Bob Dylan  Nobel Prize Winner 2016 for Literature. Go to my Bob Dylan song analysis page to find out that Bob fully deserved to win this prestigious prize.

Bezoekers vandaag: 207Bezoekers totaal: 348930
Welcome to the website of Kees de Graaf
Kees de Graaf keesdegraaf.com
 
images6MZ4R6N5.jpg

'Een Nieuwe Aarde' een boek van Eckhart Tolle - recensie Hoofdstuk 9.

Onder het kopje ‘Je innerlijke doel’ zegt Tolle: ‘Het belangrijkste om je te realiseren is dus dit: je leven heeft een innerlijk doel en een uiterlijk doel. Het innerlijke doel heeft te maken met Zijn en is primair. Het uiterlijke doel heeft te maken met doen en is secundair’. Deze stelling lijkt logisch en toch klopt deze stelling niet. ‘Doen’’ is volgens ons helemaal niet zo secundair als Tolle stelt, maar juist veel eerder primair. ‘Doen’ is o.i. niets anders dan de praktijk van het leven. Uiteindelijk komt het op het ‘doen’ aan. Laten we eens even met Tolle meepraten en zeggen dat we in het ‘Zijn’ geworteld zijn en we ons daar van ‘bewust’ zijn. Als dat ‘Zijn’ me zou opdragen om mijn naaste in nood te helpen en ik doe dat vervolgens niet, wat heb ik er dan aan dat ik in dit primaire ‘Zijn’ geworteld ben? Niets dus. Beter zou je dus kunnen zeggen: ‘Zijn’ is de basis van waaruit we opereren met het primaire doel dit ‘Zijn’ nu ook in praktijk te brengen, dus dit ‘Zijn’ nu ook te ‘doen’. In de Bijbel staat dit prachtig verwoord in Jac. 2: 17-26. In deze tekst staat dat geloof met werken, dus met ‘doen’ gepaard hoort te gaan anders heeft het geloof geen enkele zin. Het grote verschil met Tolle is echter dat ‘Zijn’ in de Bijbel staat voor ‘geloof’ in God. En dat geloof in God is heel wat anders dan het ‘Zijn’ van Tolle. Het ‘Zijn’ van Tolle is, zoals we al vaker hebben gezegd, niets anders is dan een verlengstuk van het menselijk ego.
Onder het kopje ‘Ontwaken’ komen we iets opmerkelijks tegen. Ineens gaat Tolle over ‘genade’ spreken. Genade is immers een voluit Bijbels begrip. Tolle zegt: ‘Het begin van het ontwakingsproces een daad is van genade. Je kunt het niet laten gebeuren, ook kun je jezelf er niet op voorbereiden of er studiepunten voor verzamelen’. Er is geen nette opeenvolging van logische stappen die daarheen leidt, ook al zou het verstand dat geweldig vinden. Je hoeft het niet eerst waardig te zijn. Het kan eerder tot de zondaar komen dan tot de heilige, maar dat hoeft niet. Daarom ook ging Jezus met alle soorten mensen om en niet alleen met de fatsoenlijke. Je kunt niets doen om te ontwaken. Wat je doet is altijd het ego dat probeert ontwaken of verlichting aan zichzelf toe te voegen als kostbaarste bezit, om zichzelf daarmee belangrijker en groter te maken. In plaats van te ontwaken voeg je dan het concept van ontwaken toe aan je denken, of het mentale beeld van hoe een ontwaakt of verlicht mens is, en dan probeer je volgens dat beeld te leven. Leven naar een beeld dat je van jezelf hebt of dat andere mensen van je hebben is onecht leven – een andere onbewuste rol van het ego’. Ineens lijkt Tolle zich te realiseren dat als de mens zelf beschikt over de eigenschap om te kunnen ‘Ontwaken’ of de eigenschap om het ‘Zijn’ mogelijk te maken, en daarbij geen hulp van een ander nodig heeft – in dit geval is die ander God - dat dan critici wel eens gelijk zouden kunnen hebben wanneer deze critici stellen dat heel dat concept van ‘Ontwaken en ‘Zijn’ niets anders is dan een verlengstuk van het menselijke ego. Tolle schijnt enigszins op zijn Het is de reden waarom hij nu ineens het begrip ‘genade’ introduceert. ‘Genade’ veronderstelt echter dat er iemand moet zijn die jou ‘genadig’ is. Dat er iemand is die compassie voor je heeft en je uit genade red uit een moeilijke situatie, zonder dat je dat verdiend hebt. Maar die ‘iemand’ die komt bij Tolle niet in beeld. Die ‘iemand’ die niemand anders dan God Zelf kan zijn, die komt bij Tolle nooit in beeld. Tolle gelooft niet in een persoonlijk God. Hoe kan je dan nog over ‘genade’ spreken? Tolle had dan beter kunnen zeggen dat het ontwakingsproces blind toeval is. Dat past ook beter bij zijn visie. Immers het concept van het ‘Zijn’ komt volgens Tolle voort uit wat hij in hoofdstuk 6 noemt ‘de evolutionaire impuls van het heelal’. Onpersoonlijker kan het niet want een ‘impuls’ kan toch niet genadig zijn?. ‘Genade’ als voorwaarde tot ontwaken komt alleen hier, in dit hoofdstuk, voor bij Tolle. Elders in het boek gaat hij ervan uit dat je dat proces van ontwaken volledig in eigen hand hebt waarbij je dus helemaal geen genade nodig hebt. Dat bleek reeds in hoofdstuk 6 waar Tolle zei: ‘Als je de eindeloze cyclus van het lijden niet meer kunt verdragen, begin je te ontwaken ’. Dat bleek ook in het vorige hoofdstuk toen Tolle ademhalingstechnieken aanprees om daardoor te kunnen ontwaken. Een proces dat je dus volledig zelf kunt sturen volgens Tolle. Nu zegt Tolle hier dat alleen ‘het begin’ van het ontwakingsproces een daad van genade is. Weer is dat tegenstrijdig. Laten we een voorbeeld geven om dat duidelijk te krijgen. Stel dat ik schipbreuk heb geleden en in de oceaan lig. Er vaart een reddingsboot uit om mij uit de oceaan te redden. Als ik nu zou stellen dat alleen het ‘begin’ van deze reddingsoperatie, het uitvaren van de reddingsboot, een daad van genade is en de rest van de reddingsoperatie geen daad van genade is. Het ‘begin’ het ‘uitvaren’ is dan een daad van genade en de rest van de redding dank ik aan mijzelf. Iedereen zal begrijpen dat dit wartaal is. Want als de genade van het ‘begin’ het ‘uitvaren’ er niet zou zijn geweest, dan was ik helemaal niet gered en zou ik verdronken zijn. Dus kan het niet anders of ik heb mijn totale redding te danken aan de reddingsbrigade en niet alleen maar ‘het begin’. We kunnen het dan ook moeilijk anders interpreteren dan dat dat spreken van Tolle over ‘genade’ een zoveelste poging is om zijn denkconcept ook voor christenen aanvaardbaar te maken. Overigens schijnt Tolle er zich enigszins van bewust te zijn dat dit spreken over dat genadige ontwakingsproces als wartaal is aan te merken. Dat blijkt wanneer hij vervolgens zegt: ‘Alleen het eerste ontwaken, de eerste glimp van bewustzijn zonder denken, vindt plaats door genade, zonder dat jij er iets voor doet. Als je dit boek onbegrijpelijk of wartaal vindt, is het bij jou nog niet gebeurd. Maar als iets in je erop reageert, als je op een of andere manier de waarheid erin herkent, wil dat zeggen dat het ontwaken begonnen is. Is dat eenmaal het geval, dan is het onomkeerbaar, al kan het door het ego wel vertraagd worden’. Ik vind dit spreken van Tolle inderdaad wartaal. Aan de andere kant, ik reageer wel degelijk op dit boek, dus zou ik in de ogen van Tolle ontwaakt moeten zijn of althans daarmee begonnen moeten zijn. De waarheid erin herken ik echter niet. In die zin ben ik dus in de ogen van Tolle niet ontwaakt. Het verschil met Tolle blijft recht overeind staan. Er mag bij mij inderdaad sprake zijn van ‘ontwaken’. Een beter woord hiervoor is ‘Verlichting’. Maar dan alleen verlichting door de Heilige Geest die van buitenaf in mij komt wonen. Dat is voor de volle honderd procent genade. Ondanks het feit dat Tolle hier nu spreekt over ‘genade’’ blijft bij Tolle het ontwaken en het ‘Zijn’ een kwaliteit die de mens zelf in huis heeft en waarvan de mens zich bewust dient te worden. De Bijbel noemt zulk soort bewustwording afgoderij. Tolle schrijft verderop: ‘Met de genade van het ontwaken komt de verantwoordelijkheid. Je kunt proberen door te gaan alsof er niets gebeurd is, óf je begrijpt de betekenis en erkent het ontluiken van bewust zijn als het belangrijkste dat er met je kan gebeuren. Jezelf openstellen voor het opkomende bewustzijn en het licht ervan in de wereld te brengen wordt dan het hoofddoel van je leven. ‘Ik wil de geest van God kennen’, zei Einstein. ‘De rest is detail.’ Wat is de geest van God? Bewustzijn. Wat betekent het de geest van God te kennen? Dat je bewust bent. Wat zijn de details? Je uiterlijke doel en uiterlijke gebeurtenissen’. Wanneer Tolle hier zegt dat ‘met de genade van het ontwaken ook de verantwoordelijkheid komt’ dan herkennen we dat. Maar dan in die zin dat als de Heilige Geest in ons hart komt wonen, dat we dan een nieuwe verantwoordelijkheid krijgen. Gods werk in ons hart en leven gaat nooit buiten ons om. Maar dat is weer wat anders dan dat Tolle hier bedoelt. Wat ons vooral in dit citaat tegenstaat is dat Tolle de Geest van God in dit citaat gelijk aan het menselijk Bewustzijn maakt, sterker nog, Tolle laat de Geest van God geheel opgaan in het menselijk Bewustzijn. We denken dan ook dat Tolle het hier niet heeft over dezelfde Geest als in de Bijbel, nl. de Heilige Geest. De Heilige Geest in de Bijbel is echter een Persoon binnen de goddelijke Triniteit van God, Vader, Zoon en Geest. De Heilige Geest maakt de wereld inderdaad van ‘bewust’. Jezus verwoordt dat in Johannes 16:8: ‘Wanneer Hij ( d.i. de Pleitbezorger, de Heilige Geest) komt zal hij de wereld duidelijk maken wat zonde, gerechtigheid en oordeel is’(NBV). De Bijbel in gewone Taal zegt: ‘Hij (De Heilige Geest) maakt duidelijk wat zonde is: dat mensen niet in mij willen geloven. Hij maakt duidelijk wat Gods goedheid is: dat ik naar de Vader ga. (Daarom zullen jullie mij dus niet meer zien.) En hij maakt duidelijk wat het oordeel is: dat Satan, de heerser van deze wereld, gestraft wordt’. Het is duidelijk dat de Bijbel het over een geheel ander bewustwordingsproces heeft dan Tolle. Als de Heilige Geest dus in mij komt wonen, dan maakt Hij mij er allereerst bewust van wat er zondig en fout is in mijn leven. Dat doet Hij, niet om mij neer te drukken maar juist om mij op Jezus te wijzen. Want Jezus wil mijn leven helen en gezond maken. De Heilige Geest verwijst mij naar Jezus, maakt mij van Jezus ‘bewust’ zodat ik tot Hem de toevlucht neem. Redding en bevrijding komen dan ook alleen van Jezus.
Onder het kopje ‘Een dialoog over je innerlijke doel’ gaat Tolle naar aanleiding van gesprekken die hij gevoerd heeft vragen stellen en beantwoorden (Het Q&A model). De volgende vraag en antwoord wordt dan gegeven: ‘V: Ik weet niet precies wat het is, maar ik wil verandering in mijn leven. Ik wil groei, ik wil iets doen dat zin heeft, en ja, ik wil voorspoed en de vrijheid die daarmee samengaat. Ik wil iets doen dat iets betekent, waarmee ik iets aan de wereld toevoeg. Maar als je me nu vraagt wat ik precies wil, moet ik zeggen dat ik het niet weet. Kun je me helpen mijn levensdoel te vinden? A: Je doel is hier te zitten en met me te praten, want daar ben je en dat ben je aan het doen. Totdat je opstaat en wat anders gaat doen. Dan wordt dat je doel’. De vragensteller verwoordt een algemeen menselijk probleem. Sinds de mens in zonde viel, is de mens richting, zin en doel van zijn leven kwijt. Ik denk dat de meeste mensen nog steeds ergens een ongedefinieerd gevoel hebben dat de mens toen iets essentieels kwijt is geraakt. Ik denk echter dat het antwoord dat Tolle hier geeft een dooddoener is waar je niets aan hebt. Tolle wil het sluimerende gevoel dat altijd in de mens aanwezig is, nl. dat alle dingen zin en betekenis hebben en dat we op weg zijn naar een bepaalde toekomst, weg redeneren. Dat doet hij op een manier die we al eerder besproken hebben. Tolle wil het denken, dat altijd de neiging heeft zich op de toekomst te richten, uitschakelen door de mens zich op het ‘Nu’ te laten concentreren. Die voortdurende concentratie op het ‘Nu’ noemt hij dan het ‘primaire doel’ van de mens. Hij berooft de mens daarmee echter van de prachtigste gave die de mens van de Schepper heeft gekregen, nl. dat hij verstand heeft gekregen, een ratio waarmee hij kan denken. Met dat verstand kan de mens zich ook lange termijn doelenstellen en kan hij vorm geven aan zijn idealen, en dat is een goede zaak. Natuurlijk is ook het verstand, het denken, door de zondeval van de mens, bij ons allen gecorrumpeerd. Maar Jezus heeft dat door Zijn overgave alle dingen hersteld. Als we in Jezus geloven dan mogen we nu al delen in dat herstel. Dan mogen we deel krijgen aan een glorieuze toekomst, die nu al begint en die straks volkomen zal zijn als Jezus terug komt op deze aarde. Het is dan ook niet waar wat Tolle even verderop schrijft: ‘Zolang je je niet bewust bent van Zijn, zoek je zingeving alleen in de dimensie van doen en de toekomst, dat wil zeggen, in de dimensie van de tijd. En wat je daar aan zin of bevrediging vindt verdwijnt of blijkt op misleiding te berusten. Het wordt zonder mankeren door de tijd vernietigd. Elke zingeving die we op dat niveau vinden is alleen relatief en tijdelijk waar’. Deze opmerking van Tolle boort elke hoop op een blijvend betere toekomst de grond in. We herhalen in andere woorden wat we al eerder schreven: Juist omdat we een geweldig uitzicht hebben op een toekomstig glorieus herstel van alle dingen, blijven we nu volharden in ons geloof en passen we ons leven er nu al op aan. Maar als je, zoals Tolle, geen geloof hecht aan een door God bepaalde en gestructureerde toekomst, dan blijft er slechts het ‘Nu’ over. Het hier en ‘Nu’ wordt alles bepalend. En dát noemen we juist bij uitstek misleiding.
Wanneer God ons in de Bijbel belooft: ‘Zie ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’ (Jesaja 65:17, zie ook Openb. 21:1) dan vertrouwen wij op God dat Hij dat ook zal waarmaken. Tolle gelooft daar zoals gezegd niet in want even later schrijft hij: ‘Als je leven niet is afgestemd op je primaire doel, zal elk doel dat je bedenkt, al is het dat je de hemel op aarde brengt, van het ego zijn of door de tijd worden vernietigd. Vroeg of laat leidt het tot leed. Als je je innerlijke doel negeert, zal, wat je ook doet, al lijkt het nog zo spiritueel, het ego kruipen in hoe je het doet, en zo corrumpeert het middel het doel’. Uit dit citaat blijkt dat Tolle van mening is, dat als je gelooft dat onze toekomst in Gods handen is, dat een bedenksel is van het menselijke ego is. Tolle hoeft er niet over in te zitten. De tijd zal inderdaad gaan leren of het spreken van God betrouwbaar is of niet.Tot nu toe zijn al Gods woorden en beloften uitgekomen, dus hebben we geloof en vertrouwen in de toekomst, dat er straks een volledig herstel van de schepping zal volgen en we eeuwig zullen mogen wonen op een vernieuwde aarde. ‘Vroeg of laat leidt dat tot leed’ zegt Tolle hier. Wij geloven het tegenovergestelde want God belooft ons dat Hij op de nieuwe aarde ‘alle tranen uit hun ogen zal wissen, er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij’ (Openb. 21:4).
Tolle schrijft verderop: ‘Als je de tijd ontkent, ontken je het ego. Wat je ook doet, doe je buitengewoon goed, omdat het doen zelf in het middelpunt van je aandacht komt te staan. Je doen wordt dan een kanaal waardoor bewust zijn de wereld betreedt. Dat betekent dat er kwaliteit is in wat je doet, zelfs in de eenvoudigste handeling, zoals het omslaan van de bladzijden in een telefoongids of door de kamer lopen. Het hoofddoel voor het omslaan van de bladzijden is bladzijden omslaan; het secundaire doel is een telefoonnummer vinden. Het hoofddoel voor door de kamer lopen is door de kamer lopen, het secundaire doel is aan de andere kant een boek oppakken, en op het moment dat je daar bent wordt dat je hoofddoel’. Wanneer Tolle hier stelt: ‘‘Als je de tijd ontkent, ontken je het ego’, dan geloven wij het tegenovergestelde: ‘Als je de tijd ontkent, voedt je het ego’. We hebben het al eerder gesteld, maar Tolle maakt in dit citaat de mens in zekere zin gelijk aan een dier dat geen ratio heeft doch dat slechts handelt op basis van zijn of haar instinct. Laten we de kat als voorbeeld nemen. De kat kent geen onderscheid tussen een primair en een secundair doel maar handelt louter of basis van haar of zijn instinct. De kat kent geen onderscheid. Dan maakt het niet uit of daarbij de kat ‘at random’ door de huiskamer wandelt en daarbij aan het TV meubel ruikt en snuffelt of trek krijgt in voedsel en vervolgens naar haar bakje gaat om wat brokken te eten. De kat handelt louter impulsief en instinctief. Wat dat betreft heeft de kat in de ogen van Tolle wel een zeer lovenswaardige levenshouding want de kat leeft voortdurend in het ‘Nu’, en dat is een levenshouding die Tolle ook voor de mens aanbeveelt, een levenshouding waarop Tolle zijn hele filosofie heeft gebouwd en die moet leiden tot wat Tolle noemt ‘Een nieuwe aarde’. Nu doet Tolle in citaat alsof de mens – althans indien hij verlicht is en daardoor leeft in het ’Nu’ - een onderscheid maakt tussen een primair en een secundair doel. Dat blijkt wanneer Tolle zegt: ‘Het hoofddoel voor het omslaan van de bladzijden is bladzijden omslaan; het secundaire doel is een telefoonnummer vinden’. Als ik dit citaat op me laat inwerken, kan ik het nauwelijks geloven. Want wat een klinkklare onzin is dit! Denkt Tolle nu werkelijk dat ik mijn bedoeling, nl. een telefoon nummer opzoeken, kan opsplitsen in een hoofddoel en een secundair doel, waarbij telkens wanneer ik mijn hoofddoel heb bereikt weer op weg ga naar een ander hoofddoel, een hoofddoel dat dan in rang opschuift van secundair naar primair? In dit geval is het gewoon zo, dat ik een telefoon nummer nodig heb. Het middel dat ik daarvoor gebruik om mijn doel te bereiken is een telefoonboek. Punt uit. Ik heb helemaal geen primair en een secundair doel, ik heb slechts één doel en dat is: een telefoon nummer opzoeken. Vaak is het zo dat hoe gecompliceerder mijn doel weg is, des te meer tijd en middelen ik nodig heb om dat doel te bereiken.
Even verderop ontkent Tolle op een subtiele wijze het bestaan van een persoonlijk God die boven allen staat en die de wereld regeert. Dat blijkt uit het volgende citaat: ‘Door het huidige moment heb je toegang tot de kracht van het leven zelf, dat wat traditioneel met ‘God’ wordt aangeduid. Zodra je je ervan afkeert, is God geen werkelijkheid meer in je leven, en alles wat je dan nog hebt is het mentale concept van God, waar sommige mensen in geloven en dat andere mensen ontkennen. Zelfs geloof in God is slechts een armzalig surrogaat voor de levende werkelijkheid van God die zich elk moment van je leven manifesteert’. Ik keer mijzelf af van het concept van ‘het huidige moment’ van Tolle. Nu ik dat doe beweert Tolle doodleuk dat ‘God geen werkelijkheid meer is in mijn leven’. Anders gezegd: alleen als ik het denk concept van Tolle aanvaard, alleen dan is ‘God’ werkelijkheid in mijn leven. Met ‘God’ bedoelt Tolle dan niet de persoonlijke God van de Bijbel. Die God die louter liefde is, die zich persoonlijk door Jezus Christus aan mij verbindt door de Heilige Geest. Die God die mijn leven leidt, die mijn leven redt, en die ervoor zorgt dat door Christus Zijn beeld in mij hersteld wordt, nee over die God heeft Tolle het niet. Die persoonlijke God bestaat volgens Tolle niet. Geloof in die God is in de ogen van Tolle een ‘mentaal concept’ en ‘slechts een armzalig surrogaat voor de levende werkelijkheid van God die zich elk moment van je leven manifesteert’. De lezers dienen goed te begrijpen dat allen die geloven in de God van de Bijbel – daar reken ik mijzelf ook onder – hier door Tolle worden weggezet als mensen die slechts in een ‘armzalig surrogaat’ geloven. Anders gezegd: een andere weg dan die Tolle ons wijst, bestaat volgens Tolle niet en geloof en vertrouwen op God is in zijn ogen slechts een ‘mentaal concept’. Welnu, we zullen zien wat surrogaat is en wat echt is.
Wanneer Tolle Jezus citeert, gaan er bij ons allerlei alarmbellen rinkelen. Heel vaak citeert Tolle uitspraken van Jezus om daarmee ook christenen te kunnen overtuigen van zijn opvattingen. Hij laat zijn vragensteller de volgende vraag stellen: ‘Zou een volkomen harmonie met het huidige moment niet het einde van alle beweging impliceren? Betekent het bestaan van een doel niet dat er een tijdelijke verstoring in die harmonie met het huidige moment is en er misschien een herstel van de harmonie op een hoger of complexer niveau is als het doel bereikt is? Ik stel me voor dat de zaailing die zich een weg baant door de aarde ook niet in volkomen harmonie kan zijn met het huidige moment omdat hij een doel heeft: hij wil een grote boom worden. Misschien dat hij in harmonie kan leven met het huidige moment als hij volwassen is geworden’. Het antwoord van Tolle: ‘De zaailing wil niets, omdat hij één is met het geheel, en het geheel handelt door hem. ‘Let op de leliën des velds, hoe zij groeien: zij arbeiden niet en spinnen niet; en Ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als een van deze.’ (Mat. 6:28,29). We zouden kunnen zeggen dat het geheel – het Leven – wil dat de zaailing een boom wordt, maar de zaailing ziet zichzelf niet als iets dat losstaat van het leven en wil dus niets voor zichzelf. Hij is één met wat het Leven wil. Daarom is hij niet bezorgd of gestrest. En als hij voor zijn tijd moet sterven, sterft hij gemakkelijk. Hij geeft zich net zo goed over aan de dood als aan het leven. Hij voelt, hoe onduidelijk ook, zijn geworteld zijn in Zijn, het vormloze en eeuwige ene Leven.Net zoals de taoïstische wijzen van het oude China vestigde Jezus graag onze aandacht op de natuur, omdat hij daarin een kracht aan het werk zag waarmee mensen het contact zijn kwijtgeraakt. Het is de creatieve kracht van het heelal. Jezus zegt verder dat als God eenvoudige bloemen al zo mooi kleedt, hoeveel te meer zal hij jullie dan kleden? Dat wil zeggen dat wanneer mensen afgestemd raken op de intelligentie die ten grondslag ligt aan de natuur – die een schitterende uitdrukking is van de evolutionaire impuls van het heelal – ze diezelfde impuls op een hoger, wonderbaarlijker niveau zullen brengen. Wees dus trouw aan het leven door trouw te zijn aan je innerlijke doel. Wanneer je tegenwoordig bent en helemaal opgaat in wat je doet, worden je daden geladen met spirituele kracht’. Dat is wel een heel opmerkelijk antwoord van Tolle. Tolle zegt: ‘‘De zaailing wil niets, omdat hij één is met het geheel, en het geheel handelt door hem’. We zouden zeggen: dat is nogal wiedes dat de ‘zaaiing niets wil’ want op zich is de zaaiing materie waarin geen ziel is die iets ‘wil’ op dezelfde wijze zoals God of de mens iets ‘wil’. Maar de Schepper heeft in de zaaiing, het zaad, wel het hele leven verborgen. God blaast het zaaisel de adem in zodat het gaat leven. Daar zit een plan achter. In de knop zit de hele bloem. In het ei de hele kip. Daar zit een groeiplan achter. Het hele proces heeft dus wel degelijk een doel. Dat het zaad ontkiemt, dat uit een zaad en een eicel uiteindelijk een mens tevoorschijn komt, daar zit God achter. Hij geeft dat leven. Tolle vervangt de persoonlijke God in dit citaat door het onpersoonlijke ‘Leven’ of ‘het geheel’, waaraan je dan volgens Tolle trouw aan moet blijven. Tolle kan dan wel het tegendeel beweren, maar het ‘Leven’ of ‘het geheel’ kan echter niets uit zichzelf. Dat ‘Leven’ is een gave van de Schepper. Maar die Schepper die blijft, zoals altijd bij Tolle, ook hier Tolle buiten beeld. Als je dan vervolgens kijkt naar de context waarin Jezus dit citaat in Mat. 6:28,29 gebruikt dan gaat het over heel iets anders dan Tolle ons hier wil laten geloven. In dit citaat wil Jezus ons zeggen dat we ons als mensen geen zorgen hoeven te maken. God zorgt voor ons onder alle omstandigheden. Als we ons zorgen maken over eten of drinken (Mat 6:25) of ons zorgen maken of we wel kleding genoeg zullen hebben (Mat 6:28) dan zegt God: ‘Kijk eens naar de lelies, kijk hoe ze groeien in het veld. Ze werken niet en weven niet. Als God (vers 30) het groen dat vandaag nog op het veld staat en morgen in de oven gegooid wordt al met zoveel zorg kleedt, met hoeveel zorg zal hij jullie dan niet kleden, kleingelovigen’. Anders gezegd: als God de planten en de bloemen, die er niets voor kunnen doen en maar één seizoen groeien en bloeien, al met zoveel zorg omringt, dan zal hij de mens met des te meer zorg omringen. Eten en drinken? Jezus zegt dat je daar jezelf geen zorgen over hoeft te maken. Jezus zegt in het vervolg: ‘Jullie hemelse Vader weet wel dat jullie dat alles nodig hebben. Zoek liever eerst het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden’ (Mat 6:32,33). Jezus roept ons hier op ons vertrouwen op God te stellen. Tolle vervangt die persoonlijke God door vage begrippen als ‘het leven’ of ‘het geheel’ of door ‘de evolutionaire impuls van het heelal’ en Tolle nodigt ons uit het daarvan te verwachten. Anders gezegd: Tolle vervangt de Schepper door het schepsel. Als je dat doet, dan noemt de Bijbel dat afgoderij (Rom. 1: 25).
Verderop schrijft Tolle: ‘Terwijl het idee van een doel vroeger altijd met de toekomst in verband werd gebracht, is er nu een dieper doel dat alleen in het heden te vinden is, door het ontkennen van tijd’. Tolle zegt hier in bedekte termen eigenlijk het volgende: ‘Vroeger geloofden mensen dat God in de toekomst een nieuwe hemel en aarde zal scheppen, maar dat idee is achterhaald. Buiten het ‘Nu’ is er geen toekomst en is er geen doel waar de mens naar toe leeft. Het gaat alleen om het hier en nu’. We hebben al vaker geschreven dat ‘het ontkennen van tijd’ niet alleen onmogelijk is maar dat Tolle de schepping berooft van het fenomeen ‘tijd’ dat onmisbaar is om te komen tot een nieuwe aarde zoals de Bijbel daarover spreekt.
Even later gaat het over de vraag hoe je echt succes kunt meten. Tolle zegt dan: ‘Wat de wereld je niet vertelt – omdat hij dat niet weet – is dat je niet succesvol kunt worden. Je kunt het alleen zijn’. We geloven niets van deze stelling. Ik mag een kind van God ‘zijn’ door Zijn genade. Juist omdat ik kind van God ben, gaat God met mij een verbond aan. In dat verbond is nooit sprake van een gearriveerd ‘Zijn’ maar er voltrekt zich een dynamisch groeiproces. Een groeiproces waarin ik meer en meer naar het beeld van God veranderd ‘wordt’ (2 Kor. 3:18). Je leven ‘wordt’ daardoor een succes. Voor dat groeiproces heb ik tijd nog, tijd die Tolle mij ontneemt. Hoezo kan ik niet succesvol ‘worden’?.
Even verderop schrijft Tolle: ‘Maar het doel en de middelen zijn één. En als de middelen niet bijdroegen aan menselijk geluk, zal het doel dat ook niet doen. Het resultaat, dat onlosmakelijk verbonden is met de daden die ertoe leidden, is al door die daden vervuild en zal zo verder ongelukkig-zijn bewerkstelligen. Dat is karmische actie, de onbewuste voortzetting van ongelukkig-zijn. Zoals je al weet, ligt je secundaire of uiterlijke doel binnen de dimensie van de tijd, terwijl je hoofddoel onafscheidelijk is van het Nu en daarom de ontkenning van de tijd eist’. Wanneer Tolle hier stelt: ‘Maar het doel en de middelen zijn één’, dan zijn we dat van harte met Tolle eens. Maar wanneer Tolle dan vervolgens stelt: ‘En als de middelen niet bijdroegen aan menselijk geluk, zal het doel dat ook niet doen’ dan lijkt het erop alsof Tolle er impliciet vanuit gaat dat alle andere middelen -andere middelen dan die Tolle aanreikt -middelen die ooit in het verleden gebruikt zijn en nog gebruikt worden, niet zullen bijdragen aan het gestelde doel: het menselijk geluk. Maar als het doel waarvoor wij hier op aarde zijn, nu eens het beste doel is dat er ooit kan zijn: de komst van het Koninkrijk van God hier op aarde, zoals dat in de Bijbel beloofd wordt. Als dat het doel is, dan kan het niet anders of de middelen die God daarvoor gebruikt zijn ook goed en heilzaam. Voor het bereiken van dat doel heeft God tijd nodig. God is nu al bezig met het vestigen van dit koninkrijk op aarde. Voor dat doel schakelt hij mensen in. Die mensen vernieuwt God door zijn Geest. Die mensen gaan nu al leven voor dat Koninkrijk. Ze gaan in een levenslang proces het kwade steeds meer haten en ontvluchten en het goede doen en zoeken. Alleen deze levenswijze kan blijvend geluk brengen. Voor dat proces heeft God tijd nodig. Tolle wil voor zijn ‘hoofddoel’ de noodzakelijkheid van de tijd juist ontkennen zoals blijkt uit dit citaat. Ook in dit citaat bagatelliseert Tolle de ernst en de doorwerking van het kwaad in deze wereld wanneer hij het kwaad typeert als ‘een karmische actie, de onbewuste voortzetting van het kwaad’. Hier blijkt de oosters georiënteerde filosofie van Tolle weer eens. Een filosofie die niets met het christelijk geloof heeft te maken. Immers, indien het kwaad ‘karmisch’ en dus ‘onbewust’ van aard is, dan heft dit de menselijke verantwoordelijkheid voor het kwade op. Het kwaad wordt dan en noodlot dat onontkoombaar is. En dat is een doodlopende weg zoals we al heel vaak eerder hebben aangetoond.
Verderop wordt aan Tolle de vraag gesteld: ‘Wat bedoel je met het ‘geheel’?. Tolle antwoordt: ‘Aan de ene kant omvat het geheel al het bestaande. Het is de wereld of de kosmos’. En verder op: ‘Maar er is een nog dieper niveau van het geheel dan de onderlinge verbondenheid van al het bestaande. Op dat diepere niveau zijn alle dingen één. Het is de Bron, het ongemanifesteerde ene Leven. Het is de tijdloze intelligentie die zich manifesteert als een heelal dat zich in de tijd ontvouwt. Het geheel bestaat uit het bestaan en Zijn, uit het gemanifesteerde en het ongemanifesteerde, de wereld en God’. Dit citaat is verwarrend. Als je naar het slot kijkt dan lijkt het net alsof Tolle een onderscheid maakt tussen God en de wereld; alsof God een entiteit is, een Persoon is, die los van de wereld een eigen bestaan leidt. Maar ook hier is dat slechts schijn, want een dergelijke Persoon bestaat bij Tolle helemaal niet. Dit citaat van Tolle is dan ook voluit pantheïstisch. Alles is ‘God’ bij Tolle. Dat blijft ook uit de hoofdletters die Tolle gebruikt. Hoofdletters worden in de Bijbel gebruikt om de namen van God aan te duiden. ‘Zijn’, ‘Leven’, ‘Bron’, ‘God’, al deze woorden worden door Tolle eveneens met een hoofdletter geschreven. Al die woorden die door Tolle met een hoofdletter worden aangeduid, staan bij Tolle op hetzelfde niveau en duiden in wezen hetzelfde aan, waarbij ‘God’ bij Tolle de laatste in dat rijtje. Tolle wist hiermee het onderscheid tussen Schepper en schepsel uit. Want ‘leven’ zoals wij dat kennen is een gave van God. God schept het leven. Maar als er geen onderscheid is tussen Schepper en schepsel, als alles ‘God’ is, dan mag je ook zeggen: niets is ‘God’. Althans indien wij ‘God’ opvatten zoals Hij zich in de Bijbel openbaart. God, onderscheiden en bestaand los van de schepping, bestaat volgens Tolle eenvoudig weg niet. Dat is wat Tolle telkens met zoveel woorden zegt en ook hier zegt.
Dat Tolle het onderscheid tussen God en schepsel uitwist en in feite het schepsel aan ‘God’ gelijk maakt, blijkt nogmaals aan het einde van dit hoofdstuk. Daar wordt de vraag gesteld: ‘Kan het geheel het menselijke verstand gebruiken om dingen te scheppen of situaties te scheppen die afgestemd zijn op zijn doel? Antwoord van Tolle: ‘Ja, telkens als er sprake is van inspiratie, wat je kunt vertalen met ‘geest’, en enthousiasme, wat betekent ‘in God’, is er een creatieve krachtuitstorting die veel verder gaat dan waartoe een gewoon mens in staat is’. Niet God schept bij Tolle de dingen die we zien en waarnemen, maar ‘het geheel’ neemt deze taak op zich en kan daarbij volgens Tolle ‘het menselijk verstand’ gebruiken. Op zich is dit al een verwarrende uitspraak van Tolle want Tolle heeft zich in dit boek zeer ingespannen om aan te tonen dat het menselijk verstand de grote boosdoener is, die het ontwaken van het ‘Zijn’ of ‘het Bewustzijn’ blokkeert en corrumpeert. Nu blijkt het menselijk verstand ineens een geschikt middel te zijn om ‘dingen te scheppen of situaties te scheppen die afgestemd zijn op het doel’. ‘Het kan verkeren’ zei Bredero. Let op hoe Tolle het werk van de Geest aan de Geest gelijk maakt. Op dezelfde manier als Tolle dat heeft gedaan met God en schepsel. Het geven van ‘Inspiratie’ en creëren van ‘enthousiasme’ zijn werken van de Heilige Geest. Tolle zet echter een is gelijk teken tussen ‘inspiratie’ en ‘geest’ en tussen ‘enthousiasme’ en ‘in God’ zijn. Ook hier moeten we ons realiseren dat als Tolle het hier over de ‘Geest’ heeft, hij het over heel iets anders heeft dan de Heilige Geest zoals de Bijbel daarover spreekt. De Heilige Geest openbaart zich in de Bijbel als God. God de Vader, Christus de Zoon, en de Heilige Geest vormen samen de ene waarachtige God. Tegelijkertijd zijn zij als 3 Personen te onderscheiden.

 

 Terug
Geplaatst: 29-11-2016 16:30:21
Share on Google+

Reacties

Er zijn nog geen reacties geplaatst

Reactieformulier