zo vaak rukt hij de citaten van Jezus uit zijn verband om vervolgens de indruk te wekken dat Jezus achter de gedachten staat die Tolle ontvouwt. ‘Jezelf verliezen om jezelf te vinden’ is bij Jezus geen puur menselijke actie of methode waardoor de mens zichzelf op een hoger plan kan tillen. Dat is het bij Tolle wel. Jezus en de hele Bijbel leert ons echter dat we uit onszelf helemaal niet in staat zijn om bepaalde gedragspatronen op te geven. Bij Jezus betekent ‘Jezelf verliezen om jezelf te vinden’ het volgende: wie zich overgeeft aan Jezus lijkt te verliezen. Want Jezus gehoorzamen lijkt je op achterstand te zetten. Maar het is slechts schijn. Jezus gaat de leegte die er ontstaat doordat je de zonde opgeeft, opvullen met Zijn liefde en genade. Voor de zonde die je nalaat krijg je van Hem iets veel mooiers terug. Dat mooie is bij uitstek ‘jezelf vinden’. Maar dan als geschenk van God.
Tolle overschat de kracht van de mens om zichzelf uit het moeras omhoog te trekken schromelijk. Dat blijkt wanneer hij over negatieve gedragspatronen het volgende schrijft: ‘Heb je eenmaal zo’n patroon bij jezelf ontdekt, dan zou ik willen voorstellen dat je een experiment uitvoert. Zoek eens uit hoe het aanvoelt en wat er gebeurt als je dat patroon loslaat. Laat het gewoon vallen en kijk wat er dan gebeurt’. Denkt Tolle nu werkelijk dat bijv. een alcohol verslaafde door een experiment te doen iets ‘gewoon kan laten vallen’? Deze verslaafde moet dan volgens Tolle het volgende doen: ‘Ontdek de geweldige kracht die door jou de wereld instroomt als je ophoudt met het benadrukken van je vormidentiteit’. Dat is toch echt goedkope onzin! Begrijpt Tolle niet dat zo’n verslaafde in therapie moet om van zijn verslaving af te komen? En die therapie houdt o.a. in: de confrontatie met het kwaad aangaan en daardoor leren inzien welke schade je aanricht aan anderen en aan jezelf. Nogmaals benadrukken we dat dit geen gemakkelijk traject is maar het is de enige oplossing is om dingen die slecht zijn ook als slecht te durven benoemen, en vanuit die positie een weg van heling op te gaan.

 Terug
Geplaatst: 24-10-2016 14:33:12

Reacties

Er zijn nog geen reacties geplaatst

Reactieformulier