Bob Dylan  Nobel Prize Winner 2016 for Literature. Go to my Bob Dylan song analysis page to find out that Bob fully deserved to win this prestigious prize.

Bezoekers vandaag: 36Bezoekers totaal: 377701
Welcome to the website of Kees de Graaf
Kees de Graaf keesdegraaf.com

'Een Nieuwe Aarde' een boek van Eckhart Tolle - recensie Hoofdstuk 3.

images6MZ4R6N5.jpg

In deze aflevering bespreken we enkele intrigerende episoden uit het derde hoofdstuk van het boek van Tolle. We blijven ons er over verbazen dat – zoals we in het vorige hoofdstuk zagen – Tolle het menselijke ego kwalificeert als niet goed en niet slecht. Neutraal dus. Je moet volgens Tolle het ego niet zo serieus nemen en er maar een beetje om lachen. Dat verbaast des te meer nu hij hier schrijft: ‘ Schelden is de grofste vorm van een dergelijk etiketteren en van de behoefte van het ego gelijk te hebben en over andere mensen te triomferen: ‘lul, zak, teef’, allemaal definitieve uitspraken waarover geen discussie mogelijk is. Op het volgende niveau op de schaal van onbewustheid komt schreeuwen en gillen, en niet veel lager dan dat, lichamelijk geweld’. Ik denk echter dat je het lachen wel snel vergaat als je het slechtoffer wordt van dergelijke tiraden en fysiek geweld. Je moet er maar niet over in zitten als slachtoffer want het is, zegt Tolle, niet ‘persoonlijk’ bedoeld. De man of vrouw doet het immers ‘onbewust’ zegt Tolle voortdurend. Een uitweg die Tolle hier aanwijst is ‘niet reageren’. Tolle schrijft dan: ‘Niet reageren op het ego in andere mensen is een van de meest effectieve manieren om niet alleen je eigen ego voorbij te gaan maar ook het collectieve menselijke ego op te lossen’. En iets later schrijft Tolle: ’Niet reageren is geen zwakte maar kracht. Een ander woord voor niet reageren is ‘vergeven’. Vergeven betekent dat je iets door de vingers ziet, of beter, erdoorheen ziet. Je kijkt door het ego naar de normaliteit die in ieder mens als zijn wezen aanwezig is’. Natuurlijk is het zo dat ‘niet reageren’, je niet laten provoceren, in bepaalde gevallen escalatie van geweld kan voorkomen in deze wereld. In deze boze wereld roept elke actie al snel een reactie op, zodat er al snel een geweldscyclus ontstaat. Anderzijds kan ‘niet reageren’ gewoon een trucje van jezelf zijn, om ergere schade voor jezelf te voorkomen. ‘Niet reageren’’ kan net zo goed een vorm van arrogantie zijn. Je reageert niet op de ander omdat je jezelf boven de ander verheven voelt en je hem of haar minacht. Maar om te stellen, zoals Tolle doet, dat ‘vergeven’ synoniem is met ‘niet reageren’ is .o.i. pertinent onjuist. Begrijpt Tolle wel wat ‘vergeven’ betekent? Wil je kunnen vergeven, dan heb je liefde in je hart nodig. Die liefde hebben we van nature niet in ons zelf. Jezelf richten op wat Tolle noemt de ’normaliteit die in ieder mens als zijn aanwezig is’ ,als model voor vergeving, bestaat helemaal niet, dat idee is een bedenksel van Tolle zelf. Die liefde om te kunnen ‘geven’ en daarom te kunnen ‘vergeven’, heeft alleen God. Waarom? Omdat God zelf Liefde is. Maar dan is het wel belangrijk dat je eerst gaat begrijpen hoe diep de liefde van God voor jou is. En hoe ver die liefde gaat. Liefde, vergeving én recht horen namelijk bij elkaar en zijn onafscheidelijk aan elkaar verbonden. Om dit enigszins duidelijk te maken een voorbeeld. Als een rechter hier op aarde een moordenaar ‘vergeeft’ waarvan bewezen is dat hij de moord heeft begaan en deze moordenaar geen straf oplegt, hem vrij spreekt en laat gaan, dan is die daad van ‘vergeving’ van de rechter geen liefde maar onrecht. En dan maakt het niet uit hoeveel liefde en erbarming deze rechter ook in zijn hart mag voelen voor deze moordenaar. Zo’n vrijspraak, zo’n vergeving, is tegen het recht en ook tegen het rechtsgevoel. De moordenaar heeft met zijn daad onherstelbare schade, pijn en verdriet aangericht. Pijn en verdriet, vooral ook bij de nabestaanden. Iedereen voelt aan dat de rechtsorde en het rechtsgevoel door de moordenaar geschonden zijn. En rechter heeft nu de taak om – voor zover dat mogelijk is - het recht herstellen door de moordenaar te straffen met een straf die past bij de ernst van de misdaad. Een rechter die zo handelt herstelt – voor zover dat mogelijk is - het recht en het rechtsgevoel, juist ook uit liefde, uit compassie voor de slachtoffers van de misdaad.
De schuld die wij door ons egoïstische leven bij God opgebouwd hebben, is vanuit onszelf onbetaalbaar. Wij kwamen in opstand tegen God, de gever van al het goede, en verkochten onze ziel aan de duivel. We schoffeerden Gods schepping en maakten het leven in Zijn schepping ook voor onze medemens tot een hel. Wat heeft God, de hemelse rechter nu gedaan? Heeft hij de opstandige mens weggevaagd? Nee, hij bleef de mens intens lief hebben. Maar God wilde ook het recht handhaven. De rechtsorde in de schepping was door de mens geschonden. Liefde en recht moesten weer in harmonie met elkaar worden gebracht. Om liefde en recht weer in harmonie te brengen gaf God Zijn eigen Zoon, in onze plaats om in onze plaats aan het kruis voor ons te betalen. Doordat liefde en recht daardoor in harmonie werden gebracht, heeft Jezus door zijn offer een onuitputtelijke fontein van genade, vergeving en verzoening tot stand gebracht, waaruit nu ieder mens mag putten. Die liefde moet ons zo overweldigen dat we nu ook in staat zijn om de in verhouding kleine schuld, die onze naaste ten opzichte van ons heeft, te kunnen vergeven. Een ander vergeven kan je dus alleen als je zelf beseft hoeveel je zelf vergeven is door God. Schuld moet nl. betaald worden. Dat hoort bij het recht en bij de gerechtigheid. Maar Jezus heeft in onze plaats betaald. Zo wordt er recht gedaan.
Recht en gerechtigheid zijn echter woorden die in het arsenaal van Tolle niet bestaan. Slachtoffers van menselijk onrecht krijgen bij Tolle dan ook geen recht, nu niet en ook straks niet, als het laatste oordeel komt. Tolle gelooft niet in een laatste oordeel waarin alles wat nu niet recht gezet kan worden, wordt recht gezet.
Bij Tolle is echter voor vergeving geen prijs betaald. Vergeven gaat volgens Tolle vanzelf, dat blijkt wanneer hij schrijft: ‘Je moet niet proberen de grief los te laten. Proberen los te laten, te vergeven, werkt niet. Vergeving gaat vanzelf als je ziet dat de grief geen ander doel heeft dan een onwaar zelfgevoel te versterken, het ego in stand te houden. Het zien werkt bevrijdend. Jezus’ opdracht ‘je vijanden te vergeven’ gaat vooral over het uitschakelen van een van de belangrijkste egoïsche structuren in het menselijke verstand’. ‘Vergeven’ doe je volgens Tolle dus automatisch als je maar tot het juiste inzicht komt m.b.t. het ego van je naaste. Vergeving is een knop die dan volgens Tolle automatisch aan gaat. Is dat nu vergeving volgens Jezus? Ik denk van niet. Allereerst valt het op dat Tolle in bovengenoemd citaat van Jezus ‘je vijanden vergeven’ geen tekst verwijzing geeft. Dat doet Tolle bij andere citaten van Jezus vaak wel. Muggenzifterij? Ik denk van niet. Het citaat van Jezus wordt door Tolle onjuist weer gegeven. Want dit is wat Jezus in werkelijkheid zegt in Mat. 5: 44 en 45: ‘En ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen’. Ook hier is onvoorwaardelijke liefde de basis voor vergeving. Iemand van harte lief hebben die jou haat en die je zelfs ten dode toe vervolgt, is een eigenschap die geen mens uit zich zelf ter beschikking heeft. Alleen God kan je die geven wanneer je Hem erom bid. De conclusie moge duidelijk zijn: echt ‘vergeven’ gaat niet alleen veel dieper dan ‘niet reageren’, het is totaal iets anders. Alleen die echte vergeving verandert deze wereld.
Onder het kopje ‘Waarheid: relatief of absoluut?’ volgt nu een interessant gedeelte. Tolle lijkt de spijker op de kop te slaan wanneer hij schrijft: ‘De geschiedenis van het christendom is natuurlijk een schoolvoorbeeld van hoe het geloof dat je de enige bent die de waarheid kent, dat wil zeggen, gelijk heeft, je daden en gedrag tot in het waanzinnige kan corrumperen. Eeuwenlang werd het martelen en levend verbranden van mensen met opvattingen die ook maar iets afweken van de leer van de kerk of enge interpretaties van de schrift (de ‘Waarheid’) als goed gezien omdat de slachtoffers ‘verkeerd’ waren. Ze waren zo verkeerd dat ze omgebracht moesten worden. De waarheid werd als belangrijker beschouwd dan mensenlevens. En wat was de waarheid? Een verhaal waar je in moest geloven, een verzameling gedachten’. Wat Tolle hier beschrijft kan inderdaad gebeuren en is ook vaak gebeurd en het kan steeds weer opnieuw gebeuren wanneer ‘de waarheid’ verandert in ‘mijn waarheid’. Wat dat betreft is daar geen ontkomen aan. Maar wil dit nu zeggen dat ‘de waarheid’ niet bestaat, omdat er kennelijk zovelen zijn geweest, en nog zijn, die ‘de waarheid’ hebben verdraaid tot ‘mijn waarheid’ en die ‘mijn waarheid’ vervolgens met dodelijk geweld aan anderen hebben opgelegd? En dat alles onder de vlag van het christendom? Het goede nieuws is dat ook Tolle er van uitgaat dat ‘de waarheid’, ondanks alle misbruik, nog steeds bestaat en ook wij gaan daar vanuit. Alleen verschillen we van mening wat ‘de waarheid’ behelst. Daarover zo meteen meer. Maar de gruwelijkheden die Tolle hier beschrijft gebeuren helaas in iedere religie en ideologie. Tolle noemt hier expliciet de geschiedenis van het christendom maar ook in de ‘verlichte’ religies als het hindoeïsme en boeddhisme – waarvan Tolle een aanhanger is - komen bloedige vervolging en onderdrukking van andersdenkenden veelvuldig voor. Zo stond bijv. in het ND van 16 oktober jl. een rapport getiteld ‘Persecuted and forgotten’ van de organisatie ‘Aid to the Church in Need’. In dit rapport stond: ‘In India nam tussen oktober 2013 en januari 2015 het aantal aanvallen door radicale hindoes op christenen sterk toe. In Sri Lanka vielen extremistische boeddhisten vorig jaar tientallen kerken aan of dwongen deze te sluiten’. In het ND van 13 januari 2016 lezen we dat: ‘Het hindoeïstisch extremisme vooral christenen in India treft. Een hindoe – nationalistische groep wil met geweld elke Indiase staatsburger tot Hindoe maken. In Birma komen boeddhisten die zich tot het christendom bekeren in de problemen. In augustus vorig jaar is een anti bekeringswet aangenomen waardoor vrouwen toestemming aan hun ouders en de lokale overheden moeten vragen om te trouwen met een niet boeddhistische man. Ook daar neemt het geweld tegen christenen toe’.
Als je dit van Tolle nu zo leest, dan komt deze vraag naar boven: is het met geweld opdringen van ‘mijn waarheid’ – ongeacht of dit door een kerk gebeurt of door andere groepen of individuen die zich tooien met de naam christen of christelijk - terug te voeren op de leer en de persoon van Jezus zelf? Anders gezegd: wordt dit geweld tegen andersdenkenden door Jezus gesanctioneerd? Dan is het antwoord: op geen enkele manier. Het tegendeel is waar. Om dit te illustreren een voorbeeld uit het leven op aarde van Jezus. Toen men Jezus gevangen wilden nemen in de Hof van Getsemane greep Petrus naar een zwaard om Jezus te verdedigen. Daarbij sloeg Petrus het oor af van één van de gerechtsdienaren. Jezus zei: ‘Steek je zwaard terug op zijn plaats, want wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen’ (Mat. 26:52). Geen geweld dus. Integendeel. In Mat. 5:38,39 zegt Jezus: ‘Jullie hebben gehoord dat gezegd werd:’’ Een oog voor een oog en een tand voor een tand. En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren’. En in 5:44: ‘heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen’. Jezus heeft nog nooit iemand gedwongen om Hem te volgen. Jezus nodigt uit maar dwingt nooit. Zo hebben miljoenen christenen in het verleden de vreedzame en liefdevolle leefregels van Jezus regels toegepast en worden ze nog steeds doo honderden miljoenen christenen over de hele wereld toegepast. Alle misbruik ten spijt. Jezus past de regel toe van de oude profeet Zacharia uit het Oude Testament: ‘Niet door kracht, noch door geweld, maar door mijn Geest’ (Zach. 4:6) zal het gebeuren’.
Zoals gezegd gelooft Tolle in het bestaan van de absolute waarheid en wij doen dat ook. Tolle bevestigt dit wanneer hij onder het kopje ‘Waarheid: relatief of absoluut?’ het volgende schrijft:‘ Er is maar één absolute Waarheid, en alle andere waarheden komen daaruit voort’. Laten we de waarheidsclaim van Tolle eens naast die van Jezus zetten.
A. Tolle’s absolute waarheidsclaim: ‘De Waarheid is onlosmakelijk verbonden met wie je bent. Ja, je bent de Waarheid. Als je er ergens anders naar gaat zoeken, word je elke keer bedrogen. Het Wezen dat je bent is de Waarheid’.
B. De absolute waarheidsclaim van Jezus: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’ (Joh. 14:6).
Het is duidelijk dat de absolute waarheidsclaim A van Tolle inhoudt dat de mens zelf de absolute waarheid is, dat is de mens volgens Tolle in zijn ‘bewustzijn’, hetgeen Tolle elders het ‘Zijn’ of het ‘Ik Ben’ noemt. Met het ‘Ik Ben’ (‘Ik Ben’ is overigens een naam die God voor Zichzelf heeft gereserveerd) geeft Tolle de mens een goddelijke status, ja hij maakt de mens tot God, de mens zelf is dan ook de enige echte absolute waarheid volgens Tolle. Een gewaagde stelling van Tolle, als je ziet wat die mens ervan gebakken heeft!.
De waarheidsclaim B van Jezus is ook absoluut. Wanneer Jezus zegt: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’ wil Jezus daarmee zeggen dat Hij de enige, exclusieve, Weg naar de Vader, naar God zelf is. Andere wegen of routes bestaan er niet. Hij is ook, dé Waarheid, buiten Hem bestaat er geen waarheid. Jezus belichaamt de ware God en het eeuwige leven. Daarom noemt Hij zich ook ‘het leven’. Buiten Jezus is er helemaal geen leven, is er helemaal niets. Met Jezus openbaart zich de werkelijkheid van God in deze wereld. Met Jezus presenteert zich de levende God in de wereld. Het is duidelijk dat A en B elkaar uitsluiten. Dus je hebt hier een keuze te maken en de vraag is: kies je voor Tolle of voor Jezus?.
Het merkwaardige dat Tolle nu gaat doen, is dat hij de woorden van Jezus ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’ in zijn eigen visie gaat inpassen. Tolle gaat net doen alsof Jezus voor de visie van Tolle kiest en laat Jezus vervolgens als wegwijzer naar Tolle’s eigen waarheid functioneren. Dit blijkt wanneer Tolle schrijft: ‘Het Wezen dat je bent is de Waarheid. Jezus probeerde dat over te brengen toen hij zei: ‘Ik ben de weg en de waarheid en het leven.’. Deze door Jezus uitgesproken woorden behoren tot de krachtigste en meest directe wegwijzers naar de Waarheid, als je ze goed begrijpt. Als je ze verkeerd opvat, worden ze echter een geweldig obstakel. Jezus spreekt over het binnenste Ik Ben, de wezenlijke identiteit van elke man en vrouw, van elke levensvorm in feite. Hij spreekt over het leven dat jij bent’. Tolle zou wellicht een beetje gelijk hebben als Jezus gezegd zou hebben: ‘Ik ben een weg ( in de betekenis van ‘wegwijzer’) naar de waarheid en het leven’. Maar dat zegt Jezus helemaal niet. Tolle verdraait de woorden van Jezus om daarmee zijn eigen visie te ondersteunen. We moeten Tolle’s visie volgen want schrijft hij:' Deze door Jezus uitgesproken woorden behoren tot de krachtigste en meest directe wegwijzers naar de Waarheid, als je ze goed begrijpt. Als je ze verkeerd opvat, worden ze echter een geweldig obstakel’. Hier zegt Tolle feitelijk dat je woorden van Jezus als ‘wegwijzer’ naar de ideeën van Tolle moet volgen anders begrijp je het niet en vorm je een obstakel voor de ideeën van Tolle zelf. Welnu, laten wij dan maar dat obstakel zijn want Tolle kan niet verhinderen dat Jezus nu eenmaal gezegd heeft wat hij heeft gezegd en dat is het tegenovergestelde van wat Tolle er van maakt.
Onder het kopje ‘Het ego is niet persoonlijk’ en het kopje ‘Oorlog is een denkrichting’ gaat Tolle een aantal zaken stellen waarmee hij o.i. behoorlijk door de mand valt. Zijn opvatting dat he ego ‘niet persoonlijk is’ hebben we in het vorige hoofdstuk al besproken en toen geconstateerd dat hij daarmee de verantwoordelijkheid van de mens voor de slechte daden van zijn ego terzijde schuift. Tolle bevestigt dit ook in dit hoofdstuk wanneer hij schrijft: ‘Alles waar je boos van wordt of waar je hevig op reageert zit ook in jou. Maar het is niet meer dan een vorm van ego en als zodanig is het volkomen onpersoonlijk. Het heeft niets te maken met wie die persoon is, en het heeft ook niets te maken met wie jij bent’.
Als Tolle het kwade ego dat in mijzelf zit bagatelliseert en de noodzaak er niet van inziet om daar tegen te strijden, dan is het ook geen wonder dat hij de strijd tegen het kwaad in de wereld om mij heen, al helemaal niet wil voeren. We vinden het zondermeer een kwalijke zaak dat Tolle de strijd tegen het kwaad in deze wereld in feite opgeeft. Dat blijkt wanneer hij schrijft: ’In bepaalde gevallen moet je jezelf of iemand anders ertegen beschermen dat je elkaar kwaad doet, maar pas ervoor op dat je er geen missie van maakt om ‘het kwaad uit te roeien’, want dan verander je waarschijnlijk in datgene waar je tegen vecht. Vechten tegen onbewustheid trekt jou ook in de onbewustheid. Onbewustheid, gestoord egoïsch gedrag, kun je nooit overwinnen door het aan te vallen. Zelfs als je je tegenstander overwint, blijkt de onbewustheid gewoon zijn intrek te hebben genomen bij jou, of de tegenstander neemt een nieuwe vorm aan. Wat je bestrijdt versterk je, en iets waartegen je je verzet houdt stand. Dezer dagen hoor je vaak de uitdrukking ‘de oorlog tegen’ dit of dat, en telkens als ik dat hoor weet ik dat het op een mislukking zal uitdraaien’. Als we dit advies van Tolle zouden opvolgen, dan zou er helemaal geen strijd meer gevoerd worden tegen de uitwassen van het kwaad. Geen strijd meer tegen bijv. de tabakslobby die bewust miljoenen slachtoffers maakt, geen strijd meer tegen honger, tegen kinderporno, tegen gedwongen prostitutie, tegen de onderdrukking van vrouwen, tegen kinderarbeid enz. , want zegt Tolle, het helpt toch niet en het draait allemaal op een mislukking uit. Misdaad moet je ook niet straffen vind Tolle want daar komen volgens Tolle alleen maar meer delinquenten van. Recht en gerechtigheid zijn daarbij het kind van de rekening, zoals we boven al hebben omschreven. We geven toe dat de strijd tegen het kwaad, het geweld en de uitbuiting in deze wereld nooit gewonnen kan worden want daar is de mens te diep voor gevallen. Maar dit maakt de strijd tegen het kwaad nog niet zinloos. Integendeel. Ook al kan er in de strijd tegen de honger van bijv. kinderen in deze wereld, van de tien kinderen maar één gevoed worden, dan is die strijd nog steeds zinvol. We worden opgeroepen om die strijd te blijven voeren, ook al is het dweilen met de kraan open. Dat die kraan open blijft staan is overigens onze eigen schuld. Wij rijke westerlingen vormen een derde van de mensheid en toch consumeren wij twee derden van alle grondstoffen en onthouden die aan twee derde van de wereld. Ook na zijn opstand tegen God, zocht God de mens weer op en riep hem ter verantwoording: ‘Adam, waar ben je?’ . De roeping om te strijden tegen het kwaad is gebleven en die roeping die geldt voor alle mensen, of ze nu gelovig zijn of niet. Tolle maakt het nog bonter wanneer hij schrijft dat je zelfs ziekten en epidemieën niet meer moet bestrijden want: ‘De oorlog tegen ziekte heeft ons onder andere de antibiotica opgeleverd. Aanvankelijk waren die buitengewoon succesvol en leek het erop dat we daarmee de oorlog tegen infectieziekten zouden kunnen winnen. Nu zijn veel experts het erover eens dat het wijdverbreide en onzorgvuldige gebruik van antibiotica een tijdbom heeft opgeleverd en dat bacteriestammen die resistent zijn geworden tegen antibiotica naar alle waarschijnlijkheid voor een terugkeer van die ziekten en mogelijk epidemieën gaan zorgen. Volgens het Journal of the American Medical Association is medisch handelen in de Verenigde Staten de meest voorkomende doodsoorzaak na hart- en vaatziekten en kanker. Homeopathie en acupunctuur zijn voorbeelden van alternatieve benaderingen van de geneeskunde die ziekte niet als vijand beschouwen en daarom geen nieuwe ziekten scheppen’. Je vraagt je of hoe Tolle tot zo’n uitspraak komt dat ziekte niet als een ‘vijand’ beschouwd dient te worden?. Als ziekte, zoals Tolle beweert, geen doodsvijand is, dan hoef je ziekte ook niet te bestrijden en is dat vanuit die optiek ook logisch. We dienen m.i. goed in het oog te houden dat Tolle o.i. een vertegenwoordiger is van de oosterse godsdiensten en met name het boeddhisme. Er bestaat in de oosterse godsdiensten en met name in het boeddhisme geen absolute tegenstelling tussen goed en kwaad. Binnen die opvatting is het kwade er nu eenmaal en is het goede er nu eenmaal en zijn die er altijd al geweest. Het ene bestaat bij de gratie van het andere. Licht kan er alleen maar zijn omdat er ook duisternis is. Het heeft dan ook geen zin daar tegen te strijden. Je moet alleen proberen het kwade een zodanige plaats te geven, dat je er geen last van hebt. Daar is Tolle dan ook voortdurend mee bezig. Hij wil je op een bepaalde manier van het kwaad in jezelf (het ego) en het kwaad in de wereld afschermen. Je trekt jezelf terug in de schulp van je ‘verlichte’ bewustzijn en het gevolg daarvan is dat je het kwaad in jezelf (het ego) én het kwaad in de wereld onberoerd laat. Het kwaad kan feitelijk zijn gang gaan en welig tieren. Dit alles is volgens Tolle nodig om je een goed gevoel te geven. Het ego van de mens vindt deze thesen van Tolle prima. Het verhaal van Tolle voelt in eerste instantie aan als een ‘thuis’ komen. En toch is dat een bedrieglijk thuis komen want Tolle vlakt alles af, het goede én het kwade. Daarmee plaatst Tolle zich buiten de realiteit van het leven, die veel weerbarstiger is en veel dieper gaat dan Tolle ons wil laten geloven.
De Bijbel echter, beschouwt de dood (en dus ook ziekte) wel degelijk als een vijand die bestreden dient te worden. Die vijand, de dood, heeft de mens zelf binnen de poorten van zijn bestaan gehaald toen hij in opstand kwam tegen God: ‘als je daarvan eet zul je sterven’ (Gen 3:3). Lichamelijk én geestelijk. Oorspronkelijk hoorde de dood echter niet bij de geschapen wereld van God. Het is waar, de strijd tegen de (lichamelijke) dood kan niet gewonnen worden. Althans nog niet. Ons lichaam moet nu nog sterven, daar is geen ontkomen aan. De dood zal pas overwonnen zijn als Jezus terug komt (1 Kor. 15: 54,55). Als de dood onze grote vijand is, dan is één van de grote aanjagers van de dood, nl. de ziekte, ook een vijand die bestreden moet worden. In die strijd zijn door de medische wetenschap al veel successen geboekt. Antibiotica is daar één van, ook al ligt resistentie op de loer. Virussen, ziekten zijn echter weerbarstig en vechten in nieuwe gedaanten terug. Al met al heeft de medische wetenschap heel veel vooruitgang geboekt in de strijd tegen ziekten en daar mogen we dankbaar voor zijn. De tirade van Tolle tegen de medische wetenschap mist dan ook alle realiteitszin. Tolle schijnt te willen suggereren dat alleen de alternatieve geneeswijzen - homeopathie en acupunctuur – een genezende werking hebben. Volgens Tolle komt dat omdat de alternatieve geneeskunde ziekte niet als een vijand beschouwt. Nu zeg ik geen kwaad woord over homeopathie en acupunctuur. Ik ben geen medicus en ik heb daar geen verstand van en als mensen zeggen dat ze daar baat bij hebben, dan geloof ik dat. Maar waar ik me wel zorgen over maak is dat Tolle met één pennenstreek de hele medische wetenschap aan de kant gooit. Het kan voor onkundige mensen zo maar aanleiding zijn om de reguliere medische zorg te mijden en zich over te geven aan alternatieve kwakzalvers. Met soms fatale gevolgen. De actrice Silvia Millecam ,die in 2001 overleed, is er een bekend voorbeeld van.
Toch zit er een bepaalde logica in Tolle’s benadering van ziekte die hij niet als vijand beschouwt. Het heeft alles te maken met het o.i. onjuiste mensbeeld dat Tolle hanteert. Enerzijds tekent Tolle de kwalijke werking van het menselijke ego zeer accuraat. Maar anderzijds bederft Tolle die accurate benadering door de menselijke geest – o.i. ten onrechte - op te splitsen in een onbewuste component (het ego) en de ‘bewuste’’ component. Die ‘bewuste’ component is ten onrechte bij Tolle goddelijk. En dat goddelijke ‘bewustzijn’ gaat bij Tolle de kwalijke daden van het ego vergoelijken. Het gevolg hiervan is dat de strijd tegen het kwaad in de mens- en annex ook in de maatschappij- hierdoor stagneert. Hetzelfde zien we wanneer het over Tolle’s opvatting over ziekte gaat. Omdat Tolle ziekte niet als vijand (kwaad) beschouwt, stagneert de strijd tegen ziekten en epidemieën en komt de medische wetenschap tot stilstand, althans indien de opvattingen van Tolle hieromtrent in de wereld gevolgd zouden worden.
Onder het kopje: ‘Het ego voorbij: je ware identiteit’ schrijft Tolle: ‘Spirituele zelfverwezenlijking wil zeggen dat je duidelijk ziet dat wat je waarneemt, ervaart, denkt of voelt uiteindelijk niet is wie je bent, dat je jezelf niet kunt vinden in al die dingen die voortdurend voorbijgaan. De Boeddha was waarschijnlijk de eerste die dat duidelijk zag en dus werd anata (geen zelf) een van de centrale punten van zijn leer. En toen Jezus zei: ‘Verloochen jezelf’, was wat hij bedoelde: ontken (en vernietig) de illusie van het zelf. Als het zelf – ego – werkelijk is wie ik ben, zou het absurd zijn om het te ‘verloochenen’. Ook hier doet Tolle het voorkomen alsof Jezus en Boeddha het eens zijn en op dezelfde lijn zitten. Ook hier ontbreekt weer bij het citaat van Jezus ‘verloochen jezelf’ een tekstverwijzing uit de Bijbel. Reden genoeg om weer wat alarmbelletjes te laten rinkelen. Want wat zegt Jezus in werkelijkheid in Mat. 16:24,25: ‘Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en mij volgen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het behouden’. Het gaat in dit citaat van Jezus helemaal niet om de vernietiging van het ‘zelf’, het ‘ego’. Jezus vernietigt nooit ego’s. Hij vernieuwt ego’s door de kracht van de Heilige Geest. Het gaat in dit citaat over het navolgen van Jezus. Niemand kan dit uit zich zelf . Ieder mens verzet zich daartegen. Jezus volgen gaat tegen je aangeboren gevoel in. Willen we hem toch volgen, dan moeten we onszelf ‘verloochenen’. Dan moeten we tegen onze eigen natuur ingaan. Schijnbaar kom je op achterstand als je Jezus volgt. Schijnbaar verlies je je leven als je Jezus volgt. Maar zegt Jezus, het is slechts schijn. Het is alsof Jezus zegt: ’Laat mij met mijn Geest in jou komen, dan zal je jezelf verloochenen en mij navolgen en hoewel het lijkt alsof dan je leven verliest wanneer je mij volgt, het is slechts schijn want uiteindelijk zal je het echte leven vinden’.
Onder het kopje ‘Alles wat we bouwen is instabiel’ zegt Tolle het volgende: ‘Als je beseft dat alles wat we bouwen kan instorten (instabiel is), zelfs het schijnbaar vaste materiële, komt er vrede in je op. Dat komt doordat het inzicht in de vergankelijkheid van alle vormen je herinnert aan de dimensie van het vormloze in jezelf, aan wat de dood te boven gaat. Jezus noemt dat ‘eeuwig leven’. Weer zo’n citaat van Jezus zonder tekstverwijzing. Het ‘vormloze in jezelf’ is volgens Tolle onsterfelijk want zegt hij ‘het gaat de dood te boven’. Het ‘vormloze in jezelf' leeft dus eeuwig en is dus volgens Tolle goddelijk. Je bent zelf dus god volgens Tolle. Noemt Jezus dit ‘vormloze in jezelf’ echt ‘eeuwig leven’? Nou, we denken van niet. Jezus zegt in Joh. 17:3: ‘Het eeuwige leven, dat is dat zij U (God de Vader) kennen, en Hem die U gezonden hebt, Jezus Christus’. God en Jezus ‘kennen’ is niet alleen weten wie God of Jezus is maar ook met God en Jezus leven in een diepe en innige verbondenheid. Wie dat gelooft en zo leeft, heeft het eeuwige leven. Dat is heel wat anders dan Tolle hier schrijft.
Uw reactie op dit artikel is meer dan welkom....Wordt vervolgd....

Geplaatst: 22-01-2016 15:51:41

'Een Nieuwe Aarde' een boek van Eckhart Tolle - recensie Hoofdstuk 2.

images6MZ4R6N5.jpg

We gaan nu enkele passages uit het tweede hoofdstuk van het boek van Eckart Tolle bespreken. Het tweede hoofdstuk heeft als titel meegekregen ‘Het ego: de huidige toestand van de mensheid’. Tolle maakt meteen duidelijk dat hij van ‘woorden’ niets moet hebben. ‘Woorden’ zitten bij Tolle nl. gelinkt aan ‘gedachten’ en gedachten zijn verbonden met het verstand. Van het menselijk verstand moet Tolle niets hebben. Het verstand van de mens lijkt bij Tolle de grote boosdoener. Dat blijkt wanneer hij schrijft: ‘Als je de wereld niet bedekt met woorden en etiketten, keert er een gevoel voor het wonderbaarlijke terug in je leven dat lang geleden verloren is gegaan toen de mensheid het verstand niet meer gebruikte maar er bezeten door raakte. Er keert een besef van diepte terug in je leven. De dingen krijgen hun nieuwheid, hun frisheid terug. En het grootste wonder is te ervaren dat je essentiële zelf er is vóór woorden, gedachten, mentale etiketten en beelden. Om dat te laten gebeuren moet je je besef van ik, van Zijn, losmaken van alle dingen waar het mee verward is raakt, dat wil zeggen, waarmee het zich geïdentificeerd heeft’. Volgens Tolle ging er dus iets mis met de mens toen hij ‘bezeten’ raakte door zijn verstand. Wanneer gebeurde dat precies en waarom gebeurde dat? En er is dus kennelijk ook nog een tijd geweest dat de mens niet bezeten was door zijn verstand?. Tolle laat zich daar niet over uit. Geen wonder, want Tolle heeft daar geen verklaring voor. De Bijbel des te meer. Er is volgens de Bijbel een tijd geweest, nog voor dat de mens in zonde viel, dat de mens de liefde van God beantwoordde met zuivere wederliefde. De mens had toen God lief met ‘heel zijn hart, met heel zijn ziel, en met heel zijn verstand’ (Mat. 22:37). Bij die liefde was de hele mens betrokken. Zowel zijn bewustzijn als zijn onbewust zijn. Met hart en ziel en verstand was de mens aan God verbonden. Toen kwam er een moment dat de mens in zonde viel. Hij wilde aan God gelijk zijn(Gen 3:5) en koos tegen God en voor de duivel. Hij koos radicaal tegen God, met zijn totale mens zijn. Daar was zijn verstand, zijn hart en zijn ziel, alles bij betrokken. Dat deed de mens niet onbewust, maar bewust en opzettelijk. Sindsdien is die mens totaal verdorven. Maar God ging hem redden. Dat deed Hij door beloften. Die beloften zijn vervat in ‘woorden’. ‘Woorden’ van God waaraan Tolle zo’n afkeer van heeft. God heeft die woorden waar gemaakt. Hij heeft de belofte gezonden. Die belofte is Christus. Christus heeft gerepareerd wat de mensheid stuk had gemaakt. Zo komt het weer goed tussen God en mens. Christus heeft daarvoor geleden en heeft daarvoor betaald en is gestorven voor ons aan het kruis. Maar Hij is opgestaan en leeft. Daardoor leven wij nu ook. Nu leven we nog steeds van Zijn ‘Woord’. En dat woord heeft ook nu nog een belofte: Hij komt terug op een Nieuwe Aarde. Dat is een heel andere nieuwe aarde dan Tolle in gedachte heeft. Beloftes vervat in woorden vragen om geloof. Geloof vraagt om vertrouwen. Vertrouwen dat Hij even zeker als Hij gekomen is, ook zal terug komen. Daarom spreken we ook over het christelijk geloof. Zonder die beloften, die woorden, zonder dat geloof kunnen wij niet leven. Dus woorden zijn in dit verband van het allergrootste belang.
Onder het kopje ‘Het illusoire zelf’ zegt Tolle: ‘ Wanneer je ‘ik’ zegt, is wie je daarmee aanduidt niet wie je werkelijk bent. Door een monsterachtig reductionisme wordt de oneindige diepte van wie je bent verward met een paar klanken of de gedachte van ‘ik’ in je hoofd en waarmee dat ik zich identificeert’. Toen we dit citaat van Tolle lazen moesten we denken aan wat de Franse president Hollande zei op vrijdag 27 november 2015 bij de herdenking van de 130 slachtoffers van de terroristische aanslagen in Parijs. Hollande zei toen: ‘Onze vijand is de haat’ en ‘die vijanden zullen we samen overwinnen’. Cabaretier Freek de Jonge reageerde hierop als volgt: ‘De haat zit in mij, wil ik die bestrijden dan moet ik mezelf de oorlog verklaren’. Freek de Jonge heeft gelijk: haat is een universele drijfveer die ieder mens in zichzelf moet opsporen, arresteren en kruisigen. Het is echter een illusie om te denken dat je dat op eigen kracht kunt. Je hebt daarvoor de hulp van God nodig. Tolle denkt dat de mens het zelf kan. Tolle denkt dat je de haat vanuit het goddelijke Zijn dat in je zit, kunt neutraliseren. ‘Neutraliseren’ zeggen we en niet ‘bestrijden’. Want volgens Tolle heeft het bestrijden van het kwaad geen enkele zin. Als je de strijd tegen het kwaad echter opgeeft, dan krijgt het de kans nog verder te woekeren dan dat het al doet. Dat kwaad, die haat komt op elk niveau in de samenleving voor. Een zorgvuldig opgekweekte vechtscheiding of burenruzie kan even verzengend en destructief zijn als het vuur van een Kalasjnikov, een bomgordel of de terreur van I.S. Gandhi zei: ‘We denken dat haat de vijand is, maar dat klopt niet; het is de angst’. Haat en angst horen echter in hetzelfde rijtje thuis. Uit haat plegen terroristen aanslagen, waarmee ze een samenleving angst inboezemen. En uit angst grijpen mensen en overheden- de bombardementen in Syrië op ISIS - naar maatregelen waarmee ze het vuur van de haat aanwakkeren. Nogmaals: Freek de Jonge heeft gelijk: ‘De haat zit in mij’. Niet in een deel van mij, niet alleen maar in mijn ego maar in mijn hele persoon . Pas als de mens de diepte van deze tragedie onder ogen ziet, is er redding mogelijk en gloort er licht aan de horizon. Tolle echter, reduceert de diepte van deze tragedie en dat is een reductie met catastrofale gevolgen, zoals we later nog zullen zien.
Onder het kopje: ‘Inhoud en structuur van het ego’ schrijft Tolle: ‘Een van de meest fundamentele structuren van het verstand waardoor het ego zich kan manifesteren is identificatie. Het woord ‘identificatie’ is afgeleid van het Latijnse ‘idem’, dat ‘zelfde’ betekent, en ‘facere’, dat ‘maken’ betekent. Dus als ik me met iets identificeer, ‘maak ik er hetzelfde van’. Hetzelfde als wat? Hetzelfde als ik. Ik verleen er een zelfgevoel aan en zo wordt het een deel van mijn ‘identiteit’. Een van de meest fundamentele niveaus van identificatie is die met dingen: mijn speelgoed wordt later mijn auto, mijn huis, mijn kleren enzovoort. Ik probeer mezelf in dingen te vinden, maar slaag daar nooit helemaal in en het eindigt ermee dat ik me erin verlies. Dat is het lot van het ego’. Wat Tolle hier schrijft over identificatie is op zich genomen juist. Echter, met deze restrictie dat die identificatie waar Tolle het over heeft, niet alleen met het verstand plaats vindt maar dat die identificatie de hele mens omvat en niet alleen maar zijn ego. Het mes van de identificatie van Tolle snijdt echter niet diep genoeg. Wat Tolle hier ‘identificatie’ noemt heet in de Bijbel ‘afgoderij’. Die afgoderij gaat veel verder en zit veel dieper dan wat Tolle ‘identificatie’ noemt. In de oorspronkelijke ongevallen staat vervulde God het hele hart van de mens. De mens ontleende toen zijn identificatie volledig aan God. De mens was volledig op God gericht, hij vertrouwde God volkomen en vond daarin alles wat hij maar wensen kon. Toen de mens zich echter van God afkeerde, ging hij zijn identiteit aan andere dingen ontlenen. De mens ging toen zijn identiteit ontlenen aan wat God gemaakt had, aan wat God geschapen had. In de plaats van God ging de mens het schepsel vereren en daarop zijn vertrouwen stellen en daar zijn identiteit aan ontlenen. Dat is wat de Bijbel afgoderij noemt. Het ‘schepsel’ dat de gevallen mens ging vereren was allereerst de mens zelf. De mens veranderde in een egoïst puur sang, een narcist die eindeloos om zichzelf heen cirkelt. Alles en iedereen moest en moet wijken om zijn onbeperkte en ongebreidelde behoeften te kunnen vervullen. De afgoden die in de plaats van God komen, zijn afgoden die nooit genoeg hebben. Afgoden maken alles en iedereen kapot, de hele schepping gaat eraan. Afgoden, hoe aantrekkelijk ze op het eerste gezicht ook lijken, kunnen het hart van de mens nooit vervullen. Tolle heeft gelijk wanneer hij zegt: ’Ik probeer mezelf in dingen te vinden, maar slaag daar nooit helemaal in en het eindigt ermee dat ik me erin verlies’. Het middel ter genezing dat Tolle aandraagt is echter erger dan de kwaal. Want schrijft Tolle: ‘Als je het leven dat je bent niet meer kunt voelen, ga je waarschijnlijk proberen je leven op te vullen met dingen’. Hiermee geeft Tolle aan dat de mens de tools in huis heeft om zijn eigen ego te kunnen repareren. Die tool is volgens Tolle ‘het leven dat je bent’. Maar die tool bestaat o.i. helemaal niet. Integendeel, in zichzelf is de mens mors dood. Denken dat je die tool bezit is zelfoverschatting en maakt de kwaal waaraan de mens lijdt – zijn identificatie met materie - alleen maar erger. Denken dat ’je het leven bent’ is nu typisch een bedenksel van het ‘illusoire zelf’ . Uiteindelijk moet het denken dat ‘je het leven bent’, je een goed gevoel geven. Dan lijk je weer op die dokter die zijn doodzieke patiënt een middel geeft waardoor hij zich (tijdelijk) beter voelt maar die de kwaal waaraan hij lijdt niet aanpakt.
Het gebruik van de te term ‘Ik Ben’, waarmee Tolle het ‘Zijn’ van de mens aanduidt, wringt aan alle kanten. God geeft Zichzelf nl. de naam: ‘Ik Ben’ (Exodus 3:14). Ook vertaald door: ‘IK ZAL ER ZIJN’. ‘Ik ‘Ik Ben’ is de vertaling uit het Hebreeuws van de Godsnaam JHWH. Een bewijs des te meer dat Tolle de mens goddelijke eer toekent. Daarmee staat Tolle diametraal ten opzichte van de Bijbel en wist hij het onderscheid tussen Schepper en schepsel uit. Aan de andere kant is dat ook geen wonder, want Tolle gelooft niet in het bestaan van een persoonlijk Schepper, de Maker van alle dingen, ook al gebruikt hij af en toe de naam God.
Het verhaal van Tolle over ‘De verdwenen ring’ is zeer indrukwekkend. Een paar dingen vallen ons op. Tolle zegt tegen de vrouw: ‘Besef je dat je een keer afstand moet doen van die ring, misschien al heel snel? Hoeveel tijd heb je nodig voor je zover bent dat je er afstand van kunt doen? Word je er minder van als je er afstand van doet? Is wie je bent minder geworden van het verlies?’ Na de laatste vraag was het een paar minuten stil’. Wat hier ontbreekt is de juiste compassie met de vermeende daderes van de diefstal. Het ergste wat hier gebeurt is de schade die de diefstal van de ring te weeg brengt. Daarom is diefstal een kwaad, een zonde. Diefstal is de overtreding van een gebod van God dat verwijdering teweeg brengt. Verwijdering allereerst tussen God en mens en daardoor ook verwijdering tussen mensen onderling. Diefstal brengt schade toe aan de ziel van de vermeende daderes. Dáár had de zieke vrouw over in moeten zitten. ‘Onthechting’ moet hier volgens Tolle de oplossing brengen. We zijn het daarmee niet eens. Echte ‘onthechting’ is kwaad noemen wat kwaad is en vervolgens de daderes kunnen vergeven, juist omdat God ook aan deze doodzieke vrouw vergeving wil schenken. Het kwade dient door het goede bestreden te worden. Alleen God kan dat geven. Tolle geeft er echter een andere draai aan en daarmee doet hij de woorden die hij van Jezus citeert geweld aan. Tolle schrijft nl.: ’Telkens als je een verlies helemaal aanvaardt, laat je het ego achter je en dan komt wie je bent, het Ik Ben dat bewustzijn zelf is, te voorschijn.’ Ze zei: ‘Nu begrijp ik iets dat Jezus zei en dat ik nooit heb begrepen: “Wil iemand … uw hemd nemen, laat hem ook uw mantel.”’ (Mat. 5:40 en Luc. 6:29) ‘Dat klopt’, zei ik. ‘Het betekent niet dat je de deur niet op slot moet doen. Het betekent alleen maar dat dingen loslaten soms veel krachtiger is dan je verdedigen of je ergens aan vastklampen.’ Als we echter nader kijken naar het verband waarin Jezus deze woorden gebruikt in Mat. 5 en Lucas 6, dan blijkt dat het daar helemaal niet gaat om ‘loslaten’, je ‘verdedigen’ of je ergens aan ‘vastklampen’ zoals Tolle suggereert. Het gaat Jezus daar om het stellen van een goede daad tegenover een slechte daad van je naaste. In die passages wordt van een volgeling van Jezus gevraagd om meer te doen en verder te gaan dan wat redelijkerwijs van je mag worden gevraagd. Dus zegt Jezus: geen oog om oog en tand om tand (Mat 5:38); je moet je niet verzetten tegen wie kwaad doet, slaat iemand je op de rechterwang, keer hem ook je linkerwang toe (Mat. 5:39). Als iemand in een proces je onderkleed (hemd) van je wil afnemen, geef hem dan ook je bovenkleed (mantel). De boodschap van Jezus is: overwin het kwade door het goede (Rom. 12.21). Het gaat in deze woorden van Jezus dus helemaal niet om wat Tolle ‘Onthechting’ noemt. Hier wreekt zich weer dat Tolle geen absolute scheiding en onderscheiding erkent tussen goed en kwaad. Jezus gaat van die absolute scheiding tussen goed en kwaad echter wèl uit. Tolle echter niet en daarmee gaat hij zich hopeloos verstrikken en tegenspreken. Tolle gaat hier behoorlijk door de mand vallen. We kunnen dit aantonen. Want in het eerste hoofdstuk is Tolle ronduit negatief over de werking van het menselijke ego. Hij kwalificeert het ego daar nog als ‘een pathologische geneigdheid om te moorden en om extreem geweld en wreedheid in te zetten tegen zijn vermeende ‘vijanden’. Nu, in dit hoofdstuk is hij ineens een stuk positiever over het ego wanneer hij schrijft: ‘Is het dan verkeerd om trots te zijn op je bezit of boos te zijn op mensen die meer hebben dan jij? Helemaal niet. Dat gevoel van trots, van je moeten onderscheiden, de schijnbare versterking van je zelf door ‘meer dan’ en vermindering door ‘minder dan’ is niet goed en niet verkeerd – het is het ego. Het ego is niet verkeerd; het is gewoon onbewust. Als je het ego in jezelf waarneemt, begin je er los van te komen. Neem het ego niet te serieus. Als je egoïsch gedrag bij jezelf bespeurt, lach er dan een beetje om. Soms kun je er zelfs hard om lachen. Hoe kan het dat de mensheid zich hier zo lang door heeft laten beetnemen? Wees je er vooral van bewust dat het ego niet persoonlijk is. Het is niet wie je bent. Als je het ego beschouwt als je persoonlijke probleem, is dat gewoon meer ego’. Het ego van de mens is bij Tolle nu ineens niet slecht meer maar hij noemt het ego hier niet goed en niet slecht, je zou kunnen zeggen dat Tolle het ego van de mens neutraal noemt. Anders gezegd: de pathologische moordenaar van hoofdstuk 1 is in hoofdstuk 2 weliswaar niet goed, maar ook niet slecht. Als Tolle dan vervolgens de vraag stelt: ‘Is het dan verkeerd om trots te zijn op je bezit of boos te zijn op mensen die meer hebben dan jij? Dan antwoordt Tolle: ‘Helemaal niet’. Dat antwoord van Tolle verbijstert me. Hoezo niet verkeerd? Weet Tolle nu ineens niet meer hoeveel de trots van de mens, zijn afgunst, zijn haat, hoeveel dat kapot maakt in deze wereld? Hoogmoed, trots, afgunst, haat en nijd zijn ronduit slechte dingen. Je kunt niet zeggen, zoals Tolle doet, dat deze dingen niet goed en niet slecht zijn. Om het kwaad moet je maar een beetje lachen, soms hard lachen, vindt Tolle. Je moet het ego en zijn kwade praktijken volgens Tolle maar niet te serieus nemen. Elders in dit hoofdstuk noemt Tolle dit ‘de lach van geestelijke gezondheid, de lach van de Boeddha’s met de dikke buiken. ‘Het leven is niet zo ernstig als mijn verstand het wil laten lijken.’. Volgens Tolle zijn de kwade praktijken van het menselijke ego zo slecht nog niet. Vervolgens zegt Tolle: ‘Sommige ego’s weten wat ze willen en streven dat doel na met grimmige en meedogenloze vastberadenheid – Djengis Khan, Stalin, Hitler, om maar een paar uitschieters te noemen’. Als bijv. Hitler het advies van Tolle serieus genomen had, dan had Hitler maar een beetje moeten lachen om zijn ego. Zo van: ‘6 miljoen joden vermoorden, ach neem het niet zo serieus allemaal. Het is alleen maar het onbewuste ego (het pijn lichaam) van Hitler die dat gedaan heeft’. De lezer zal begrijpen hoe absurd zo’n gedachte is. Want heeft Tolle wel gedacht aan de slachtoffers van al die misdaden? Moeten die er ook maar een beetje om lachen? Moet de rechter er ook om lachen?
Tolle wil feitelijk de mens van zijn verantwoordelijkheid voor zijn misdaden ontslaan. Dat wordt door Tolle bevestigd door een citaat uit Hoofdstuk 6. Wat Tolle hier het ‘ego’ noemt, heet daar het ‘pijn lichaam’’. Tolle zegt dan: ‘Veel gewelddaden worden bedreven door ‘gewone’ mensen die tijdelijk in maniakken veranderen. Overal op aarde hoor je de advocaten van de gedaagden zeggen: ‘Dit past helemaal niet bij het karakter van mijn cliënt’, en de gedaagde zegt: ‘Ik wist niet wat er over me kwam.’ Voor zover ik weet is het nog niet voorgekomen – maar daar kan snel verandering in komen – dat een advocaat tegen de rechter zegt: ‘Dit is een geval van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Het pijnlichaam van mijn cliënt was actief en hij wist niet wat hij deed. Hij dééd het ook niet. Zijn pijnlichaam heeft het gedaan.’ Betekent dit dat mensen niet verantwoordelijk zijn voor wat ze doen als ze in de macht zijn van het pijnlichaam? Mijn antwoord is: hoe zou dat kunnen? Hoe kun je verantwoordelijk zijn als je onbewust bent, als je niet weet wat je doet?’. Als je nadenkt over wat Tolle hier schrijft, dan denk je: waar blijft recht en gerechtigheid? Toen de mens in opstand kwam tegen God, deed hij dat met zijn volle bewust zijn. God riep de gevallen mens tot verantwoording: ?’(Gen. 3:9). We zijn er vast van overtuigd dat dit hele denksysteem van Tolle – zijn scheiding tussen het bewuste en onbewuste in de mens- op drijfzand berust. Dit denksysteem van Tolle tast het recht en de gerechtigheid aan. Het is maatschappelijk gezien ook nog gevaarlijk, want het tast de fundamenten van de rechtstaat aan. Maar waarom predikt Tolle het dan? We denken dat het antwoord is: ‘to make you feel better’. Maar het helpt niet. Dit middel is veel erger dan de kwaal.
Al vast reageren? Klik dan op onderstaande knop 'reacties'. Wordt vervolgd........ 

Geplaatst: 30-12-2015 16:18:16

'Een Nieuwe Aarde' een boek van Eckhart Tolle - recensie Hoofdstuk 1.

images6MZ4R6N5.jpg

We beginnen met de bespreking van het eerste hoofdstuk van het boek van Eckhart Tolle: ‘Een nieuwe aarde’. Als ik uit het boek citeer zal ik dat steeds in schuine druk doen. Wil ik binnen een citaat zelf ergens de nadruk op leggen dan zal ik dat woord of de woorden onderstrepen.
De titel van het eerste hoofdstuk is: ‘De bloei van het menselijke bewustzijn’. Tolle gaat meteen recht op zijn doel af: ontwaking van de mens door bewustzijn. Zijn vertrekpunt is 114 miljoen jaar geleden toen de allereerste bloem op aarde open ging. Het valt direct op dat de Schepper van zo iets wonderbaarlijks schoons als een bloem buiten beeld blijft. De geëvolueerde bloem is er,zonder enige nadere verklaring, eensklaps en van een persoonlijk Schepper is geen sprake, hier niet en nergens in het boek. Tolle zegt dan over die bloem: ‘Het zien van schoonheid in een bloem kan mensen, al is het maar even, openstellen voor de schoonheid die een wezenlijk onderdeel is van hun diepste wezen, hun ware natuur. De eerste herkenning van schoonheid was een van de belangrijkste gebeurtenissen in de evolutie van het bewustzijn van de mens. De gevoelens van vreugde en liefde zijn intrinsiek met die herkenning verbonden. Zonder dat we het beseften werden bloemen voor ons een uiting in vorm van wat het hoogst, het heiligst en uiteindelijk het vormloze in onszelf is’. Tolle zeg hier dat er in die bloem een schoonheid zichtbaar is die bij het diepste wezen van die bloem hoort. Toen de mens die schoonheid ging herkennen gebeurde er volgens Tolle iets heel belangrijks in de evolutie van het bewustzijn van de mens. Zonder dat de mens het besefte kwam er een verbinding tot stand tussen de schoonheid in die bloem en de schoonheid die in de mens zelf zit. Een verbinding van het hoogste en het heiligste, dat zowel in de bloem als in de mens aanwezig is. Hier zien we de eerste aanduiding van Tolle dat het allerheiligste, het goddelijke in de mens zelf zit. Dat goddelijke in de mens heet het ‘vormloze onszelf’ en in het vervolg ‘Het Bewustzijn’. Dat vormloze, niet stoffelijke ‘Zijn’, daar gaat het Tolle om.
Hoe kan de mens hiermee in contact komen?. Dat omschrijft Tolle als volgt: ‘Als mensen een bepaalde mate van Tegenwoordigheid, van stille en alerte aandacht in hun waarneming hebben bereikt, kunnen ze de goddelijke levensessentie, het ene inwonende bewustzijn of de geest in elk schepsel, elke levensvorm, voelen en dat herkennen als iets dat één is met hun eigen essentie en het dus liefhebben zoals zichzelf’. De vragen die in dit citaat beantwoord worden zijn deze: hoe herken je als mens dat je in je diepste wezen zelf god bent?. Hoe herken je dat je die ‘goddelijke levensessentie’ met alle schepselen en geesten deelt? Om dit te kunnen herkennen moet je volgens Tolle een bepaalde mate van ‘Tegenwoordigheid’ hebben bereikt in je waarneming. ‘The power of Now’ klinkt hier door. Je moet dan volgens Tolle het denken uitschakelen en je concentreren op wat je ‘Nu’ waarneemt. Langs deze weg van stilte en alertheid volgt een samensmelting van het vormloze goddelijke in het object dat je waarneemt en het goddelijke vormloze in jezelf. Zo wordt bij Tolle bewaarheid wat de bekende dichter Willem Kloos (1859-1938) al in zijn sonnet schreef: ‘Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten, en zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon’. Ik moest hier even terug denken aan de zondeval van de mens in de hof van Eden. Die wordt beschreven in Genesis 3. God had tegen de mens gezegd dat ze van de vrucht van die ene boom niet mochten eten, anders zouden ze sterven (Genesis 3:3). De slang – de duivel antwoordde: ‘Jullie zullen helemaal niet sterven, integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad’. (Genesis 3:4,5). Nu was deze uitspraak van de slang natuurlijk een leugen maar het tekent wel de diepste begeerte die in ieder mens schuilt: worden als God. Die oerzonde van de mens - de begeerte om aan God gelijk te worden - tekent de Bijbel als een weg die naar de dood voert.
Onder het kopje ‘Het doel van dit boek’ gaat Tolle nu verder spreken over de mogelijkheid van wat hij noemt de ‘transformatie van het bewustzijn’. Kunnen mensen afkomen van hun ‘geconditioneerde denkpatronen’? Tolle schrijft dan: ‘Kunnen ze de aantrekkingskracht van het materialisme en de stoffelijkheid weerstaan en uitstijgen boven de identificatie met vorm die het ego in stand houdt en hen veroordeelt tot gevangenschap in hun eigen persoonlijkheid? De mogelijkheid van een dergelijke transformatie is de centrale boodschap van de grote wijsheid tradities van de mensheid. De boodschappers – Boeddha, Jezus, en anderen, niet allemaal bekend – waren de eerste bloemen van de mensheid. Ze waren voorlopers, zeldzame en kostbare wezens’. Verder op in het hoofdstuk geeft Tolle aan wat die ‘transformatie' inhoudt. Hij schrijft dan: ‘Binnen het hindoeïsme (en soms ook binnen het boeddhisme) wordt die transformatie aangeduid met verlichting. In het onderricht van Jezus heet het verlossing en in het boeddhisme is het het einde van het lijden. Bevrijding en ontwaken zijn andere termen waarmee deze transformatie wordt aangeduid’. Verlichting betekent hier bij Tolle dat we los moeten komen van de gebondenheid aan materiele, stoffelijke, zaken want die voeden alleen maar het menselijke ego. Door verlichting – het ontsteken van de goddelijke vonk in onszelf - ontstaat een nieuw bewustzijn waardoor we met andere ogen naar ons ego en naar de wereld om ons heen gaan kijken en daarnaar gaan handelen. Wat nu in deze citaten opvalt is allereerst dat volgens Tolle deze transformatie, deze verlichting, de centrale boodschap is van de grote wijsheid tradities van de mensheid. Bij deze tradities heeft Tolle kennelijk vooral het oog op het Hindoeïsme, het Boeddhisme en het Christendom, want deze noemt hij expliciet. Hij gaat er voetstoots van uit dat de centrale boodschap van het Hindoesisme, het Boeddhisme en het Christendom dezelfde is. Boeddha en Jezus (en anderen) worden in één adem genoemd en staan op gelijke voet. Met die ‘Transformatie’ wordt volgens Tolle in die godsdiensten hetzelfde bedoeld, alleen gebruikt men in die godsdiensten verschillende woorden om deze aan te duiden. Bij ‘verlichting’, ‘verlossing’ en ‘einde van het lijden’ zou het om dezelfde zaak gaan. Als we echter in de Bijbel gaan kijken wat ‘verlossing’ betekent komen we bij iets totaal anders uit. In het woord ‘verlossing’ zit het woord ‘lossen’ . ‘Lossen’ is in het Oude Testament voor een familielid financieel in de bres springen. Wanneer iemand gedwongen wordt om zijn land te verkopen kan een naaste bloedverwant als ‘losser’ optreden en het stuk land terug kopen voor zijn familielid. ‘Verlossen’ is dus eigenlijk ‘los kopen’. Jezus is ook zo’n ‘verlosser’. Sterker nog : Hij is ‘Dé Verlosser’. Dat zegt Hijzelf ook van zichzelf in Mattheüs 20:28: ‘zoals de Mensenzoon (met ‘Mensenzoon bedoelt Hij zichzelf) niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen’. Jezus is onze verlosser en Hij koopt ons vrij door Zij eigen leven te geven in onze plaats. Door aan God gelijk te willen zijn hadden wij onze ziel aan de duivel verkocht en Jezus koopt ons nu vrij door in onze plaats te sterven en ons het oorspronkelijke leven terug te geven. Dat is wat ‘verlossing’ betekent. ‘Verlossing’ is dus totaal iets anders dan ‘verlichting’ en Jezus en Boeddha zijn op dit punt totaal niet ‘compatible’ zoals Tolle ons wil laten geloven.
Verder op schrijft Tolle: ‘Een essentieel onderdeel van het ontwaken is het herkennen van het niet-ontwaakte ik, het ego dat denkt, spreekt en handelt, maar ook de herkenning van het collectief geconditioneerde mentale proces dat de niet-ontwaakte toestand laat voortduren’. Even later gevolgd door: ‘Als je de onbewustheid in jezelf herkent, is wat de herkenning mogelijk maakt het ontwaken. Je kunt niet vechten tegen het ego en het gevecht winnen, net zoals je niet tegen de duisternis kunt vechten. Het licht van het bewustzijn is alles wat je nodig hebt. Jij bent dat licht’. Enerzijds heeft Tolle hier een punt. Want inderdaad, als de mens er alleen voor staat in zijn strijd tegen zijn gecorrumpeerde ego, is de situatie hopeloos. In je eentje kan je de strijd tegen de duisternis in jezelf, en de strijd tegen de duisternis in de samenleving, nooit winnen maar ben je altijd een verliezer. Maar het punt is dat Tolle die mens helemaal geen strijd laat voeren tegen het kwade. Tolle erkent nl. geen absolute tegenstelling tussen goed en kwaad waarbij het kwade door het goede bestreden dient te worden. Later in het boek zal blijken dat deze opvatting van Tolle zal leiden tot een passiviteit en lijdzaamheid in de mens, die de strijd tegen het kwade verlamt. Je hebt volgens Tolle alleen maar licht van het bewustzijn nodig en dat licht heb je in jezelf, sterker nog zegt Tolle: ‘Jij bent dat licht’. Met deze uitspraak vergoddelijkt Tolle de mens. Jezus zegt echter van zichzelf: ‘Ik ben het licht van de wereld’ (Joh. 8:12). Niet wij, zijn het licht van de wereld maar dat is alleen Jezus. Wij kunnen alleen maar 'een licht' zijn voor deze wereld als we in Zijn licht wandelen. Wij zijn van nature alleen maar duisternis in plaats van licht. Jezus heeft ons vrij gekocht uit de duisternis en nodigt ons nu uit om in Zijn licht te gaan wandelen. ‘Zonde’ is bij Tolle ‘onbewustheid’. Met deze term ‘onbewustheid’ reduceert Tolle de ernst van de zonde en daarmee wordt de mens in feite ontoerekeningsvatbaar verklaard voor de zonden die hij begaat en voor de enorme puinhoop die hij ervan maakt. Ook daar komen we later in het boek op terug. Herkennen van dat ‘onbewuste’ in de mens is wat Tolle ‘ontwaken’ noemt. In de Bijbel is dat ontwakingsproces nooit een werk van de mens zelf. Een mens kan uit zichzelf helemaal niet ontwaken. Alleen de Heilige Geest kan dat proces in de mens in werking stellen. In Joh. 16:7,8 wordt de Heilige Geest de Pleitbezorger genoemd die de wereld – de mens – bekend zal maken wat ‘zonde’ is. De Heilige Geest laat de mens ontwaken en de Heilige Geest maakt hem van de zonde in hemzelf bewust. Tegelijkertijd met dat ontwakingsproces zet de Heilige Geest ook een vernieuwingsproces in van de mens. (Kol 3:10. Efez. 4:22-24). Dat hele proces wordt bekering genoemd.
Tolle heeft gelijk wanneer hij zegt dat de grondbetekenis in het Nieuwe Testament van het woord ‘zonde’ ‘betekent dat je het doel mist, zoals een boogschutter die zijn doel mist’. ‘Zonde’ in het Nieuwe Testament is inderdaad het grote doel missen. Dat grote doel is Jezus. Als je dat doet mist door niet in Jezus te geloven (Joh. 16:9) dan bega je bij uitstek ‘zonde’.
Onder het kopje ‘Onze overgeërfde stoornis’ gaat Tolle uitleggen hoe het menselijke ego erbij staat, en dat is niet best. Tolle schrijft dan: ‘De collectieve manifestaties van de waanzin die het menselijk bestaan kenmerkt vormen het grootste deel van de geschiedenis van de mensheid. Die is tot op grote hoogte een geschiedenis van de waanzin. Als de geschiedenis een klinisch geval was van één mens, zou de diagnose als volgt moeten luiden: chronische paranoïde wanen, een pathologische geneigdheid om te moorden en om extreem geweld en wreedheid in te zetten tegen zijn vermeende ‘vijanden’ – zijn eigen onbewuste dat naar buiten geprojecteerd is. Criminele waanzin met slechts enkele heldere momenten’. Hoe raak deze typering van Tolle ook lijkt, toch mankeert er iets fundamenteels aan. De Bijbelse leer is dat de mens geneigd is om God en zijn naaste te haten. Daar ligt de bron van alle ellende op deze aarde. We hebben tegen God gekozen en zijn van Hem afgevallen en het gevolg daarvan is dat we nu ook geneigd zijn om onze naaste te haten. De mens blijft daarbij wel verantwoordelijk voor zijn daden en hij blijft daar op worden aangesproken (Gen 3:9 e.v.). Maar als je dit citaat van Tolle op je in laat werken dat typeert Tolle een mens die eerder ziek is dan schuldig. Psychisch ziek. Iemand die geplaagd wordt door ‘chronische paranoïde wanen en een pathologische geneigdheid om te moorden’ zoals Tolle schrijft, die wordt door een rechter ontoerekeningsvatbaar verklaard en naar een TBS kliniek verwezen. In de visie van Tolle klopt dit ook wel want de mens doet dit in ‘onbewuste’ toestand. De mens heeft het helemaal niet in de gaten wat hij aanricht. Hij kan er ook niets aan doen volgens Tolle, want hij is ‘onbewust’. Die ziekte noemt Tolle telkens de ‘collectieve stoornis van het menselijk verstand’. Daarmee vergoelijkt Tolle de zaak. Er is sprake van een stoornis maar die stoornis zit niet in de hele mens, in zijn totale functioneren naar lichaam en ziel, nee, deze stoornis zit alleen in zijn verstand. Die zit alleen in zijn ‘onbewuste’. Tolle doet net alsof hij de mens kan indelen in twee gescheiden compartimenten. In het ene compartiment zit het verstand van de mens. Dat is totaal gecorrumpeerd. Maar het wordt hem niet kwalijk genomen want hij is er zich niet van bewust. Vechten tegen die ‘stoornis’ heeft geen zin, want schrijft Tolle: ‘Je wordt niet goed door te proberen goed te zijn maar door de goedheid te vinden die al in je zit en die goedheid te voorschijn te laten komen’. Wanneer Tolle de mens hier aanmoedigt om ‘de goedheid te vinden die al in je zit’, dan heeft Tolle het over het tweede compartiment in de mens. Dat tweede compartiment is het ‘bewustzijn’. Dat bewustzijn laat je weten dat je ‘goed’ bent. Nee, niet alleen goed, je bent zelfs ‘goddelijk’ in dat tweede compartiment. De misdadiger die mens heet, krijgt bij Tolle een aai over de bol, alsof Tolle tegen hem zegt: ‘Het is niet best me jou gesteld, jij pathologische moordenaar. Maar ach, je kunt er ook allemaal niets aan doen, want je weet niet eens wat je doet. Maak je maar geen zorgen want zo slecht ben je nu ook weer niet. Integendeel, je bent eigenlijk harstikke goed, want er zit nog een ander goddelijke ‘ik’ in jezelf. Die zit in dat andere compartiment. Die god heet ‘bewustzijn’. Activeer dat bewustzijn nu maar en alles komt goed’. Iedereen kan begrijpen dat als een rechter zo met elke pathologische moordenaar in een proces zal omgaan en deze pathologische moordenaar ermee wegkomt onder het mom van ‘onbewustheid’, het hele rechtssysteem in duigen valt. Recht en gerechtigheid worden bij Tolle dan ook het kind van de rekening. Uiteindelijk ook de slachtoffers van alle vormen van geweld en onrecht. Dat blijkt hier en ook verder op in het boek.
Impliciet houdt ook Tolle zijn visie voor ‘oorspronkelijk’ want schrijft hij: ‘Door sommige van die mannen en vrouwen kwamen binnen alle grote godsdiensten ‘scholen’ of bewegingen tot ontwikkeling die niet alleen een herontdekking maar in sommige gevallen ook een versterking van het licht van de oorspronkelijke leer inhielden. Zo zijn de gnosis en de mystiek ontstaan in het vroege en middeleeuwse christendom, het soefisme in de islam, het chassidisme en de kabbala in het jodendom, Advaita Vedanta in het hindoeïsme en zen en dzogchen in het boeddhisme’. Wat bedoelt Tolle met de ‘oorspronkelijke leer’?
Tolle kan niet bedoelen de leer van Jezus zoals die verwoord is in het NT. De leer van Jezus staat heel ver af van de leer van de ‘gnosis’, van het gnosticisme. Het gnosticisme is een stroming die al in de eerste jaren van het christendom is ontstaan. Net zoals Tolle nu doet, legden veel gnostici de nadruk erop dat onwetendheid – niet de zonde in bijbels, orthodox christelijke zin – de oorzaak van het menselijk lijden is. Ook boeddhisten geloven dat. Precies zoals Tolle geloofden de gnostici dat de mens moet ontwaken, zich bewust moet worden van de staat waarin het menselijk ego verkeert en van de mogelijkheid om verlost, d.w.z. ‘verlicht’ te worden. God is daarbij alleen innerlijk in de mens aanwezig en is niet ergens ‘buiten’ ons. De ‘oorspronkelijke leer’ kan bij Tolle dan ook niets anders betekenen dan het oude (zen) boeddhisme. Met het onderwijs van Jezus en de apostelen heeft het m.i. weinig te maken zoals we later nog verder zullen zien.
Onder het kopje ‘De noodzaak van een transformatie’ schrijft Tolle: ‘Wat er nu opkomt is niet een nieuw geloofssysteem, een nieuwe religie, spirituele ideologie of mythologie. We bereiken het einde van niet alleen mythologieën maar ook van ideologieën en geloofssystemen’. Met ‘wat er nu opkomt’ lijkt het alsof Tolle met iets geheel nieuws komt. Maar zoals we al zagen is dit niet zo. Tolle steekt het oude (zen) boeddhisme, het gnosticisme uit de eerste eeuw, en Meister Eckhart’s middeleeuwse mysticisme, in een nieuw jasje, maakt er een cocktail van, en verklaart vervolgens dat deze cocktail op het punt staat om de oude gevestigde godsdiensten, waaronder ook het christendom, de genade slag toe te brengen. Tolle zegt: ‘Een belangrijk deel van de wereldbevolking zal binnenkort inzien – als het dat nog niet gedaan heeft – dat de mensheid nu voor een moeilijke keuze staat: veranderen of sterven’. Mijn vraag is: hoe komt Tolle aan deze wijsheid, waarop baseert hij die? Wie heeft Tolle ( al vóór 2005, hij publiceerde dit boek voor het eerst in 2005!) geopenbaard dat het met het christendom binnenkort afgelopen zal zijn en dat de wereld nu moet kiezen voor zijn visie of anders sterven? Het is waar, het christendom is hier in het Westen op zijn retour. Tegelijkertijd komen er miljoenen en miljoenen christenen bij in Afrika en Azië. Dat is geen zaak die het grote nieuws haalt, maar het gebeurt wel.
Voorts schrijft Tolle: ‘Het ego is niet meer dan dit: identificatie met vorm, wat vooral betekent: gedachtevormen. Als het kwaad al een realiteit heeft – en het heeft een relatieve maar niet absolute realiteit – is dit ook de definitie ervan: volledige identificatie met vorm – stoffelijke vormen, gedachtevormen, emotionele vormen. Dat leidt tot een totaal onbewust zijn van mijn verbondenheid met het geheel, mijn intrinsieke eenheid met elke ‘ander’ en met de Bron. Deze vergeetachtigheid is de erfzonde, lijden, waan’. Aan de hand van een paar voorbeelden zal ik proberen aan te geven wat Tolle hier m.i. bedoelt. Als ik bijv. belijd: ‘Ik geloof in een persoonlijk God die eeuwig bestaat, die de hemel en de aarde gemaakt heeft, die liefde is, die de wereld zo lief heeft – en dus ook mij - dat Hij Zijn Zoon Jezus Christus in de wereld gezonden heeft, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft’ dan is mijn belijdenis in de ogen van Tolle een ‘gedachtevorm’, waarmee ik mezelf ‘identificeer’, d.w.z. waarmee ik mijzelf ‘vereenzelvig’. Daar heeft Tolle gelijk in want deze belijdenis is het één en al voor mij, daar leef ik uit, daar identificeer ik mij inderdaad mee. Maar kan je deze identificatie van mij hiermee nu ‘het kwaad’ noemen zoals Tolle doet in bovengenoemd citaat?. Dat is toch echt onzin. Want deze belijdenis, dat geloof in Jezus, transformeert mijn hart. Door Zijn Geest ga ik steeds meer en meer een navolger van Hem worden . Dan ga ik steeds meer doen wat Hij van mij vraagt en gaat Zijn licht in mij stralen. Dan ga ik mijn naaste lief hebben en niet vergelden, als iemand mij op de rechterwang slaat, keer ik hem ook de linkerwang toe (Mat. 5:39). Dan ga ik mijn vijanden liefhebben en juist bidden voor wie mij vervolgen (Mat. 5:44). Dan is dat geloof – wat Tolle een ‘gedachtevorm’ noemt – niet ‘het kwaad’ maar juist het goede nieuws waar de wereld behoefte aan heeft. Tolle zou voor een deel gelijk hebben als ik mij zou identificeren met verkeerde dingen. Als bijv. mijn streven zou zijn om in dit leven zoveel mogelijk rijkdom, eer en aanzien voor mijzelf te vergaren. Als ik me daar mee identificeer, mijzelf overgeef aan de machten van rijkdom , eer en aanzien, dan gaan deze kwade machten mij beheersen en in dat streven dring ik steeds meer en meer mijn naaste opzij en breng ik steeds meer schade toe aan de schepping( 1 Tim. 6:6-10). Dit wil niet zeggen dat het kwaad zit in de materie op zichzelf. Maar in het verkeerde gebruik ervan. Geld is op zich niet verkeerd, het is wel verkeerd als het een macht wordt die mij beheerst. Dan wordt het ‘geldzucht’. Paulus zegt niet voor niets in 1 Tim. 6:10: ‘Want de wortel van alle kwaad is geldzucht’.
Als Tolle in bovenvermeld citaat zegt: ‘Als het kwaad al een realiteit heeft – en het heeft een relatieve maar niet absolute realiteit’ dan ontkent hij eigenlijk het bestaan van het kwaad als een macht die bestreden moeten worden. Eigenlijk gelooft Tolle niet in het kwaad, het lijkt net alsof hij wil zeggen: ‘het kwaad bestaat niet , maar als het beestje dan een naam moet hebben noem het dan maar een ‘relatief’ kwaad’. ‘Relatief’ betekent een ‘betrekkelijk’’ kwaad. Tolle moet in zijn visie de ernst van het kwaad ook wel reduceren. Immers, het kwaad hoort in zijn visie bij het menselijk ego en het denken. En dat proces vindt onbewust plaats. Het kwaad zit bij Tolle dus aan het onbewuste gekoppeld en daardoor kan je feitelijk er niet voor verantwoordelijk worden gehouden. Het kwaad verliest daardoor zijn schepte en dat heeft desastreuse gevolgen. Tolle ontkent daarmee feitelijk de absolute tegenstelling tussen goed en kwaad. In zijn visie hoef je dan ook niet meer te vechten tegen het kwaad. Later in het boek zal blijken wat hij hier precies mee bedoelt, dus we komen ook hier nog op terug.
Tenslotte nog iets over het laatste onderwerp in dit eerste hoofdstuk. Het heeft als kopje: ‘Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’. De profetie uit de Bijbel over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde is voor Tolle de inspiratiebron geweest voor de titel van het boek. Tolle komt dan met een opmerkelijke uitspraak: ‘ We moeten hier wel bedenken dat de hemel niet een plaats is, maar betrekking heeft op het innerlijke rijk van het bewustzijn. Dat is de esoterische (KDG: ‘esoterisch’ betekent ‘alleen voor ingewijden’) betekenis van het woord en die betekenis heeft het ook in de uitspraken van Jezus’. Vanuit de visie van Tolle zelf gezien is deze uitspraak logisch. Als er volgens Tolle geen persoonlijk God bestaat buiten het innerlijk, buiten het ‘bewustzijn’, van de mens om, dan is het ook logisch dat er geen echte woonplaats van die God bestaat. Want iemand die niet echt bestaat heeft ook geen echte woonplaats nodig. De ‘hemel’ als plaats, als echte woonplaats van een God die echt bestaat, bestaat volgens Tolle dan ook niet. ‘Hemel’ staat bij Tolle gelijk aan ‘innerlijk rijk van het bewustzijn’ en volgens Tolle denkt Jezus daar net zo over. Het opmerkelijke is dat Tolle geen tekstverwijzing vermeld. Dat kan Tolle ook niet want Jezus heeft nooit iets van deze strekking gezegd of bedoeld. Integendeel. Als Jezus het over ‘de hemel’ heeft dan bedoelt Hij wel degelijk primair de plaats waar God woont. Kijk alleen maar naar het gebed dat Jezus ons geleerd heeft, het ‘Onze Vader’: ‘Onze Vader die in hemel(en) zijt’. Zie ook bijv. Mat. 5:12,16, 6:1, 7:11. enz. Voorts komt het woord ‘hemel’ in de Bijbel ook vaak voor in combinatie met het woord ‘Koninkrijk’’, het ‘Koninkrijk van de hemelen’. Met het ‘Koninkrijk van de hemelen’ wordt bedoelt het onvergankelijke rijk van God. Een eeuwigdurend rijk van God, afkomstig uit de hemel en in Jezus Christus is dat Rijk op aarde gekomen maar straks op de jongste dag zal dat Rijk uit de hemel neerdalen en de gehele aarde vervullen. (Openbaring 21:1,2). Tolle gelooft trouwens helemaal niet in die toekomstige hemel want in Hoofstuk 9 zegt hij hierover : ‘De nieuwe hemel, het ontwaakte bewustzijn, is dus niet een in de toekomst te verwezenlijken toestand. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen op dit moment in je op en als ze niet op dit moment in je opkomen, zijn ze niet meer dan een gedachte in je hoofd en komen ze dus helemaal niet op’. Vanuit de visie van Tolle gezien is dit ook logisch. Er bestaat volgens hem geen God en dus bestaat er ook geen Koninkrijk van God en dat zal volgens hem ook nooit komen.
Tot zover de bespreking van het eerste Hoofdstuk van dit boek. Wilt u alvast online reageren, druk dan op onderstaande toets ‘reacties’’

 

Geplaatst: 21-11-2015 20:48:21

'Een Nieuwe Aarde' een boek van Eckhart Tolle - introductie.

images6MZ4R6N5.jpg

Introductie
Van mijn goede vriend en buurman Guus van den Tweel ontving ik een poosje geleden een boek. Het is een boek dat hem persoonlijk zeer aanspreekt en waarover hij bijzonder enthousiast is. Hij is benieuwd wat mijn mening over dit boek is. Het is een boek van Eckhart Tolle. De titel van het boek is ‘Een nieuwe aarde’ met als ondertitel ‘Dé uitdaging van deze tijd’. Tolle is een van oorsprong Duitse leraar en auteur. Tolle heeft al een aantal publicaties op het gebied van spiritualiteit op zijn naam staan. Thans woont Tolle in Vancouver in Canada. De Engelse uitgave van het boek getiteld ‘A New Earth’ stond in maart 2008 nummer één op de bestseller lijst van de New-York Times. De bekendheid en de oplage van de boeken van Tolle heeft een enorme boost gekregen door de bemoeienis van de bekende Amerikaanse talkshow host Oprah Winfrey. Oprah is zeer onder de indruk van de opvattingen van Tolle. Zij beschouwt een eerdere publicatie van Tolle ‘The Power of Now’ als één van haar favoriete boeken. Oprah was zelfs zo enthousiast over ‘A New Earth’ dat zij in 2008 samen met Tolle voor dit boek een ‘live online seminar’ organiseerde. Dat seminar kende maar liefst tien afleveringen verdeeld over tien weken waarbij kijkers vanuit de gehele wereld vragen aan Tolle konden stellen naar aanleiding van dit boek.
De echte naam van Eckhart Tolle is Ulrich Leonard Tölle (Lünen, 1948) . Naar eigen zeggen ervoer Tolle op zijn 29ste een ‘spirituele transformatie’. Geen wonder dat Tolle als pseudoniem de naam ‘Eckhart’ aannam. Dit heeft alles te maken met de naam van de bekende middeleeuwse mysticus Meester Eckhart (ca 1260-1328). Deze Meester Eckhart geldt als een belangrijke, zo niet de belangrijkste, inspiratiebron voor Tolle. Neem een uitspraak van Meester Eckhart als ‘Daar bestaat geen worden maar een nu, een worden zonder worden’ uit preek 50 van Eckhart, en je herkent meteen dat Tolle deze gedachte heeft overgenomen. Dat blijkt niet alleen in dit boek van Tolle maar vooral ook in zijn eerder boek ‘The power of now’. De gedachten van Tolle (al heeft hij een hekel aan het woord ‘gedachte’) zijn daarom bepaald niet nieuw. We treffen deze gedachten al aan in het gnosticisme, in de beginfase van het christendom. Voorts zijn de gedachten van Tolle doordrenkt met denkbeelden uit oosterse religies, zoals bijv. het hindoeïsme en het (zen) boeddhisme. Dat lijkt echter niet zo. Het boek lijkt op het eerste gezicht veel meer christelijk geïnspireerd. De naam ‘Jezus’ komt maar liefst 33x voor in het boek en Bijbelse uitspraken van Jezus worden veelvuldig geciteerd. Jezus wordt vele malen meer geciteerd dan welke andere wijsheidsleraar dan ook.
Wat is nu mijn mening over dit boek? Laat ik beginnen met te zeggen dat ik blij ben dat ik dit boek heb gelezen. Ik heb er veel van geleerd. Ook boeken die door oosterse religies zijn geïnspireerd, bevatten veel wijze gedachten waar je veel van kan leren. Zo is de beschrijving die Tolle geeft van de werking van het menselijke ego (later aangeduid als het ‘pijnlichaam”) zeer trefzeker. De beschrijving van wat Tolle het ‘ego’ of ‘pijnlichaam’ noemt en wat dit ego en pijn lichaam in negatieve zin allemaal uitricht, heeft erg veel raakvlakken met de christelijke zonde leer. Alleen in de christelijke leer heet dit ‘ego’ of ‘pijnlichaam’ de ‘oude mens’. Die ‘oude mens’ wordt bestreden door de ‘nieuwe mens’. Die ‘nieuwe mens’ kan alleen door de Heilige Geest in het hart van de mens geplant worden.
Het sleutelwoord bij Tolle is: ‘Bewustzijn’. Maar liefst 265x komt dit woord ‘Bewustzijn’ in het boek voor. Bewust schrijft Tolle dit woord ‘Bewustzijn’ met een hoofdletter. Het woord ‘Bewustzijn’ krijgt bij Tolle daardoor een haast goddelijke status, net zoals wij  de namen van God met een hoofdletter of zelfs met alleen hoofdletters aanduiden. Bewustwording speelt dus bij Tolle een sleutelrol. Het ‘Bewustzijn’ moet ontwaken in de mens en als dit bewustzijn eenmaal ontwaakt is, dan is dit bewustzijn in staat om het ego en het pijnlichaam van de mens te gaan sturen en omvormen, zodat er een ander mens, zodat er een nieuwe mens en een nieuwe mensheid ontstaat, op een ‘nieuwe aarde’. Dat het ego van de mens en het pijnlichaam totaal verdorven en gecorrumpeerd is, daarover hebben we met Tolle geen verschil van mening. Waar we wel verschil van mening over hebben is het feit dat deze ‘Bewustwording’ waar Tolle het over heeft ten diepste een ‘Bewustwording’ is die volgens Tolle uit de mens zelf voortkomt. Bij Tolle repareert de mens door Bewustwording’ uiteindelijk zichzelf en komt hij op eigen kracht uit de problemen. Wat Tolle propageert lijkt op een patiënt die bij de dokter komt. De patiënt heeft een dodelijke ziekte. Als er niets aan gedaan wordt, sterft de patiënt binnen afzienbare tijd. Maar gelukkig, er zijn externe medicijnen ter beschikking die de patiënt kunnen genezen. Maar wat doet de dokter? Hij geeft deze externe medicijnen niet aan deze patiënt. De dokter zegt tegen hem: ‘Je hebt dat externe medicijn niet nodig, je hebt het medicijn in jezelf! Alleen je moet jezelf ervan ‘bewust’ worden’ dat je het zelf kunt oplossen’. Het resultaat is helaas dat als de patiënt het advies van de dokter opvolgt, hij zal sterven!. Want wat Tolle denkt dat die mens in zichzelf heeft, nl. een bewustzijn dat die mens zelf kan activeren en waardoor hij zichzelf, zijn ego, zijn pijnlichaam, kan corrigeren en genezen, dat heeft die mens nl. niet. Dat is nu juist het probleem. Ook dat ‘Bewustzijn’ is nl. volledig verdorven en gecorrumpeerd. Het middel dat de dokter voorschrijft is erger dan de kwaal. De mens is er nog veel slechter aan toe dan Tolle wil toegeven. De mens is naar lichaam en ziel, in onbewust en in bewustzijn volledig verdorven. Hij heeft dringend hulp nodig die alleen God hem kan bieden. Dat is dat externe medicijn waar ik het zojuist over had. Maar dat is nu juist het probleem voor de mens. De mens is er totaal niet toe genegen om toe te geven dat hij hulp nodig heeft en dat die hulp van God moet komen. Uit zichzelf zoekt de mens altijd redding in zichzelf. Helaas doet Tolle dat ook. Dat is de mens nog nooit gelukt en ook Tolle niet. Heb ik als mens dan geen ‘Bewustzijn’ nodig. Ja zeker wel!. Maar dat ‘Bewustzijn’ wordt alleen op de juiste wijze geactiveerd als God de Heilige Geest in het hart van de mens komt. De Geest maakt de mens er dan van ‘bewust’ hoe belabberd hij erbij staat en wat hij echt nodig heeft: redding door de liefde van Jezus.
Er is dan nog iets wat ik heel erg gemist heb in het boek van Tolle. Dat is de afwezigheid van een persoonlijk God. Een persoonlijk God die een relatie met je aan gaat. Bij Tolle is God hooguit een onpersoonlijke, universele, kracht die Tolle ‘Bewustzijn’ noemt. Maar een persoonlijk God, een Vader die met je mee gaat door het leven, die ontbreekt. Een God bij wie je, te midden van alle ellende en pijn en verdriet die je meemaakt, troost kunt vinden en kunt schuilen, die ontbreekt. Ieder mens heeft behoefte aan die geborgenheid. Een plaats waar je kunt uithuilen. Een plaats waar je pure onvoorwaardelijke liefde, veiligheid en geborgenheid voelt en ervaart zoals een peuter die troost vindt in de schoot van zijn moeder.
Ik besef dat ik nu veel meer gezegd heb dan dat ik heb bewezen uit het boek van Tolle. Ik heb me daarom voorgenomen om e.e.a. verder uit te werken. Over elk van de negen hoofdstukken van het boek van Tolle zal ik D.V. een weblogartikel schrijven waarin ik meer gedetailleerd zal ingaan op de opvattingen van Tolle. Door een verhandeling te schrijven per hoofdstuk zal ik er niet aan ontkomen soms zaken te moeten herhalen, dit omdat bepaalde grondgedachten van Tolle in een wat andere vorm vaker voorkomen in zijn boek. De lezer duide mij dit niet euvel. Wordt vervolgd………
Je kunt alvast reageren op dit artikel door op onderstaande toets 'reacties'te drukken. Schrijf gerust een reactie, dan kunnen anderen ook online meelezen.

 

Geplaatst: 05-11-2015 13:37:24

Byung Chul Han’s ‘Psychopolitiek’ – ‘neoliberalisme en de nieuwe machtstechnieken’

IMG_20150818_0001.jpg

Van mijn zeer gewaardeerde buurman Hien The kreeg ik onlangs een boekje aangeboden ter recensie. De titel van het boek luidt: ‘Psychopolitiek’ met als ondertitel: ‘Neoliberalisme en de nieuwe machtstechnieken’ geschreven door de Duitse filosoof Byung Chul Han. Een uiterst interessant boekje moet ik zeggen. Han komt in verweer tegen deze nieuwe machtstechnieken van het neoliberalisme. De argumenten die hij voor zijn verweer gebruikt lijken –zonder dat hij dit waarschijnlijk bedoeld heeft - dicht in de buurt te komen van de christelijke (Bijbelse) argumenten tegen deze machtstechnieken. Of dit werkelijk ook zo is, bespreken we verderop.
Voor de iets minder filosofisch geschoolde lezer leest het boekje wat moeilijk. Veel filosofisch jargon wordt als bekend verondersteld. Een paar van die filosofische termen wil ik eerst toelichten. Wat verstaan we onder ‘neoliberalisme’?
Neoliberalisme
is een term die sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw wordt gebruikt om het – vooral in het westen – toegepaste economisch kapitalistisch systeem aan te duiden. Dit economisch beleid wordt gekenmerkt door een politiek van ‘laissez-faire’. ‘Laissez-faire’ betekent dat in de maatschappij de economische krachten hun vrije loop gelaten worden. Voorts wordt deze politiek gekenmerkt door een hoge mate van privatisering, een terugtreden van de overheid uit de private sector en een vermindering van overheidsuitgaven.
‘Biopolitiek’ bevat het woord ‘bio’ dat voor ‘leven’ staat. Biopolitiek (een term afkomstig van de filosoof Michel Foucault) staat voor een politiek systeem waarin biomacht wordt uitgeoefend. Het biologisch leven van mensen staat hierin centraal en men probeert het leven van de mens door dit economisch en politiek systeem te beïnvloeden en te manipuleren. ‘Psychopolitiek’ daarentegen gaat veel verder dan de biopolitiek en tracht niet alleen het lichaam, de bios, te sturen en te manipuleren maar ook de psyche van de mens. De psychopolitiek gebruikt hiervoor de moderne massa communicatiemiddelen die het digitale tijdperk ons oplevert.
Maar goed, ik loop eerst even door het boekje heen en plaats hier en daar wat aantekeningen.
Alles staat vandaag de dag in het teken van het presteren. Als je niet presteert tel je niet mee in de maatschappij. Han schrijft (pag.10) dat het prestatiesubject denkt dat hij vrij is. Maar niets is minder waar, in werkelijkheid is hij een slaaf. Dat blijkt volgens Han uit de tegenwoordig veelvuldig voorkomende psychische aandoeningen zoals depressies en burn-outs. Het zijn allemaal signalen dat er een diepe crisis van de vrijheid is en dat zogenaamde vrijheid veelvuldig omslaat in dwang. Han schrijft: ‘Vrij zijn betekent echter van oorsprong bij vrienden zijn. De woorden vrijheid en vriend hebben in het Indo- Germaans dezelfde wortel. Vrijheid is strikt genomen een betrekkingswoord. Je voelt je pas echt vrij in een succesvolle relatie, in een gelukkig makend samenzijn met anderen. De totale afzondering waartoe het neoliberale regime leidt maakt ons niet echt vrij’. Op zich klopt het wel wat Han schrijft maar toch zou Han hier meer moeten zeggen. Wil het ooit tot echte vrijheid komen dan kan die vrijheid m.i. nooit zonder ‘waarheid’ bestaan. Jezus zegt in Joh. 8:32 tegen zijn leerlingen: ‘U zult de waarheid kennen en de waarheid zal u bevrijden’. ‘Waarheid’ betekent weten hoe belabberd je er als mens en als mensheid bijstaat. Je moet weten hoe diep je gevallen bent en dat je daarom hulp van boven nodig hebt en dat alleen Jezus je die hulp kan bieden. Alleen als je tot die erkenning van die waarheid komt, dan is er echte vrijheid in zicht. Ik moest daarbij denken aan een regel uit een lied van Bob Dylan (‘Jokerman’ 1983): ‘Freedom just around the corner for you, but with truth so far off, what good will it do?’. Aan de andere kant, met wat Han op pag. 15 schrijft ben ik het bijna eens. Han schrijft daar:Willen we echt vrij zijn? Hebben we God niet uitgevonden om maar niet vrij hoeven te zijn? Tegenover God zijn we allemaal schuldig. Maar de schuld vernietigt de vrijheid. Als we schulden vrij zijn, moeten we echt handelen'. Misschien gaan we permanent schulden aan opdat we niet hoeven te handelen. dat wil zeggen niet vrij niet verantwoordelijk hoeven te zijn'. Echter, als Han i.p.v. te schrijven ‘Hebben we God niet uitgevonden om maar niet vrij hoeven te zijn’ had geschreven: ‘Hebben wij God niet terzijde geschoven, van ons af geworpen, om maar niet vrij te hoeven zijn’, dan zou ik het volledig met hem eens geweest zijn.
Han Hekelt het moderne fenomeen ‘Big Data’ en deelt hierbij rake klappen uit. De rol van ‘Big Data’ neemt alsmaar toe. De hoeveelheid data die wordt opgeslagen reist tegenwoordig de pan uit. Dit veroorzaakt de consument deels zelf omdat steeds meer bestanden, zoals foto’s en films (op o.a. Facebook en You Tube) opgeslagen worden. Er zijn echter ook steeds meer apparaten die zelf data verzamelen, opslaan en uitwisselen. Deze data bevatten een schat aan informatie die voor allerlei doeleinden (vooral marketing) gebruikt kan worden, vandaar de term ‘Big Data’.
Han ziet hierin terecht een groot gevaar want schrijft hij op Pag. 19: ‘Big Data kondigt het einde aan van de persoon en de vrije wil. Devoot betekent onderdanig. De smartphone is een soort devotionalium, sterker: het devotionalium van het digitale bij uitstek. “Like” is het digitale amen. Terwijl we like aanklikken, onderwerpen we ons aan de machtscontext. De smartphone is niet alleen een effectief toezicht apparaat, maar ook een mobiele biechtstoel. Facebook is de Kerk, de mondiale synagoge van het digitale’. Big Data maakt prognoses over het menselijk gedrag mogelijk. Het geraffineerde ervan is dat ‘Big Data’ dit niet doet tegen de wil van de mens in maar juist met diens toestemming'. Han schrijft dan ook op pag. 22: ‘De gewiekste, vriendelijke macht opereert niet frontaal tegen de wil van de onderworpen subjecten in, maar stuurt hun wil in hun voordeel. Ze zegt eerder ja dan nee, ze is eerder verleidend dan onderdrukkend. Ze verleidt in plaats van te gebieden. Ze spoort ons aan permanten mee te delen, te delen, deel te nemen, onze meningen, behoeften wensen en voorliefdes te communiceren en over ons leven te vertellen’. Dat alles in de naam van de .g. transparantie.
Maar Big Data gaat nog veel verder, want op Pag. 29 schrijft Han: ’Uit Big Data kun je niet alleen het individuele maar ook het collectieve psychogram, zo mogelijk het psychogram van het onbewuste opstellen. Daardoor zou het mogelijk zijn de psyche tot in het onbewuste te belichten en uit te buiten’.
Dat gebeurt dan ook want de neoliberale psychopolitiek legt volledig beslag op de technologie van het zelf.. Het ‘zelf’ moet voortdurend geoptimaliseerd worden. Als paddenstoelen schieten ze dan ook uit de grond: de zelfmanagementworkshops, motivatieweekeinden, persoonlijkheidsseminars, mentale trainingen enz,. met slechts één doel: een grenzeloze zelfoptimalisering en efficiëntie verhoging. Alle blokkades, zwaktes en fouten die dit proces in de weg staan moeten door therapieën opgeruimd worden. Han heeft gelijk wanneer hij op pag. 38 schrijft dat deze neoliberale zelfoptimalisering fanatieke, ja zelfs religieuze trekken vertoont. Omdat ik zelf protestant ben, triggert mij wat Han schrijft op pagina 38: “Het eindeloze werk aan het ik lijkt op de protestantse zelfbespiegeling en protestants zelfonderzoek, die op hun beurt een subjectiverings en machsttechniek vormen. In plaats van zonden wordt er nu naar negatieve gedachten gespeurd. Het ik worstelt opnieuw met zichzelf als met een vijand”. Han miskent hier- waarschijnlijk onbedoeld- het werk van de Heilige Geest in de gelovige. De Heilige Geest brengt mijn zonden en tekorten voor mijn bewustzijn. Hij doet dat niet om mij te onderdrukken en mij opnieuw weer te onderwerpen aan een machtstechniek zoals Han schrijft, maar om mijn binnenste te vernieuwen en mij (mijn ego) te bevrijden van allerlei vormen van slavernij waaraan we van nature allemaal vastgeklonken zitten. Hij wijst mij zodoende de weg naar de echte vrijheid. Want dat is nu juist het grote verschil met de neoliberale psychopolitiek. Deze politiek verandert niet het hart van de mens. Integendeel, onder het mom van vrijheid en transparantie wordt het menselijk lichaam en de menselijke ziel tot een totale slavernij gebracht. Maar de Heilige Geest bevrijdt mij wél, door Zijn kracht wordt mijn hart nu zo veranderd dat ik nu ook het goede wil doen.
Han heeft overigens wel gelijk wanneer hij op pag. 62 schrift: ‘Het dataïsme is als filosofie in opmars en treedt op met de nadrukkelijkheid van een tweede verlichting’ en op pagina 63: ‘Transparantie is de leuze van de tweede verlichting. De imperatief van de tweede Verlichting luidt: alles moet data en informatie worden. Het dataïsme dat gelooft elke ideologie achter zich te kunnen laten is zelf een ideologie. Het leidt tot een digitaal totalitarisme. Wat dan ook nodig is, is een derde Verlichting , die ons duidelijk maakt dat de digitale verlichting omslaat in slavernij’. Die verslaving aan informatie waar Han het over heeft is overal zichtbaar als je goed om je heen kijkt. Let bijv. eens op, als leerlingen van het voortgezet onderwijs s ’middags de school verlaten en naar huis fietsen. Hun blik is niet gericht op het verkeer maar strak gericht op hun mobieltje. Om maar niets te hoeven missen. Die verslaving aan informatie gaat de hele dag door en tot vaak diep in de nacht. Veel tieners hebben psychiatrische hulp nodig om van hun internet verslaving af te komen.
Maar het gaat nog veel verder. Han noemt dit op pagina 65: ‘self knowledge through numbers’. Hierbij wordt het lichaam voorzien van allerlei sensoren die automatisch data registreren. Gemeten wordt: lichaamstemperatuur, bloedsuikerwaarden, calorietoevoer, calorieverbruik, bewegingsprofielen of percentages vet van een lichaam. Han (pag. 65) concludeert: “Zodoende lijkt zelf-tracking steeds meer op zelf toezicht. Het huidige subject is een ondernemer die zichzelf uitbuit. Elke klik, elk zoekbegrip wordt opgeslagen, geobserveerd en geregistreerd. Gecontroleerd worden we door de dingen die we elke dag gebruiken”. De praktijken van Orwell’s ‘Big Brother’ verbleken daarbij. ‘Big Brother’ kon nog wel eens iets vergeten, maar ‘Big Data’ vergeet werkelijk niets. Han noteert (pag. 69) dat het databedrijf Acxiom handelt in persoonlijke data va ongeveer de 300 miljoen VS-burgers, dus bijna van de hele Amerikaanse bevolking. Acxiom schijnt inmiddels meer te weten over de burgers dan de FBI. Er ontstaat volgens Han door deze praktijken een nieuwe maatschappelijke tweedeling, een nieuwe digitale klassenmaatschappij. Mensen met een lage economische waarde worden bestempeld als ‘waste’,als vuilnis. Consumenten met hogere marktwaarde zijn ondergebracht in de rubriek: ‘shooting star’. Op die mensen richt de commercie zich. Zo ontstaat (pag. 70) naast een ‘panopticum’ (‘Big Data’ is het ‘panopticum’ dat alles ziet en registreert) nu ook een ‘banopticum’, een totale uitsluiting, met als resultaat dat mensen met een slechte score met één druk op de knop in de ‘ban’ worden gedaan en bijv. worden uitgesloten van kredieten. Wellicht zonder dat Han en de moderne beleidsmakers het beseffen, kan op deze manier zo maar werkelijkheid worden wat we in de Bijbel lezen in Openbaring 13:16,17. We lezen daar dat in de eindtijd alleen die mensen nog bevoegd zijn om te kopen en verkopen als zij de naam van het Beest of zijn getal 666 als merkteken op hun voorhoofd of rechterhand getatoeëerd hebben.
Han maakt het duidelijk dat de eerste Verlichting (met de opkomst van de statistische methode) het ware geluk voor de mensheid niet heeft kunnen brengen. De huidige -tweede Verlichting –de neoliberale digitale revolutie- is daar al evenmin toe in staat. Sterker nog, door de totale controle van deze nieuwe revolutie over zowel het menselijk lichaam als de menselijke ziel, door deze psychopolitiek is de mens meer dan ooit een slaaf van zichzelf geworden.
Han laat er in dit boek geen gras over groeien. Han gaat te keer tegen het hedendaags positivisme.
Maar wat is er nu volgens Han fundamenteel verkeerd gegaan? Hoe heeft het zover kunnen komen? Volgens Han is dat het gebrek aan ‘geest’. We leven in een wereld waarin elke verticale spanning ontbreekt. Han verwoordt dit op pagina 73 zo: ‘ Big Data is puur optellend en komt nooit tot een gevolgtrekking of tot een afsluiting. Zonder geest vervalt de wereld in louter optellingen. De totale data kennis is een absolute niet-kennis op het nulpunt van de geest. Totale versnelling vindt plaats in een wereld waarin alles optelling is geworden en elke vertellende spanning, elke verticale spanning verloren is gegaan’. Het lijkt alsof Han met de uitdrukking ‘verticale spanning’ wil zeggen dat er meer is tussen hemel en aarde dan we kunnen zien en waarnemen. De puur materiele weg loopt kennelijk telkens weer dood en zonder erkenning van de spirituele dimensie komen we geen stap verder, integendeel, we zinken steeds verder weg in het moeras. Wat zet Han daar nu tegenover? Han wijst dan op de weg van het z.g. ‘idiotisme’. Bij dat woord ‘idiotisme’ moeten we onwillekeurig denken aan de roman van Dostojewski ‘De Idioot’. Wie is dan die idioot bij Han?. Op pag. 81 schrijft Han dat het de functie is van de filosofie –dus kennelijk ook van Han zelf – om voor idioot te spelen. Han zegt: ‘Elke filosoof die een nieuw idioom, een nieuwe taal, een nieuw denken voortbrengt, zal noodzakelijkerwijs een idioot geweest zijn. Alleen de idioot heeft toegang tot het geheel andere’. Op pag. 83 zegt Han: ‘De idioot heeft de moed af te wijken van de orthodoxie. Moedig verlost hij zich van de conformiteitsdwang. De idioot communiceert met het niet-communiceerbare. Zodoende hult hij zich in zwijgen. De idioot creëert vrije ruimtes van het zwijgen, van de stilte en de eenzaamheid, waarin het mogelijk is iets te zeggen wat het werkelijk verdient gezegd te worden. Een verticale spanning stelt de idioot in staat tot een hogere overeenstemming, die hem ontvankelijk maakt voor gebeurtenissen, voor uitzendingen vanuit de toekomst’. Hier laat Han duidelijk zien dat hij een oosterling is, die, misschien wel meer dan hem lief is, beïnvloed is door het boeddhisme. Het klinkt wel religieus, woorden als ‘vrije ruimtes van het zwijgen’ ‘hogere overeenstemming’, ‘gebeurtenissen’ ‘uitzendingen vanuit de toekomst’. Tegelijkertijd is het heel erg vaag en onpersoonlijk. Een persoonlijk God die alles regeert komt bij Han niet in beeld.
Soms lijkt het of Han dicht bij het evangelie uitkomt. Dat blijkt uit een veelzeggend zinnetje van Han op pag. 81: ‘De oude idioot wilde het ware, maar de nieuwe wil het absurde verheffen tot de hoogste macht van denken’. Het evangelie kan je ook een soort van oudidiotisme’, een soort van ‘dwaasheid’, noemen maar dan voor bepaalde mensen. Dat bevestigt Paulus in 1 Korintiërs 1:18: ‘De boodschap over het kruis is dwaasheid (een idiotisme) voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God'. En in vers 21 schrijft Paulus: ‘Want zoals God in zijn wijsheid bepaalde, heeft de wereld hem niet door haar wijsheid gekend, en hij heeft besloten hen die geloven te redden door de dwaasheid ( het ‘idiotisme’) van onze verkondiging’. Dat oude idiotisme van het evangelie wilde inderdaad ‘het ware’ want alleen de echte ‘waar’-heid leidt tot echte vrijheid, zoals we boven al schreven. Jammer dat Han het evangelie heeft af geserveerd als een repressief systeem. Nu geef ik Han toe dat sommige kerken, pausen, er inderdaad een repressief systeem van hebben gemaakt. Maar als je terug gaat naar de bron zelf, naar Jezus dan tref je geen repressie aan. Integendeel, bij Hem tref je liefde en compassie en opofferingsgezindheid aan in de meest zuivere vorm. Dat evangelie hult zich niet in vaagheden maar is concreet. Het is gebaseerd op de feiten van kruis en opstanding. Deze ‘dwaasheid’, dit ‘idiotisme’ is het enige idiotisme dat geloofwaardig is. Geloofwaardig omdat het niet gebaseerd is op luchtfietserij maar op concrete feiten die overgeleverd zijn door betrouwbare getuigen.

 

Geplaatst: 20-10-2015 16:04:44

Kees de Graaf gives lecture on the poetry of Bob Dylan on June 2nd in Amersfoort

CFaNrCfVEAAk6St.jpg

Kees de Graaf will give a lecture in Dutch on the poetry of Bob Dylan at the Amersfoort University ((Volksuniversiteit Amersfoort) on June 2nd at 20.00 hours PM.The title of the lecture is:

" That destiny thing. I mean, I made a bargain with it, you know, long time ago"

With the help of some old Dylan classics de Graaf will show how this theme of 'destiny' is worked out in Dylan's poetry. Also some songs from the album "Tempest" will be dealt with in detail. During the lecture some Dylan video footage wil be shown as well. Of course there is room for debate during the lecture.
If you are interested to subscribe to this lecture, please go to the website of the Volksuniversiteit Amersfoort by clicking on the following link: Subcription Kees de Graaf lecture

Geplaatst: 21-05-2015 22:43:22

Leon de Winter over de mens die geneigd is tot alle kwaad

leon-de-winter-540x304[1].jpg

Leon de Winter over de mens die geneigd is tot alle kwaad.

Dat antwoord 5 van de Heidelbergse Catechismus, waarin staat dat mens geneigd is om God en zijn naaste te haten, nog niets van zijn actualiteit heeft verloren, bleek onlangs op  3 mei 2015, toen er  op TV een documentaire uitgezonden werd met als titel ‘De langste nacht voor de Joodse Raad’. Die documentaire heeft diepe indruk op me gemaakt. Het verhaal over de Joodse Raad is bekend. De Joodse Raad werd door de Duitsers al meer en meer in een hoek gedreven en werd uiteindelijk gedwongen mee te werken aan deportatie van de Nederlandse joden naar de vernietigingskampen in Duitsland.  In 1943 ging dat zover dat de Joodse Raad gedwongen werd een lijst op te stellen van 7000 joden die gedeporteerd zouden moeten worden. De Joodse Raad kwam voor een duivels dilemma te staan. De Raad moest kiezen tussen twee kwaden. Niet meewerken stond onder het dreigement van totale uitroeiing. Medewerking hield verraad in van hun eigen volksgenoten. Ze kozen er uiteindelijk voor om mee te werken. Hans Knoop, de maker van de documentaire, interviewde de schrijver en filmproducent Leon de Winter. Leon de Winter zei: “Het ( het feit dat de Joodse Raad uiteindelijk instemde met de deportatie) toont een kant van wie wij zijn als mensen, hoe wij onszelf tot het allerlaagste niveau kunnen reduceren door omstandigheden, dat was het monsterlijke van die tijd natuurlijk. Door die omstandigheden geef je je menselijkheid op, je geeft alles op, want er zijn heel oude, dringende, emoties: beschermen wat dichtbij is, je eigen bloed beschermen, je eigen sociale klasse beschermen, en je wordt een monster”. Leon de Winter heeft een film gemaakt over het leven van Anne Frank. Hans Knoop zou graag zien dat de Winter ook een film zou maken over de Joodse Raad en hun noodlottige collaboratie met de Duitsers. Maar de Winter durft het niet aan. Het zou voor hem een nachtmerrie betekenen. De Winter: “Het gaat erom dat, hoe wij misschien allemaal, want ik durf het niet te zeggen, het gaat zelfs zo ver dat ik het niet eens wil weten wat ik gedaan zou hebben onder die omstandigheden, zo bang ben ik voor dit materiaal, ik wil het niet weten, want ik sluit niet uit dat ik tot het allerergste in staat zou zijn geweest, althans wat ik achteraf erg zou noemen. Alles aan dit verhaal is duivels, van welke hoek je er ook naar kijkt, je ziet alleen duivelse duisternis, iets anders is er niet. Waarom hebben zij dit gedaan, we hebben nooit een sluitend, definitief, rond antwoord gevonden, omdat we mensen zijn en zwak zijn, en omdat we willen overleven, en de mensen van wie we houden willen beschermen en heel ver gaan, heel ver gaan en anderen als het heel erg wordt, de prijs laten betalen’.
Zo wordt ook uit onverwachte - niet christelijke hoek - bevestigd waartoe de gevallen mens, jij en ik, toe in staat zijn, zeker als we in het nauw worden gedreven. We spreken van zinloos geweld als zo maar, zonder enige aanleiding, iemand op straat wordt neergestoken en we zijn er als burgers kwaad om, uit protest houden we stille tochten. Maar hoe reageren we zelf, keurige burgers. als het water ons  aan de lippen komt te staan? Wat blijft er dan over van onze normen en waarden die we zo hoog prijzen?
Ook op die laatste opmerking van de Winter dat we uiteindelijk anderen de prijs  laten betalen, komt vanuit de  Bijbel en de Catechismus een verrassend antwoord.  Want de Bijbel vertelt ons dat God  de Enige is, die wel zelf betaalt, in en door Zijn Zoon. Hij betaalt nl. in de plaats van ons. Hij betaalt niet alleen onze schuld maar ook de rekeningen die wij anderen laten betalen. Zo groot is Zijn liefde. Dat kan geen mens Hem nazeggen, behalve Jezus. En die liefde maakt het verschil in deze gevallen wereld.   

 

Geplaatst: 06-05-2015 16:04:16

Bob Dylan's 'It's alright Ma (I'm only bleeding) - Part 4 - final part.

tumblr_njffj5qAHN1rbwx2xo1_540[1].jpg

Bob Dylan’s ‘It’s alright ma, (I’m only bleeding) – an analysis Part 4 by Kees de Graaf.

Verse 13.
“Old lady judges watch people in pairs, limited in sex, they dare  to push fake morals, insult and stare” exposes yet another  taboo in the American society in the sixties: sex. This song dealt with this taboo only a few years before the sexual revolution in America – and in a lot of other western countries – would break lose. A taboo is said to be a ‘strong social custom forbidding an act or the naming of certain things’. Now this not openly naming but instead silently and hypocritically  watching and condemning  certain sexual practices, of which everybody knows that they nevertheless exist in society, is metaphorically  expressed in an image of “old lady judges” who “dare to push fake morals, insult and stare”. The poet lashes out against these hypocritical  elderly women who think that they are entitled  to act as moral “judges” over other – younger – people. The sexual drive of these “old lady judges” has died a long time ago, the result is that they are ”limited in sex”, which makes it all the much easier for them to criticize the (sexual) behaviour  of young people who are still in their sexual prime. In the attitude of these ”old lady judges” we may see a caricature of the last remaining remnants of the 19th century Victorian sexual morality. This Victorian morality – which also spread to America – preached a.o. sexual restraint, however, this kind of morality would soon be wiped away by the sexual revolution which would begin a few years after Dylan wrote this song.
These old lady judges “watch people in pairs”. In your imagination you can see these old ladies sitting on a bench in a park watching the frivolous (sexual) behaviour of young couples. “In pairs” may be just a poetical way of saying that these ladies watch young couples. From the way in which these old ladies “insult” and “stare” , they make it clear that they condemn this new sexual morale. “They dare to push fake morals” means that the Victorian moral principles which these ladies push on young couples, are only preached by the mouth. In reality however, when these ladies were in their prime themselves, they did not obey and practice these sexual principals either, be it that during the Victorian era all  sexual practices were covered under ‘a cloak of decency’ .That is the reason why the morals which these old ladies push on younger couples are hypocritical and therefore called “fake morals”.
The words that now follow have become one of the most famous (Dylan) quotes: “While money doesn’t talk, it swears”. In this line “While money doesn’t talk ,it swears” money is personified. Whereas these old lady judges “insult and stare”, Mr “Money” does not do any better, on the contrary. Mr “Money” would have done better if only have he would have restricted himself to talking, however, that is not enough for him, he doesn’t talk but he “swears”. “Money talks” which means that money has a voice, that money has influence in society. Although an earlier version of the song seems to have “money screams”  instead of “money talks”, “Money talks” is said to be an old financial saying, found in various printed  records before the year of 1700.
However, but not so according to Michael Gray’s work ‘The Bob Dylan Encyclopaedia’  (New York, NY: Continuum Internat. Publ.  2006, Pg. 464) where Gray says that the line “ While money doesn’t talk it swears” was inspired by a 1903 Victor catalogue of “darky ditties” of which one has the title “If Money Talks, It Ain’t On Speaking Terms With Me”. Years later this resulted in a blues song called: “I can’t make a nickel, I’m flat as I can be, some people say money is talking, but it won’t say a word to me”. Anyway, when it says that money “swears”, these words tend to warn you that there is a curse  on the craving for money, no wonder that I Timothy 6:10 says that “the love of money is the root of all evil”.
Although it was Pope who said that “No pardon vile obscenity should find”, the naked truth is that money rules the world and all obscenities seem to stem from the unbridled love of money and as far as sexual morality is concerned, when you peel off the Victorian layer of decency, there is nothing but obscenity below the surface and ultimately- in spite of all decent language- nobody in society  really seems to care: “Obscenity who really cares?”. There is nobody you can trust and nothing is what it seems: “Propaganda, all is phony”. When Dylan wrote the words “Propaganda all is phony”  you may a.o. think  of the propaganda  the US government used at the time Dylan wrote this song, to volunteer for recruitment to serve in the Vietnam war.  All this sort of propaganda proved “phony”; you may easily be misled, because once enlisted and sent to war you may soon end up in a body-bag.
Verse 14.
This verse, as well as the following final verse, deals with death and the consequences thereof.
The words “While them that defend what they cannot see with a killer’s pride security, it blows the minds most bitterly” are interpreted by some as an atheistic statement. This is however not necessarily the case. It is true that when you follow this interpretation the words “What they cannot see” may refer to faith and religion. However, it seems not to be the intention of the poet to lash out against believers for having faith as such but against those who defend faith “with a killer’s pride security”. It is the very nature of faith is that you cannot see it with your natural eyes and you cannot scientifically prove to others that faith is a metaphysical reality. Otherwise faith would be no longer faith. True faith is all a matter of trust, confidence and surrender. Therefore it is also against the very nature of true faith to force faith upon others. But that is exactly what some of those preachers do: they defend their faith “with a killer’s pride security”. Some of those preachers (see for example Matt. 23:15) go to great length by forcing their faith upon people  by indoctrination and they are not driven by modest wisdom – as may be expected of them - but they look more like  hunters who take great pride in killing as much game as they possibly can and within the shortest period of time. They take pride in it, but it is only the cheap and shallow pride of a killer who outnumbers his victims in strength by a million to one, it is therefore only called “a killer’s pride security”. It looks as if these preachers are sure of the case they plead but the louder they shout the more they prove that deep down inside they are not so sure, because they somehow feel that this way of evangelizing- demonstrating a “killer’s pride security”- is cheap and against the very nature of the gospel. This method of proselyting only fills the human mind with repugnance and bitter resentment, that is why it says that “it blows the mind most bitterly”. 
The words “For them that think death’s honesty won’t fall upon them naturally, life sometimes must get lonely” may be interpreted in various ways. “Death’s honesty” means that death makes no distinction. Death is irrespective of persons and may in this sense be called “honest”. Death therefore falls on every human being, no matter who or what you are. Death falls upon all of us, very much in the same way as Dylan outlines in his song “Tempest”: “The good, the bad, the rich, the poor, the loveliest and the best”, in the end we are all going to die. Some think that this line leads us back to the battle fields of the war in Vietnam. As said earlier, at the time when Dylan wrote this song in 1964, the US were stepping up their war efforts in Vietnam. Those sent to war in Vietnam stood a great chance of being killed in combat. If that is the case, they will not die of natural causes, “death’s honesty won’t fall upon them naturally”, but they will suffer a violent death in combat. This knowledge can make you pretty lonely and isolated, that is why it says that for this group of people “life sometimes must get lonely”.
Another interpretation may be that Dylan uses apocalyptical language here taken from the Bible. Revelation 9: 6 says “And in those days shall men seek death, and shall not find it; and shall desire to die, and death shall flee from them' (KJV). Within the context of this passage, these people seek death to escape from extreme pain and suffering but no matter how hard they try, they are unable to find death: “death’s honesty won’t fall upon them naturally”. However if you follow this interpretation it is hard to explain how such dreadful circumstances would make life feel so lonely for these people.
Therefore, the most likely interpretation of the words “For them that think death’s honesty won’t fall upon them naturally, life sometimes must get lonely” is that these words refer to the extreme loneliness a lot of aged people in our society suffer from. Old people put away in old people’s homes or homeless people wandering about the streets in our big cities, aged people bereft of family and social contacts, full of infirmities and ailments, rotting away in loneliness, nobody looking after them, nobody caring for them, unwanted and spit out by society they feel so lonely that they long to die and put an end to it all, but death does not come and life drags on: “death’s honesty won’t fall upon them naturally and life must get lonely”. This verse exposes the cities of the lonesome fear and the lack of social cohesion which causes extreme loneliness in our big western cities.
Verse 15.
This final verse takes the song to its culmination, to a head on collision with the poet’s worst nightmare of all: death and the inevitability of it. The polarity between life and death has always been on Dylan’s mind (two years earlier, in1962, Dylan wrote “Let me die in my footsteps” which elaborates on the same subject).The importance of this stanza is stressed by the fact that for the first time in the song, the poet shifts to the first person and now seems to speak from his own experience. When he says:“My eyes collide head-on with stuffed graveyards” it is as if the poet says: ‘There is simply no escape from death, we are all heading in the same direction and that is to the grave.You may claim that all society’s anomalies, abuse and atrocities which I exposed in all the previous verses of this song are not as bad as I pictured them, you may even deny that all these anomalies and atrocities represent an integral part of our human existence, but one fact will always remain undeniable and that  is that we are all going to die. We are all on a ninety miles an hour drive down a dead end street. At the end of this dead end street we will all meet death. Do you want to have proof? Look at those “stuffed graveyards”.  Death is where it all ends up’.
These graveyards are “stuffed”,which means that they are full of dead bodies and bones, death is all around the place. But “stuffed graveyards” may have another connotation. You may think of a “stuffed” animal, for instance a stuffed bird. If this stuffing is carried out professionally, the stuffed bird very much looks like a real bird. But it is all fake because there is no life in this bird. You see some of this same phenomenon to disguise the harsh reality of death when you enter a graveyard. All these beautifully decorated tomb-stones, all the flowers and bouquets, all these well-written epitaphs for beloved ones, are in the end unable to take away the sadness and misery of death’s ugly face. The poet wants us to realize that this is what all these “stuffed graveyards” are all about and the poet’s eyes collide head on with them, there is simply no escape.
His eyes not only collide head on with stuffed graveyards, but also with “false gods”. The official release on ‘Bringing it all back Home’  and some live renditions seem to have “false goals”, instead of “false gods”. The world is full of those “false gods”, idols  which promise you instant inner peace and riches but in the end will leave you empty handed. “False gods” may also be linked to the words that follow: “I scuff” making it into “false gods I scuff” .To “scuff” has various meanings. Within the context “to scuff” may mean the shuffling of your feet in embarrassment or contempt. The poet is full of contempt for those “false gods” who promise but do not deliver. To “scuff” also has the meaning “to poke at with the foot or toe”. It reminds us of some comic  stock footage  from Stan Laurel’s Vintage Silent 1920s movie called “Not a well built house”. When in this footage  somebody pokes at a newly built house, when somebody “scuffs” at that house, we see this house immediately collapse. When you poke at those “false gods”, when you “scuff” those gods, it immediately is apparent that they are nothing but empty idols which collapse and turn into dust the minute you touch them. However, the words “I scuff” may also be linked to the following words “at pettiness which plays so rough”, making it into “I scuff at pettiness which plays so rough”. No doubt, “pettiness” refers to the bourgeois narrow-mindedness of the American public opinion in the sixties. This pettiness “plays so rough” which means that if you do not accommodate to these narrow minded prevailing opinions and stand up for your free way of thinking, they will play it rough, society will stone you, and in this respect the poet speaks from his own experience.
As outlined in the introductory remarks, Dylan once said about this song: ‘Try to sit down and write something like that. There's a magic to that’. It seems impossible to compose a song like this in ‘ordinary’ way. This song was not composed in an ordinary way, but was ‘magically’ written. “Walk upside-down inside handcuffs, kick my legs to crash it off” is likewise an attempt to try and do the impossible to come to terms with the dreadful state of the human condition of which the poet himself represents an integral part. “Walk upside down” which means walking on your hands with your legs up, is by no means an easy thing to do. However, “Walk upside down inside handcuffs” is simply impossible because these handcuffs make forward movement impossible and yet the poet makes an attempt. “Walk upside down inside handcuffs” may be a metaphor to express the absurdity of the world we live in. In this world it looks  as if there is no distance at all between right and wrong. ”Walk upside down inside handcuffs”, absurd as it sounds, is in this world regarded as legitimate a way of walking, as walking in the ‘’ordinary’ way with your feet on the ground. As outlined in all the previous verses of this song, in this world all moral standards are easily turned “upside down” for political purposes ,to suit those in power and often just for financial gain. But the poet is honest about himself. He is not only “handcuffed”, misunderstood, silenced, ridiculed by the press, hampered to express his free mind.  He admits that he too represents an integral part of the political and social system which he criticizes and is unable to escape, he is not only handcuffed, muzzled, by others but he also  handcuffs himself , he has himself “locked in tight” just like anybody else .“If my hands are tied, must I not wonder within who tied and why and where must I have been” he would quite rightly admit much later in 1989 in his song “What good am I?”.The absurdity of life Dylan portrays here comes close to the absurdity of life he describes in his concert stalwart “Things have changed”. What is more absurd and preposterous than “falling in love with the first woman I meet, putting her in a wheelbarrow and wheeling her down the street?”.
However, he tries to get away from the absurdities of life which on the one hand he criticizes and of  which on the other hand he cannot deny that he is yet a part of. That is why he “kicks his legs to crash it off”, he tries to get away from those absurdities but he knows that his attempt is doomed to fail. You may stand in a handcuffed position, on your hands with your legs up, in that position you may kick your legs as long as you please but you will never be able to crash off your handcuffs and free yourself.
The only possible conclusion therefore must be: “Say okay, I have had enough, what else can you show me?”. This final line shows resignation and has an ironic undercurrent. The poet has reached the end of his trail. Like once Ecclesiastes, he draws the conclusion that there is simply no cure under the sun for the hopeless condition the human condition is in, everything is vanity. When Dylan wrote this song in 1964,the sixties cultural counter movement was not amused by the dark mood of resignation Dylan’s song writing had adopted. The message of his song writing is clear: nobody under the sun has an answer, not even the cultural counter movement from the sixties, and as far as he himself is concerned, he admits that he too represents a part of the human condition and that he himself  does not have a comprehensive solution either. But he has now reached a point where he says: ‘Stop, there is no sense in arguing any further, enough is enough’. “What else can you show me?” is therefore an ironic rhetorical question as if he says: ‘there is nothing else you can show me’. Basically the  poet delivers here the same message he would deliver 33 years later in his song “Mississippi”: “I got nothing for you, I had nothing before, don’t even have anything for myself anymore  and “There is nothing you can sell me”.
Chorus 5.
The final chorus: “And if my thought-dreams could be seen, they’d probably put my head in a guillotine, but it’s alright, Ma, it’s life, and life only” is the most personal and therefore at the same the most revealing statement of all. It may be called a blessing in disguise that fallen mankind does not have the ability to read thoughts, because if people could read  each other’s thoughts, any enduring social life on this fallen planet would be impossible. If thoughts or “thought-dreams could be seen” a cesspit full of dirt would open up and all the dirt would flow out into the open. If “thought dreams could be seen” it would appear how selfish, vicious and murderous a creature we all have become, nobody excepted. What we praise to be benevolence and goodness is nothing else but restrained evil, and if there were no such restraint we would kill each other instantly and life would end. “That’s how it is when things disintegrate” Dylan wrote in ‘Can’t Wait’ in 1997 and that is how it is when the poet’s “thought-dreams could be seen”. But there is another, personal side to this. If the poet’s “thought-dreams could be seen” the public would a.o. immediately have found out that he never wanted to be a spokesman, neither for the sixties cultural counter movement, nor for any political or religious organization. The public would have seen that he is not is not a puppet on a string and that he is prepared to swim against any popular stream or whim. If you are prepared and have the courage to do that – and the poet speaks from his own experience, not only in the sixties but also later when he ‘emerged to find Jesus’ in 1979 -  you will pay the price and they will publicly behead you, that is why he says: "they’d probably put my head in a guillotine”. The guillotine ,a sort of machine for beheading a person by one stroke of a heavy ax or blade, is well known for its use during the French Revolution (1789) when  thousands of contra-revolutionaries were beheaded by it. For that reason, the method of killing by a “guillotine” may be deliberately chosen here because during the French Revolution is was the typical instrument to kill contra-revolutionaries and as the sixties progressed Dylan’s song writing more and more took distance from the silent revolution as expressed by the cultural counter movement.
To wrap things up, this is what the poet has done in this song: on the one hand he criticizes society for its inherent failures but on the other hand he admits that he too represents an integral part of the very society he criticizes and for that reason he is under the knife himself. The awareness of this twofold reality may very well be the beginning of a process which can ultimately set a man free, but that horizon is not further explored in this song. Although those who see in the final words “but it’s alright, Ma, it’s life, and life only” a streak of Jean Paul Sartre’s existentialism and a sort of mild resignation, may have a point. However, the words “but it’s alright, Ma, it’s life, and life only”  may at the same time herald an awakening of the idea that if for life there is ever going to be a decisive turn for the better, it cannot come from life as it is here and now but it has to come from somewhere else. For the moment the poet resigns to this status quo and that is why he concludes by saying: “but it’s alright, Ma, it’s life, and life only”.  

You are welcome to comment on this article, to do that please push the button 'reacties' below' 

 

 

 

 

Geplaatst: 03-04-2015 21:13:51

[1]      «      1   |   2   |   3   |   4   |   5      »      [13]