Bob Dylan: "I practice a faith that's long been abandoned, ain't no altars on this long and lonesome road"

Bezoekers vandaag: 116Bezoekers totaal: 470882
Welcome to the website of Kees de Graaf
Kees de Graaf keesdegraaf.com

'Een Nieuwe Aarde' een boek van Eckhart Tolle - recensie Hoofdstuk 2.

images6MZ4R6N5.jpg

We gaan nu enkele passages uit het tweede hoofdstuk van het boek van Eckart Tolle bespreken. Het tweede hoofdstuk heeft als titel meegekregen ‘Het ego: de huidige toestand van de mensheid’. Tolle maakt meteen duidelijk dat hij van ‘woorden’ niets moet hebben. ‘Woorden’ zitten bij Tolle nl. gelinkt aan ‘gedachten’ en gedachten zijn verbonden met het verstand. Van het menselijk verstand moet Tolle niets hebben. Het verstand van de mens lijkt bij Tolle de grote boosdoener. Dat blijkt wanneer hij schrijft: ‘Als je de wereld niet bedekt met woorden en etiketten, keert er een gevoel voor het wonderbaarlijke terug in je leven dat lang geleden verloren is gegaan toen de mensheid het verstand niet meer gebruikte maar er bezeten door raakte. Er keert een besef van diepte terug in je leven. De dingen krijgen hun nieuwheid, hun frisheid terug. En het grootste wonder is te ervaren dat je essentiële zelf er is vóór woorden, gedachten, mentale etiketten en beelden. Om dat te laten gebeuren moet je je besef van ik, van Zijn, losmaken van alle dingen waar het mee verward is raakt, dat wil zeggen, waarmee het zich geïdentificeerd heeft’. Volgens Tolle ging er dus iets mis met de mens toen hij ‘bezeten’ raakte door zijn verstand. Wanneer gebeurde dat precies en waarom gebeurde dat? En er is dus kennelijk ook nog een tijd geweest dat de mens niet bezeten was door zijn verstand?. Tolle laat zich daar niet over uit. Geen wonder, want Tolle heeft daar geen verklaring voor. De Bijbel des te meer. Er is volgens de Bijbel een tijd geweest, nog voor dat de mens in zonde viel, dat de mens de liefde van God beantwoordde met zuivere wederliefde. De mens had toen God lief met ‘heel zijn hart, met heel zijn ziel, en met heel zijn verstand’ (Mat. 22:37). Bij die liefde was de hele mens betrokken. Zowel zijn bewustzijn als zijn onbewust zijn. Met hart en ziel en verstand was de mens aan God verbonden. Toen kwam er een moment dat de mens in zonde viel. Hij wilde aan God gelijk zijn(Gen 3:5) en koos tegen God en voor de duivel. Hij koos radicaal tegen God, met zijn totale mens zijn. Daar was zijn verstand, zijn hart en zijn ziel, alles bij betrokken. Dat deed de mens niet onbewust, maar bewust en opzettelijk. Sindsdien is die mens totaal verdorven. Maar God ging hem redden. Dat deed Hij door beloften. Die beloften zijn vervat in ‘woorden’. ‘Woorden’ van God waaraan Tolle zo’n afkeer van heeft. God heeft die woorden waar gemaakt. Hij heeft de belofte gezonden. Die belofte is Christus. Christus heeft gerepareerd wat de mensheid stuk had gemaakt. Zo komt het weer goed tussen God en mens. Christus heeft daarvoor geleden en heeft daarvoor betaald en is gestorven voor ons aan het kruis. Maar Hij is opgestaan en leeft. Daardoor leven wij nu ook. Nu leven we nog steeds van Zijn ‘Woord’. En dat woord heeft ook nu nog een belofte: Hij komt terug op een Nieuwe Aarde. Dat is een heel andere nieuwe aarde dan Tolle in gedachte heeft. Beloftes vervat in woorden vragen om geloof. Geloof vraagt om vertrouwen. Vertrouwen dat Hij even zeker als Hij gekomen is, ook zal terug komen. Daarom spreken we ook over het christelijk geloof. Zonder die beloften, die woorden, zonder dat geloof kunnen wij niet leven. Dus woorden zijn in dit verband van het allergrootste belang.
Onder het kopje ‘Het illusoire zelf’ zegt Tolle: ‘ Wanneer je ‘ik’ zegt, is wie je daarmee aanduidt niet wie je werkelijk bent. Door een monsterachtig reductionisme wordt de oneindige diepte van wie je bent verward met een paar klanken of de gedachte van ‘ik’ in je hoofd en waarmee dat ik zich identificeert’. Toen we dit citaat van Tolle lazen moesten we denken aan wat de Franse president Hollande zei op vrijdag 27 november 2015 bij de herdenking van de 130 slachtoffers van de terroristische aanslagen in Parijs. Hollande zei toen: ‘Onze vijand is de haat’ en ‘die vijanden zullen we samen overwinnen’. Cabaretier Freek de Jonge reageerde hierop als volgt: ‘De haat zit in mij, wil ik die bestrijden dan moet ik mezelf de oorlog verklaren’. Freek de Jonge heeft gelijk: haat is een universele drijfveer die ieder mens in zichzelf moet opsporen, arresteren en kruisigen. Het is echter een illusie om te denken dat je dat op eigen kracht kunt. Je hebt daarvoor de hulp van God nodig. Tolle denkt dat de mens het zelf kan. Tolle denkt dat je de haat vanuit het goddelijke Zijn dat in je zit, kunt neutraliseren. ‘Neutraliseren’ zeggen we en niet ‘bestrijden’. Want volgens Tolle heeft het bestrijden van het kwaad geen enkele zin. Als je de strijd tegen het kwaad echter opgeeft, dan krijgt het de kans nog verder te woekeren dan dat het al doet. Dat kwaad, die haat komt op elk niveau in de samenleving voor. Een zorgvuldig opgekweekte vechtscheiding of burenruzie kan even verzengend en destructief zijn als het vuur van een Kalasjnikov, een bomgordel of de terreur van I.S. Gandhi zei: ‘We denken dat haat de vijand is, maar dat klopt niet; het is de angst’. Haat en angst horen echter in hetzelfde rijtje thuis. Uit haat plegen terroristen aanslagen, waarmee ze een samenleving angst inboezemen. En uit angst grijpen mensen en overheden- de bombardementen in Syrië op ISIS - naar maatregelen waarmee ze het vuur van de haat aanwakkeren. Nogmaals: Freek de Jonge heeft gelijk: ‘De haat zit in mij’. Niet in een deel van mij, niet alleen maar in mijn ego maar in mijn hele persoon . Pas als de mens de diepte van deze tragedie onder ogen ziet, is er redding mogelijk en gloort er licht aan de horizon. Tolle echter, reduceert de diepte van deze tragedie en dat is een reductie met catastrofale gevolgen, zoals we later nog zullen zien.
Onder het kopje: ‘Inhoud en structuur van het ego’ schrijft Tolle: ‘Een van de meest fundamentele structuren van het verstand waardoor het ego zich kan manifesteren is identificatie. Het woord ‘identificatie’ is afgeleid van het Latijnse ‘idem’, dat ‘zelfde’ betekent, en ‘facere’, dat ‘maken’ betekent. Dus als ik me met iets identificeer, ‘maak ik er hetzelfde van’. Hetzelfde als wat? Hetzelfde als ik. Ik verleen er een zelfgevoel aan en zo wordt het een deel van mijn ‘identiteit’. Een van de meest fundamentele niveaus van identificatie is die met dingen: mijn speelgoed wordt later mijn auto, mijn huis, mijn kleren enzovoort. Ik probeer mezelf in dingen te vinden, maar slaag daar nooit helemaal in en het eindigt ermee dat ik me erin verlies. Dat is het lot van het ego’. Wat Tolle hier schrijft over identificatie is op zich genomen juist. Echter, met deze restrictie dat die identificatie waar Tolle het over heeft, niet alleen met het verstand plaats vindt maar dat die identificatie de hele mens omvat en niet alleen maar zijn ego. Het mes van de identificatie van Tolle snijdt echter niet diep genoeg. Wat Tolle hier ‘identificatie’ noemt heet in de Bijbel ‘afgoderij’. Die afgoderij gaat veel verder en zit veel dieper dan wat Tolle ‘identificatie’ noemt. In de oorspronkelijke ongevallen staat vervulde God het hele hart van de mens. De mens ontleende toen zijn identificatie volledig aan God. De mens was volledig op God gericht, hij vertrouwde God volkomen en vond daarin alles wat hij maar wensen kon. Toen de mens zich echter van God afkeerde, ging hij zijn identiteit aan andere dingen ontlenen. De mens ging toen zijn identiteit ontlenen aan wat God gemaakt had, aan wat God geschapen had. In de plaats van God ging de mens het schepsel vereren en daarop zijn vertrouwen stellen en daar zijn identiteit aan ontlenen. Dat is wat de Bijbel afgoderij noemt. Het ‘schepsel’ dat de gevallen mens ging vereren was allereerst de mens zelf. De mens veranderde in een egoïst puur sang, een narcist die eindeloos om zichzelf heen cirkelt. Alles en iedereen moest en moet wijken om zijn onbeperkte en ongebreidelde behoeften te kunnen vervullen. De afgoden die in de plaats van God komen, zijn afgoden die nooit genoeg hebben. Afgoden maken alles en iedereen kapot, de hele schepping gaat eraan. Afgoden, hoe aantrekkelijk ze op het eerste gezicht ook lijken, kunnen het hart van de mens nooit vervullen. Tolle heeft gelijk wanneer hij zegt: ’Ik probeer mezelf in dingen te vinden, maar slaag daar nooit helemaal in en het eindigt ermee dat ik me erin verlies’. Het middel ter genezing dat Tolle aandraagt is echter erger dan de kwaal. Want schrijft Tolle: ‘Als je het leven dat je bent niet meer kunt voelen, ga je waarschijnlijk proberen je leven op te vullen met dingen’. Hiermee geeft Tolle aan dat de mens de tools in huis heeft om zijn eigen ego te kunnen repareren. Die tool is volgens Tolle ‘het leven dat je bent’. Maar die tool bestaat o.i. helemaal niet. Integendeel, in zichzelf is de mens mors dood. Denken dat je die tool bezit is zelfoverschatting en maakt de kwaal waaraan de mens lijdt – zijn identificatie met materie - alleen maar erger. Denken dat ’je het leven bent’ is nu typisch een bedenksel van het ‘illusoire zelf’ . Uiteindelijk moet het denken dat ‘je het leven bent’, je een goed gevoel geven. Dan lijk je weer op die dokter die zijn doodzieke patiënt een middel geeft waardoor hij zich (tijdelijk) beter voelt maar die de kwaal waaraan hij lijdt niet aanpakt.
Het gebruik van de te term ‘Ik Ben’, waarmee Tolle het ‘Zijn’ van de mens aanduidt, wringt aan alle kanten. God geeft Zichzelf nl. de naam: ‘Ik Ben’ (Exodus 3:14). Ook vertaald door: ‘IK ZAL ER ZIJN’. ‘Ik ‘Ik Ben’ is de vertaling uit het Hebreeuws van de Godsnaam JHWH. Een bewijs des te meer dat Tolle de mens goddelijke eer toekent. Daarmee staat Tolle diametraal ten opzichte van de Bijbel en wist hij het onderscheid tussen Schepper en schepsel uit. Aan de andere kant is dat ook geen wonder, want Tolle gelooft niet in het bestaan van een persoonlijk Schepper, de Maker van alle dingen, ook al gebruikt hij af en toe de naam God.
Het verhaal van Tolle over ‘De verdwenen ring’ is zeer indrukwekkend. Een paar dingen vallen ons op. Tolle zegt tegen de vrouw: ‘Besef je dat je een keer afstand moet doen van die ring, misschien al heel snel? Hoeveel tijd heb je nodig voor je zover bent dat je er afstand van kunt doen? Word je er minder van als je er afstand van doet? Is wie je bent minder geworden van het verlies?’ Na de laatste vraag was het een paar minuten stil’. Wat hier ontbreekt is de juiste compassie met de vermeende daderes van de diefstal. Het ergste wat hier gebeurt is de schade die de diefstal van de ring te weeg brengt. Daarom is diefstal een kwaad, een zonde. Diefstal is de overtreding van een gebod van God dat verwijdering teweeg brengt. Verwijdering allereerst tussen God en mens en daardoor ook verwijdering tussen mensen onderling. Diefstal brengt schade toe aan de ziel van de vermeende daderes. Dáár had de zieke vrouw over in moeten zitten. ‘Onthechting’ moet hier volgens Tolle de oplossing brengen. We zijn het daarmee niet eens. Echte ‘onthechting’ is kwaad noemen wat kwaad is en vervolgens de daderes kunnen vergeven, juist omdat God ook aan deze doodzieke vrouw vergeving wil schenken. Het kwade dient door het goede bestreden te worden. Alleen God kan dat geven. Tolle geeft er echter een andere draai aan en daarmee doet hij de woorden die hij van Jezus citeert geweld aan. Tolle schrijft nl.: ’Telkens als je een verlies helemaal aanvaardt, laat je het ego achter je en dan komt wie je bent, het Ik Ben dat bewustzijn zelf is, te voorschijn.’ Ze zei: ‘Nu begrijp ik iets dat Jezus zei en dat ik nooit heb begrepen: “Wil iemand … uw hemd nemen, laat hem ook uw mantel.”’ (Mat. 5:40 en Luc. 6:29) ‘Dat klopt’, zei ik. ‘Het betekent niet dat je de deur niet op slot moet doen. Het betekent alleen maar dat dingen loslaten soms veel krachtiger is dan je verdedigen of je ergens aan vastklampen.’ Als we echter nader kijken naar het verband waarin Jezus deze woorden gebruikt in Mat. 5 en Lucas 6, dan blijkt dat het daar helemaal niet gaat om ‘loslaten’, je ‘verdedigen’ of je ergens aan ‘vastklampen’ zoals Tolle suggereert. Het gaat Jezus daar om het stellen van een goede daad tegenover een slechte daad van je naaste. In die passages wordt van een volgeling van Jezus gevraagd om meer te doen en verder te gaan dan wat redelijkerwijs van je mag worden gevraagd. Dus zegt Jezus: geen oog om oog en tand om tand (Mat 5:38); je moet je niet verzetten tegen wie kwaad doet, slaat iemand je op de rechterwang, keer hem ook je linkerwang toe (Mat. 5:39). Als iemand in een proces je onderkleed (hemd) van je wil afnemen, geef hem dan ook je bovenkleed (mantel). De boodschap van Jezus is: overwin het kwade door het goede (Rom. 12.21). Het gaat in deze woorden van Jezus dus helemaal niet om wat Tolle ‘Onthechting’ noemt. Hier wreekt zich weer dat Tolle geen absolute scheiding en onderscheiding erkent tussen goed en kwaad. Jezus gaat van die absolute scheiding tussen goed en kwaad echter wèl uit. Tolle echter niet en daarmee gaat hij zich hopeloos verstrikken en tegenspreken. Tolle gaat hier behoorlijk door de mand vallen. We kunnen dit aantonen. Want in het eerste hoofdstuk is Tolle ronduit negatief over de werking van het menselijke ego. Hij kwalificeert het ego daar nog als ‘een pathologische geneigdheid om te moorden en om extreem geweld en wreedheid in te zetten tegen zijn vermeende ‘vijanden’. Nu, in dit hoofdstuk is hij ineens een stuk positiever over het ego wanneer hij schrijft: ‘Is het dan verkeerd om trots te zijn op je bezit of boos te zijn op mensen die meer hebben dan jij? Helemaal niet. Dat gevoel van trots, van je moeten onderscheiden, de schijnbare versterking van je zelf door ‘meer dan’ en vermindering door ‘minder dan’ is niet goed en niet verkeerd – het is het ego. Het ego is niet verkeerd; het is gewoon onbewust. Als je het ego in jezelf waarneemt, begin je er los van te komen. Neem het ego niet te serieus. Als je egoïsch gedrag bij jezelf bespeurt, lach er dan een beetje om. Soms kun je er zelfs hard om lachen. Hoe kan het dat de mensheid zich hier zo lang door heeft laten beetnemen? Wees je er vooral van bewust dat het ego niet persoonlijk is. Het is niet wie je bent. Als je het ego beschouwt als je persoonlijke probleem, is dat gewoon meer ego’. Het ego van de mens is bij Tolle nu ineens niet slecht meer maar hij noemt het ego hier niet goed en niet slecht, je zou kunnen zeggen dat Tolle het ego van de mens neutraal noemt. Anders gezegd: de pathologische moordenaar van hoofdstuk 1 is in hoofdstuk 2 weliswaar niet goed, maar ook niet slecht. Als Tolle dan vervolgens de vraag stelt: ‘Is het dan verkeerd om trots te zijn op je bezit of boos te zijn op mensen die meer hebben dan jij? Dan antwoordt Tolle: ‘Helemaal niet’. Dat antwoord van Tolle verbijstert me. Hoezo niet verkeerd? Weet Tolle nu ineens niet meer hoeveel de trots van de mens, zijn afgunst, zijn haat, hoeveel dat kapot maakt in deze wereld? Hoogmoed, trots, afgunst, haat en nijd zijn ronduit slechte dingen. Je kunt niet zeggen, zoals Tolle doet, dat deze dingen niet goed en niet slecht zijn. Om het kwaad moet je maar een beetje lachen, soms hard lachen, vindt Tolle. Je moet het ego en zijn kwade praktijken volgens Tolle maar niet te serieus nemen. Elders in dit hoofdstuk noemt Tolle dit ‘de lach van geestelijke gezondheid, de lach van de Boeddha’s met de dikke buiken. ‘Het leven is niet zo ernstig als mijn verstand het wil laten lijken.’. Volgens Tolle zijn de kwade praktijken van het menselijke ego zo slecht nog niet. Vervolgens zegt Tolle: ‘Sommige ego’s weten wat ze willen en streven dat doel na met grimmige en meedogenloze vastberadenheid – Djengis Khan, Stalin, Hitler, om maar een paar uitschieters te noemen’. Als bijv. Hitler het advies van Tolle serieus genomen had, dan had Hitler maar een beetje moeten lachen om zijn ego. Zo van: ‘6 miljoen joden vermoorden, ach neem het niet zo serieus allemaal. Het is alleen maar het onbewuste ego (het pijn lichaam) van Hitler die dat gedaan heeft’. De lezer zal begrijpen hoe absurd zo’n gedachte is. Want heeft Tolle wel gedacht aan de slachtoffers van al die misdaden? Moeten die er ook maar een beetje om lachen? Moet de rechter er ook om lachen?
Tolle wil feitelijk de mens van zijn verantwoordelijkheid voor zijn misdaden ontslaan. Dat wordt door Tolle bevestigd door een citaat uit Hoofdstuk 6. Wat Tolle hier het ‘ego’ noemt, heet daar het ‘pijn lichaam’’. Tolle zegt dan: ‘Veel gewelddaden worden bedreven door ‘gewone’ mensen die tijdelijk in maniakken veranderen. Overal op aarde hoor je de advocaten van de gedaagden zeggen: ‘Dit past helemaal niet bij het karakter van mijn cliënt’, en de gedaagde zegt: ‘Ik wist niet wat er over me kwam.’ Voor zover ik weet is het nog niet voorgekomen – maar daar kan snel verandering in komen – dat een advocaat tegen de rechter zegt: ‘Dit is een geval van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Het pijnlichaam van mijn cliënt was actief en hij wist niet wat hij deed. Hij dééd het ook niet. Zijn pijnlichaam heeft het gedaan.’ Betekent dit dat mensen niet verantwoordelijk zijn voor wat ze doen als ze in de macht zijn van het pijnlichaam? Mijn antwoord is: hoe zou dat kunnen? Hoe kun je verantwoordelijk zijn als je onbewust bent, als je niet weet wat je doet?’. Als je nadenkt over wat Tolle hier schrijft, dan denk je: waar blijft recht en gerechtigheid? Toen de mens in opstand kwam tegen God, deed hij dat met zijn volle bewust zijn. God riep de gevallen mens tot verantwoording: ?’(Gen. 3:9). We zijn er vast van overtuigd dat dit hele denksysteem van Tolle – zijn scheiding tussen het bewuste en onbewuste in de mens- op drijfzand berust. Dit denksysteem van Tolle tast het recht en de gerechtigheid aan. Het is maatschappelijk gezien ook nog gevaarlijk, want het tast de fundamenten van de rechtstaat aan. Maar waarom predikt Tolle het dan? We denken dat het antwoord is: ‘to make you feel better’. Maar het helpt niet. Dit middel is veel erger dan de kwaal.
Al vast reageren? Klik dan op onderstaande knop 'reacties'. Wordt vervolgd........ 

'Een Nieuwe Aarde' een boek van Eckhart Tolle - recensie Hoofdstuk 1.

images6MZ4R6N5.jpg

We beginnen met de bespreking van het eerste hoofdstuk van het boek van Eckhart Tolle: ‘Een nieuwe aarde’. Als ik uit het boek citeer zal ik dat steeds in schuine druk doen. Wil ik binnen een citaat zelf ergens de nadruk op leggen dan zal ik dat woord of de woorden onderstrepen.
De titel van het eerste hoofdstuk is: ‘De bloei van het menselijke bewustzijn’. Tolle gaat meteen recht op zijn doel af: ontwaking van de mens door bewustzijn. Zijn vertrekpunt is 114 miljoen jaar geleden toen de allereerste bloem op aarde open ging. Het valt direct op dat de Schepper van zo iets wonderbaarlijks schoons als een bloem buiten beeld blijft. De geëvolueerde bloem is er,zonder enige nadere verklaring, eensklaps en van een persoonlijk Schepper is geen sprake, hier niet en nergens in het boek. Tolle zegt dan over die bloem: ‘Het zien van schoonheid in een bloem kan mensen, al is het maar even, openstellen voor de schoonheid die een wezenlijk onderdeel is van hun diepste wezen, hun ware natuur. De eerste herkenning van schoonheid was een van de belangrijkste gebeurtenissen in de evolutie van het bewustzijn van de mens. De gevoelens van vreugde en liefde zijn intrinsiek met die herkenning verbonden. Zonder dat we het beseften werden bloemen voor ons een uiting in vorm van wat het hoogst, het heiligst en uiteindelijk het vormloze in onszelf is’. Tolle zeg hier dat er in die bloem een schoonheid zichtbaar is die bij het diepste wezen van die bloem hoort. Toen de mens die schoonheid ging herkennen gebeurde er volgens Tolle iets heel belangrijks in de evolutie van het bewustzijn van de mens. Zonder dat de mens het besefte kwam er een verbinding tot stand tussen de schoonheid in die bloem en de schoonheid die in de mens zelf zit. Een verbinding van het hoogste en het heiligste, dat zowel in de bloem als in de mens aanwezig is. Hier zien we de eerste aanduiding van Tolle dat het allerheiligste, het goddelijke in de mens zelf zit. Dat goddelijke in de mens heet het ‘vormloze onszelf’ en in het vervolg ‘Het Bewustzijn’. Dat vormloze, niet stoffelijke ‘Zijn’, daar gaat het Tolle om.
Hoe kan de mens hiermee in contact komen?. Dat omschrijft Tolle als volgt: ‘Als mensen een bepaalde mate van Tegenwoordigheid, van stille en alerte aandacht in hun waarneming hebben bereikt, kunnen ze de goddelijke levensessentie, het ene inwonende bewustzijn of de geest in elk schepsel, elke levensvorm, voelen en dat herkennen als iets dat één is met hun eigen essentie en het dus liefhebben zoals zichzelf’. De vragen die in dit citaat beantwoord worden zijn deze: hoe herken je als mens dat je in je diepste wezen zelf god bent?. Hoe herken je dat je die ‘goddelijke levensessentie’ met alle schepselen en geesten deelt? Om dit te kunnen herkennen moet je volgens Tolle een bepaalde mate van ‘Tegenwoordigheid’ hebben bereikt in je waarneming. ‘The power of Now’ klinkt hier door. Je moet dan volgens Tolle het denken uitschakelen en je concentreren op wat je ‘Nu’ waarneemt. Langs deze weg van stilte en alertheid volgt een samensmelting van het vormloze goddelijke in het object dat je waarneemt en het goddelijke vormloze in jezelf. Zo wordt bij Tolle bewaarheid wat de bekende dichter Willem Kloos (1859-1938) al in zijn sonnet schreef: ‘Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten, en zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon’. Ik moest hier even terug denken aan de zondeval van de mens in de hof van Eden. Die wordt beschreven in Genesis 3. God had tegen de mens gezegd dat ze van de vrucht van die ene boom niet mochten eten, anders zouden ze sterven (Genesis 3:3). De slang – de duivel antwoordde: ‘Jullie zullen helemaal niet sterven, integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad’. (Genesis 3:4,5). Nu was deze uitspraak van de slang natuurlijk een leugen maar het tekent wel de diepste begeerte die in ieder mens schuilt: worden als God. Die oerzonde van de mens - de begeerte om aan God gelijk te worden - tekent de Bijbel als een weg die naar de dood voert.
Onder het kopje ‘Het doel van dit boek’ gaat Tolle nu verder spreken over de mogelijkheid van wat hij noemt de ‘transformatie van het bewustzijn’. Kunnen mensen afkomen van hun ‘geconditioneerde denkpatronen’? Tolle schrijft dan: ‘Kunnen ze de aantrekkingskracht van het materialisme en de stoffelijkheid weerstaan en uitstijgen boven de identificatie met vorm die het ego in stand houdt en hen veroordeelt tot gevangenschap in hun eigen persoonlijkheid? De mogelijkheid van een dergelijke transformatie is de centrale boodschap van de grote wijsheid tradities van de mensheid. De boodschappers – Boeddha, Jezus, en anderen, niet allemaal bekend – waren de eerste bloemen van de mensheid. Ze waren voorlopers, zeldzame en kostbare wezens’. Verder op in het hoofdstuk geeft Tolle aan wat die ‘transformatie' inhoudt. Hij schrijft dan: ‘Binnen het hindoeïsme (en soms ook binnen het boeddhisme) wordt die transformatie aangeduid met verlichting. In het onderricht van Jezus heet het verlossing en in het boeddhisme is het het einde van het lijden. Bevrijding en ontwaken zijn andere termen waarmee deze transformatie wordt aangeduid’. Verlichting betekent hier bij Tolle dat we los moeten komen van de gebondenheid aan materiele, stoffelijke, zaken want die voeden alleen maar het menselijke ego. Door verlichting – het ontsteken van de goddelijke vonk in onszelf - ontstaat een nieuw bewustzijn waardoor we met andere ogen naar ons ego en naar de wereld om ons heen gaan kijken en daarnaar gaan handelen. Wat nu in deze citaten opvalt is allereerst dat volgens Tolle deze transformatie, deze verlichting, de centrale boodschap is van de grote wijsheid tradities van de mensheid. Bij deze tradities heeft Tolle kennelijk vooral het oog op het Hindoeïsme, het Boeddhisme en het Christendom, want deze noemt hij expliciet. Hij gaat er voetstoots van uit dat de centrale boodschap van het Hindoesisme, het Boeddhisme en het Christendom dezelfde is. Boeddha en Jezus (en anderen) worden in één adem genoemd en staan op gelijke voet. Met die ‘Transformatie’ wordt volgens Tolle in die godsdiensten hetzelfde bedoeld, alleen gebruikt men in die godsdiensten verschillende woorden om deze aan te duiden. Bij ‘verlichting’, ‘verlossing’ en ‘einde van het lijden’ zou het om dezelfde zaak gaan. Als we echter in de Bijbel gaan kijken wat ‘verlossing’ betekent komen we bij iets totaal anders uit. In het woord ‘verlossing’ zit het woord ‘lossen’ . ‘Lossen’ is in het Oude Testament voor een familielid financieel in de bres springen. Wanneer iemand gedwongen wordt om zijn land te verkopen kan een naaste bloedverwant als ‘losser’ optreden en het stuk land terug kopen voor zijn familielid. ‘Verlossen’ is dus eigenlijk ‘los kopen’. Jezus is ook zo’n ‘verlosser’. Sterker nog : Hij is ‘Dé Verlosser’. Dat zegt Hijzelf ook van zichzelf in Mattheüs 20:28: ‘zoals de Mensenzoon (met ‘Mensenzoon bedoelt Hij zichzelf) niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen’. Jezus is onze verlosser en Hij koopt ons vrij door Zij eigen leven te geven in onze plaats. Door aan God gelijk te willen zijn hadden wij onze ziel aan de duivel verkocht en Jezus koopt ons nu vrij door in onze plaats te sterven en ons het oorspronkelijke leven terug te geven. Dat is wat ‘verlossing’ betekent. ‘Verlossing’ is dus totaal iets anders dan ‘verlichting’ en Jezus en Boeddha zijn op dit punt totaal niet ‘compatible’ zoals Tolle ons wil laten geloven.
Verder op schrijft Tolle: ‘Een essentieel onderdeel van het ontwaken is het herkennen van het niet-ontwaakte ik, het ego dat denkt, spreekt en handelt, maar ook de herkenning van het collectief geconditioneerde mentale proces dat de niet-ontwaakte toestand laat voortduren’. Even later gevolgd door: ‘Als je de onbewustheid in jezelf herkent, is wat de herkenning mogelijk maakt het ontwaken. Je kunt niet vechten tegen het ego en het gevecht winnen, net zoals je niet tegen de duisternis kunt vechten. Het licht van het bewustzijn is alles wat je nodig hebt. Jij bent dat licht’. Enerzijds heeft Tolle hier een punt. Want inderdaad, als de mens er alleen voor staat in zijn strijd tegen zijn gecorrumpeerde ego, is de situatie hopeloos. In je eentje kan je de strijd tegen de duisternis in jezelf, en de strijd tegen de duisternis in de samenleving, nooit winnen maar ben je altijd een verliezer. Maar het punt is dat Tolle die mens helemaal geen strijd laat voeren tegen het kwade. Tolle erkent nl. geen absolute tegenstelling tussen goed en kwaad waarbij het kwade door het goede bestreden dient te worden. Later in het boek zal blijken dat deze opvatting van Tolle zal leiden tot een passiviteit en lijdzaamheid in de mens, die de strijd tegen het kwade verlamt. Je hebt volgens Tolle alleen maar licht van het bewustzijn nodig en dat licht heb je in jezelf, sterker nog zegt Tolle: ‘Jij bent dat licht’. Met deze uitspraak vergoddelijkt Tolle de mens. Jezus zegt echter van zichzelf: ‘Ik ben het licht van de wereld’ (Joh. 8:12). Niet wij, zijn het licht van de wereld maar dat is alleen Jezus. Wij kunnen alleen maar 'een licht' zijn voor deze wereld als we in Zijn licht wandelen. Wij zijn van nature alleen maar duisternis in plaats van licht. Jezus heeft ons vrij gekocht uit de duisternis en nodigt ons nu uit om in Zijn licht te gaan wandelen. ‘Zonde’ is bij Tolle ‘onbewustheid’. Met deze term ‘onbewustheid’ reduceert Tolle de ernst van de zonde en daarmee wordt de mens in feite ontoerekeningsvatbaar verklaard voor de zonden die hij begaat en voor de enorme puinhoop die hij ervan maakt. Ook daar komen we later in het boek op terug. Herkennen van dat ‘onbewuste’ in de mens is wat Tolle ‘ontwaken’ noemt. In de Bijbel is dat ontwakingsproces nooit een werk van de mens zelf. Een mens kan uit zichzelf helemaal niet ontwaken. Alleen de Heilige Geest kan dat proces in de mens in werking stellen. In Joh. 16:7,8 wordt de Heilige Geest de Pleitbezorger genoemd die de wereld – de mens – bekend zal maken wat ‘zonde’ is. De Heilige Geest laat de mens ontwaken en de Heilige Geest maakt hem van de zonde in hemzelf bewust. Tegelijkertijd met dat ontwakingsproces zet de Heilige Geest ook een vernieuwingsproces in van de mens. (Kol 3:10. Efez. 4:22-24). Dat hele proces wordt bekering genoemd.
Tolle heeft gelijk wanneer hij zegt dat de grondbetekenis in het Nieuwe Testament van het woord ‘zonde’ ‘betekent dat je het doel mist, zoals een boogschutter die zijn doel mist’. ‘Zonde’ in het Nieuwe Testament is inderdaad het grote doel missen. Dat grote doel is Jezus. Als je dat doet mist door niet in Jezus te geloven (Joh. 16:9) dan bega je bij uitstek ‘zonde’.
Onder het kopje ‘Onze overgeërfde stoornis’ gaat Tolle uitleggen hoe het menselijke ego erbij staat, en dat is niet best. Tolle schrijft dan: ‘De collectieve manifestaties van de waanzin die het menselijk bestaan kenmerkt vormen het grootste deel van de geschiedenis van de mensheid. Die is tot op grote hoogte een geschiedenis van de waanzin. Als de geschiedenis een klinisch geval was van één mens, zou de diagnose als volgt moeten luiden: chronische paranoïde wanen, een pathologische geneigdheid om te moorden en om extreem geweld en wreedheid in te zetten tegen zijn vermeende ‘vijanden’ – zijn eigen onbewuste dat naar buiten geprojecteerd is. Criminele waanzin met slechts enkele heldere momenten’. Hoe raak deze typering van Tolle ook lijkt, toch mankeert er iets fundamenteels aan. De Bijbelse leer is dat de mens geneigd is om God en zijn naaste te haten. Daar ligt de bron van alle ellende op deze aarde. We hebben tegen God gekozen en zijn van Hem afgevallen en het gevolg daarvan is dat we nu ook geneigd zijn om onze naaste te haten. De mens blijft daarbij wel verantwoordelijk voor zijn daden en hij blijft daar op worden aangesproken (Gen 3:9 e.v.). Maar als je dit citaat van Tolle op je in laat werken dat typeert Tolle een mens die eerder ziek is dan schuldig. Psychisch ziek. Iemand die geplaagd wordt door ‘chronische paranoïde wanen en een pathologische geneigdheid om te moorden’ zoals Tolle schrijft, die wordt door een rechter ontoerekeningsvatbaar verklaard en naar een TBS kliniek verwezen. In de visie van Tolle klopt dit ook wel want de mens doet dit in ‘onbewuste’ toestand. De mens heeft het helemaal niet in de gaten wat hij aanricht. Hij kan er ook niets aan doen volgens Tolle, want hij is ‘onbewust’. Die ziekte noemt Tolle telkens de ‘collectieve stoornis van het menselijk verstand’. Daarmee vergoelijkt Tolle de zaak. Er is sprake van een stoornis maar die stoornis zit niet in de hele mens, in zijn totale functioneren naar lichaam en ziel, nee, deze stoornis zit alleen in zijn verstand. Die zit alleen in zijn ‘onbewuste’. Tolle doet net alsof hij de mens kan indelen in twee gescheiden compartimenten. In het ene compartiment zit het verstand van de mens. Dat is totaal gecorrumpeerd. Maar het wordt hem niet kwalijk genomen want hij is er zich niet van bewust. Vechten tegen die ‘stoornis’ heeft geen zin, want schrijft Tolle: ‘Je wordt niet goed door te proberen goed te zijn maar door de goedheid te vinden die al in je zit en die goedheid te voorschijn te laten komen’. Wanneer Tolle de mens hier aanmoedigt om ‘de goedheid te vinden die al in je zit’, dan heeft Tolle het over het tweede compartiment in de mens. Dat tweede compartiment is het ‘bewustzijn’. Dat bewustzijn laat je weten dat je ‘goed’ bent. Nee, niet alleen goed, je bent zelfs ‘goddelijk’ in dat tweede compartiment. De misdadiger die mens heet, krijgt bij Tolle een aai over de bol, alsof Tolle tegen hem zegt: ‘Het is niet best me jou gesteld, jij pathologische moordenaar. Maar ach, je kunt er ook allemaal niets aan doen, want je weet niet eens wat je doet. Maak je maar geen zorgen want zo slecht ben je nu ook weer niet. Integendeel, je bent eigenlijk harstikke goed, want er zit nog een ander goddelijke ‘ik’ in jezelf. Die zit in dat andere compartiment. Die god heet ‘bewustzijn’. Activeer dat bewustzijn nu maar en alles komt goed’. Iedereen kan begrijpen dat als een rechter zo met elke pathologische moordenaar in een proces zal omgaan en deze pathologische moordenaar ermee wegkomt onder het mom van ‘onbewustheid’, het hele rechtssysteem in duigen valt. Recht en gerechtigheid worden bij Tolle dan ook het kind van de rekening. Uiteindelijk ook de slachtoffers van alle vormen van geweld en onrecht. Dat blijkt hier en ook verder op in het boek.
Impliciet houdt ook Tolle zijn visie voor ‘oorspronkelijk’ want schrijft hij: ‘Door sommige van die mannen en vrouwen kwamen binnen alle grote godsdiensten ‘scholen’ of bewegingen tot ontwikkeling die niet alleen een herontdekking maar in sommige gevallen ook een versterking van het licht van de oorspronkelijke leer inhielden. Zo zijn de gnosis en de mystiek ontstaan in het vroege en middeleeuwse christendom, het soefisme in de islam, het chassidisme en de kabbala in het jodendom, Advaita Vedanta in het hindoeïsme en zen en dzogchen in het boeddhisme’. Wat bedoelt Tolle met de ‘oorspronkelijke leer’?
Tolle kan niet bedoelen de leer van Jezus zoals die verwoord is in het NT. De leer van Jezus staat heel ver af van de leer van de ‘gnosis’, van het gnosticisme. Het gnosticisme is een stroming die al in de eerste jaren van het christendom is ontstaan. Net zoals Tolle nu doet, legden veel gnostici de nadruk erop dat onwetendheid – niet de zonde in bijbels, orthodox christelijke zin – de oorzaak van het menselijk lijden is. Ook boeddhisten geloven dat. Precies zoals Tolle geloofden de gnostici dat de mens moet ontwaken, zich bewust moet worden van de staat waarin het menselijk ego verkeert en van de mogelijkheid om verlost, d.w.z. ‘verlicht’ te worden. God is daarbij alleen innerlijk in de mens aanwezig en is niet ergens ‘buiten’ ons. De ‘oorspronkelijke leer’ kan bij Tolle dan ook niets anders betekenen dan het oude (zen) boeddhisme. Met het onderwijs van Jezus en de apostelen heeft het m.i. weinig te maken zoals we later nog verder zullen zien.
Onder het kopje ‘De noodzaak van een transformatie’ schrijft Tolle: ‘Wat er nu opkomt is niet een nieuw geloofssysteem, een nieuwe religie, spirituele ideologie of mythologie. We bereiken het einde van niet alleen mythologieën maar ook van ideologieën en geloofssystemen’. Met ‘wat er nu opkomt’ lijkt het alsof Tolle met iets geheel nieuws komt. Maar zoals we al zagen is dit niet zo. Tolle steekt het oude (zen) boeddhisme, het gnosticisme uit de eerste eeuw, en Meister Eckhart’s middeleeuwse mysticisme, in een nieuw jasje, maakt er een cocktail van, en verklaart vervolgens dat deze cocktail op het punt staat om de oude gevestigde godsdiensten, waaronder ook het christendom, de genade slag toe te brengen. Tolle zegt: ‘Een belangrijk deel van de wereldbevolking zal binnenkort inzien – als het dat nog niet gedaan heeft – dat de mensheid nu voor een moeilijke keuze staat: veranderen of sterven’. Mijn vraag is: hoe komt Tolle aan deze wijsheid, waarop baseert hij die? Wie heeft Tolle ( al vóór 2005, hij publiceerde dit boek voor het eerst in 2005!) geopenbaard dat het met het christendom binnenkort afgelopen zal zijn en dat de wereld nu moet kiezen voor zijn visie of anders sterven? Het is waar, het christendom is hier in het Westen op zijn retour. Tegelijkertijd komen er miljoenen en miljoenen christenen bij in Afrika en Azië. Dat is geen zaak die het grote nieuws haalt, maar het gebeurt wel.
Voorts schrijft Tolle: ‘Het ego is niet meer dan dit: identificatie met vorm, wat vooral betekent: gedachtevormen. Als het kwaad al een realiteit heeft – en het heeft een relatieve maar niet absolute realiteit – is dit ook de definitie ervan: volledige identificatie met vorm – stoffelijke vormen, gedachtevormen, emotionele vormen. Dat leidt tot een totaal onbewust zijn van mijn verbondenheid met het geheel, mijn intrinsieke eenheid met elke ‘ander’ en met de Bron. Deze vergeetachtigheid is de erfzonde, lijden, waan’. Aan de hand van een paar voorbeelden zal ik proberen aan te geven wat Tolle hier m.i. bedoelt. Als ik bijv. belijd: ‘Ik geloof in een persoonlijk God die eeuwig bestaat, die de hemel en de aarde gemaakt heeft, die liefde is, die de wereld zo lief heeft – en dus ook mij - dat Hij Zijn Zoon Jezus Christus in de wereld gezonden heeft, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft’ dan is mijn belijdenis in de ogen van Tolle een ‘gedachtevorm’, waarmee ik mezelf ‘identificeer’, d.w.z. waarmee ik mijzelf ‘vereenzelvig’. Daar heeft Tolle gelijk in want deze belijdenis is het één en al voor mij, daar leef ik uit, daar identificeer ik mij inderdaad mee. Maar kan je deze identificatie van mij hiermee nu ‘het kwaad’ noemen zoals Tolle doet in bovengenoemd citaat?. Dat is toch echt onzin. Want deze belijdenis, dat geloof in Jezus, transformeert mijn hart. Door Zijn Geest ga ik steeds meer en meer een navolger van Hem worden . Dan ga ik steeds meer doen wat Hij van mij vraagt en gaat Zijn licht in mij stralen. Dan ga ik mijn naaste lief hebben en niet vergelden, als iemand mij op de rechterwang slaat, keer ik hem ook de linkerwang toe (Mat. 5:39). Dan ga ik mijn vijanden liefhebben en juist bidden voor wie mij vervolgen (Mat. 5:44). Dan is dat geloof – wat Tolle een ‘gedachtevorm’ noemt – niet ‘het kwaad’ maar juist het goede nieuws waar de wereld behoefte aan heeft. Tolle zou voor een deel gelijk hebben als ik mij zou identificeren met verkeerde dingen. Als bijv. mijn streven zou zijn om in dit leven zoveel mogelijk rijkdom, eer en aanzien voor mijzelf te vergaren. Als ik me daar mee identificeer, mijzelf overgeef aan de machten van rijkdom , eer en aanzien, dan gaan deze kwade machten mij beheersen en in dat streven dring ik steeds meer en meer mijn naaste opzij en breng ik steeds meer schade toe aan de schepping( 1 Tim. 6:6-10). Dit wil niet zeggen dat het kwaad zit in de materie op zichzelf. Maar in het verkeerde gebruik ervan. Geld is op zich niet verkeerd, het is wel verkeerd als het een macht wordt die mij beheerst. Dan wordt het ‘geldzucht’. Paulus zegt niet voor niets in 1 Tim. 6:10: ‘Want de wortel van alle kwaad is geldzucht’.
Als Tolle in bovenvermeld citaat zegt: ‘Als het kwaad al een realiteit heeft – en het heeft een relatieve maar niet absolute realiteit’ dan ontkent hij eigenlijk het bestaan van het kwaad als een macht die bestreden moeten worden. Eigenlijk gelooft Tolle niet in het kwaad, het lijkt net alsof hij wil zeggen: ‘het kwaad bestaat niet , maar als het beestje dan een naam moet hebben noem het dan maar een ‘relatief’ kwaad’. ‘Relatief’ betekent een ‘betrekkelijk’’ kwaad. Tolle moet in zijn visie de ernst van het kwaad ook wel reduceren. Immers, het kwaad hoort in zijn visie bij het menselijk ego en het denken. En dat proces vindt onbewust plaats. Het kwaad zit bij Tolle dus aan het onbewuste gekoppeld en daardoor kan je feitelijk er niet voor verantwoordelijk worden gehouden. Het kwaad verliest daardoor zijn schepte en dat heeft desastreuse gevolgen. Tolle ontkent daarmee feitelijk de absolute tegenstelling tussen goed en kwaad. In zijn visie hoef je dan ook niet meer te vechten tegen het kwaad. Later in het boek zal blijken wat hij hier precies mee bedoelt, dus we komen ook hier nog op terug.
Tenslotte nog iets over het laatste onderwerp in dit eerste hoofdstuk. Het heeft als kopje: ‘Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’. De profetie uit de Bijbel over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde is voor Tolle de inspiratiebron geweest voor de titel van het boek. Tolle komt dan met een opmerkelijke uitspraak: ‘ We moeten hier wel bedenken dat de hemel niet een plaats is, maar betrekking heeft op het innerlijke rijk van het bewustzijn. Dat is de esoterische (KDG: ‘esoterisch’ betekent ‘alleen voor ingewijden’) betekenis van het woord en die betekenis heeft het ook in de uitspraken van Jezus’. Vanuit de visie van Tolle zelf gezien is deze uitspraak logisch. Als er volgens Tolle geen persoonlijk God bestaat buiten het innerlijk, buiten het ‘bewustzijn’, van de mens om, dan is het ook logisch dat er geen echte woonplaats van die God bestaat. Want iemand die niet echt bestaat heeft ook geen echte woonplaats nodig. De ‘hemel’ als plaats, als echte woonplaats van een God die echt bestaat, bestaat volgens Tolle dan ook niet. ‘Hemel’ staat bij Tolle gelijk aan ‘innerlijk rijk van het bewustzijn’ en volgens Tolle denkt Jezus daar net zo over. Het opmerkelijke is dat Tolle geen tekstverwijzing vermeld. Dat kan Tolle ook niet want Jezus heeft nooit iets van deze strekking gezegd of bedoeld. Integendeel. Als Jezus het over ‘de hemel’ heeft dan bedoelt Hij wel degelijk primair de plaats waar God woont. Kijk alleen maar naar het gebed dat Jezus ons geleerd heeft, het ‘Onze Vader’: ‘Onze Vader die in hemel(en) zijt’. Zie ook bijv. Mat. 5:12,16, 6:1, 7:11. enz. Voorts komt het woord ‘hemel’ in de Bijbel ook vaak voor in combinatie met het woord ‘Koninkrijk’’, het ‘Koninkrijk van de hemelen’. Met het ‘Koninkrijk van de hemelen’ wordt bedoelt het onvergankelijke rijk van God. Een eeuwigdurend rijk van God, afkomstig uit de hemel en in Jezus Christus is dat Rijk op aarde gekomen maar straks op de jongste dag zal dat Rijk uit de hemel neerdalen en de gehele aarde vervullen. (Openbaring 21:1,2). Tolle gelooft trouwens helemaal niet in die toekomstige hemel want in Hoofstuk 9 zegt hij hierover : ‘De nieuwe hemel, het ontwaakte bewustzijn, is dus niet een in de toekomst te verwezenlijken toestand. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen op dit moment in je op en als ze niet op dit moment in je opkomen, zijn ze niet meer dan een gedachte in je hoofd en komen ze dus helemaal niet op’. Vanuit de visie van Tolle gezien is dit ook logisch. Er bestaat volgens hem geen God en dus bestaat er ook geen Koninkrijk van God en dat zal volgens hem ook nooit komen.
Tot zover de bespreking van het eerste Hoofdstuk van dit boek. Wilt u alvast online reageren, druk dan op onderstaande toets ‘reacties’’

 

'Een Nieuwe Aarde' een boek van Eckhart Tolle - introductie.

images6MZ4R6N5.jpg

Introductie
Van mijn goede vriend en buurman Guus van den Tweel ontving ik een poosje geleden een boek. Het is een boek dat hem persoonlijk zeer aanspreekt en waarover hij bijzonder enthousiast is. Hij is benieuwd wat mijn mening over dit boek is. Het is een boek van Eckhart Tolle. De titel van het boek is ‘Een nieuwe aarde’ met als ondertitel ‘Dé uitdaging van deze tijd’. Tolle is een van oorsprong Duitse leraar en auteur. Tolle heeft al een aantal publicaties op het gebied van spiritualiteit op zijn naam staan. Thans woont Tolle in Vancouver in Canada. De Engelse uitgave van het boek getiteld ‘A New Earth’ stond in maart 2008 nummer één op de bestseller lijst van de New-York Times. De bekendheid en de oplage van de boeken van Tolle heeft een enorme boost gekregen door de bemoeienis van de bekende Amerikaanse talkshow host Oprah Winfrey. Oprah is zeer onder de indruk van de opvattingen van Tolle. Zij beschouwt een eerdere publicatie van Tolle ‘The Power of Now’ als één van haar favoriete boeken. Oprah was zelfs zo enthousiast over ‘A New Earth’ dat zij in 2008 samen met Tolle voor dit boek een ‘live online seminar’ organiseerde. Dat seminar kende maar liefst tien afleveringen verdeeld over tien weken waarbij kijkers vanuit de gehele wereld vragen aan Tolle konden stellen naar aanleiding van dit boek.
De echte naam van Eckhart Tolle is Ulrich Leonard Tölle (Lünen, 1948) . Naar eigen zeggen ervoer Tolle op zijn 29ste een ‘spirituele transformatie’. Geen wonder dat Tolle als pseudoniem de naam ‘Eckhart’ aannam. Dit heeft alles te maken met de naam van de bekende middeleeuwse mysticus Meester Eckhart (ca 1260-1328). Deze Meester Eckhart geldt als een belangrijke, zo niet de belangrijkste, inspiratiebron voor Tolle. Neem een uitspraak van Meester Eckhart als ‘Daar bestaat geen worden maar een nu, een worden zonder worden’ uit preek 50 van Eckhart, en je herkent meteen dat Tolle deze gedachte heeft overgenomen. Dat blijkt niet alleen in dit boek van Tolle maar vooral ook in zijn eerder boek ‘The power of now’. De gedachten van Tolle (al heeft hij een hekel aan het woord ‘gedachte’) zijn daarom bepaald niet nieuw. We treffen deze gedachten al aan in het gnosticisme, in de beginfase van het christendom. Voorts zijn de gedachten van Tolle doordrenkt met denkbeelden uit oosterse religies, zoals bijv. het hindoeïsme en het (zen) boeddhisme. Dat lijkt echter niet zo. Het boek lijkt op het eerste gezicht veel meer christelijk geïnspireerd. De naam ‘Jezus’ komt maar liefst 33x voor in het boek en Bijbelse uitspraken van Jezus worden veelvuldig geciteerd. Jezus wordt vele malen meer geciteerd dan welke andere wijsheidsleraar dan ook.
Wat is nu mijn mening over dit boek? Laat ik beginnen met te zeggen dat ik blij ben dat ik dit boek heb gelezen. Ik heb er veel van geleerd. Ook boeken die door oosterse religies zijn geïnspireerd, bevatten veel wijze gedachten waar je veel van kan leren. Zo is de beschrijving die Tolle geeft van de werking van het menselijke ego (later aangeduid als het ‘pijnlichaam”) zeer trefzeker. De beschrijving van wat Tolle het ‘ego’ of ‘pijnlichaam’ noemt en wat dit ego en pijn lichaam in negatieve zin allemaal uitricht, heeft erg veel raakvlakken met de christelijke zonde leer. Alleen in de christelijke leer heet dit ‘ego’ of ‘pijnlichaam’ de ‘oude mens’. Die ‘oude mens’ wordt bestreden door de ‘nieuwe mens’. Die ‘nieuwe mens’ kan alleen door de Heilige Geest in het hart van de mens geplant worden.
Het sleutelwoord bij Tolle is: ‘Bewustzijn’. Maar liefst 265x komt dit woord ‘Bewustzijn’ in het boek voor. Bewust schrijft Tolle dit woord ‘Bewustzijn’ met een hoofdletter. Het woord ‘Bewustzijn’ krijgt bij Tolle daardoor een haast goddelijke status, net zoals wij  de namen van God met een hoofdletter of zelfs met alleen hoofdletters aanduiden. Bewustwording speelt dus bij Tolle een sleutelrol. Het ‘Bewustzijn’ moet ontwaken in de mens en als dit bewustzijn eenmaal ontwaakt is, dan is dit bewustzijn in staat om het ego en het pijnlichaam van de mens te gaan sturen en omvormen, zodat er een ander mens, zodat er een nieuwe mens en een nieuwe mensheid ontstaat, op een ‘nieuwe aarde’. Dat het ego van de mens en het pijnlichaam totaal verdorven en gecorrumpeerd is, daarover hebben we met Tolle geen verschil van mening. Waar we wel verschil van mening over hebben is het feit dat deze ‘Bewustwording’ waar Tolle het over heeft ten diepste een ‘Bewustwording’ is die volgens Tolle uit de mens zelf voortkomt. Bij Tolle repareert de mens door Bewustwording’ uiteindelijk zichzelf en komt hij op eigen kracht uit de problemen. Wat Tolle propageert lijkt op een patiënt die bij de dokter komt. De patiënt heeft een dodelijke ziekte. Als er niets aan gedaan wordt, sterft de patiënt binnen afzienbare tijd. Maar gelukkig, er zijn externe medicijnen ter beschikking die de patiënt kunnen genezen. Maar wat doet de dokter? Hij geeft deze externe medicijnen niet aan deze patiënt. De dokter zegt tegen hem: ‘Je hebt dat externe medicijn niet nodig, je hebt het medicijn in jezelf! Alleen je moet jezelf ervan ‘bewust’ worden’ dat je het zelf kunt oplossen’. Het resultaat is helaas dat als de patiënt het advies van de dokter opvolgt, hij zal sterven!. Want wat Tolle denkt dat die mens in zichzelf heeft, nl. een bewustzijn dat die mens zelf kan activeren en waardoor hij zichzelf, zijn ego, zijn pijnlichaam, kan corrigeren en genezen, dat heeft die mens nl. niet. Dat is nu juist het probleem. Ook dat ‘Bewustzijn’ is nl. volledig verdorven en gecorrumpeerd. Het middel dat de dokter voorschrijft is erger dan de kwaal. De mens is er nog veel slechter aan toe dan Tolle wil toegeven. De mens is naar lichaam en ziel, in onbewust en in bewustzijn volledig verdorven. Hij heeft dringend hulp nodig die alleen God hem kan bieden. Dat is dat externe medicijn waar ik het zojuist over had. Maar dat is nu juist het probleem voor de mens. De mens is er totaal niet toe genegen om toe te geven dat hij hulp nodig heeft en dat die hulp van God moet komen. Uit zichzelf zoekt de mens altijd redding in zichzelf. Helaas doet Tolle dat ook. Dat is de mens nog nooit gelukt en ook Tolle niet. Heb ik als mens dan geen ‘Bewustzijn’ nodig. Ja zeker wel!. Maar dat ‘Bewustzijn’ wordt alleen op de juiste wijze geactiveerd als God de Heilige Geest in het hart van de mens komt. De Geest maakt de mens er dan van ‘bewust’ hoe belabberd hij erbij staat en wat hij echt nodig heeft: redding door de liefde van Jezus.
Er is dan nog iets wat ik heel erg gemist heb in het boek van Tolle. Dat is de afwezigheid van een persoonlijk God. Een persoonlijk God die een relatie met je aan gaat. Bij Tolle is God hooguit een onpersoonlijke, universele, kracht die Tolle ‘Bewustzijn’ noemt. Maar een persoonlijk God, een Vader die met je mee gaat door het leven, die ontbreekt. Een God bij wie je, te midden van alle ellende en pijn en verdriet die je meemaakt, troost kunt vinden en kunt schuilen, die ontbreekt. Ieder mens heeft behoefte aan die geborgenheid. Een plaats waar je kunt uithuilen. Een plaats waar je pure onvoorwaardelijke liefde, veiligheid en geborgenheid voelt en ervaart zoals een peuter die troost vindt in de schoot van zijn moeder.
Ik besef dat ik nu veel meer gezegd heb dan dat ik heb bewezen uit het boek van Tolle. Ik heb me daarom voorgenomen om e.e.a. verder uit te werken. Over elk van de negen hoofdstukken van het boek van Tolle zal ik D.V. een weblogartikel schrijven waarin ik meer gedetailleerd zal ingaan op de opvattingen van Tolle. Door een verhandeling te schrijven per hoofdstuk zal ik er niet aan ontkomen soms zaken te moeten herhalen, dit omdat bepaalde grondgedachten van Tolle in een wat andere vorm vaker voorkomen in zijn boek. De lezer duide mij dit niet euvel. Wordt vervolgd………
Je kunt alvast reageren op dit artikel door op onderstaande toets 'reacties'te drukken. Schrijf gerust een reactie, dan kunnen anderen ook online meelezen.

 

Byung Chul Han’s ‘Psychopolitiek’ – ‘neoliberalisme en de nieuwe machtstechnieken’

IMG_20150818_0001.jpg

Van mijn zeer gewaardeerde buurman Hien The kreeg ik onlangs een boekje aangeboden ter recensie. De titel van het boek luidt: ‘Psychopolitiek’ met als ondertitel: ‘Neoliberalisme en de nieuwe machtstechnieken’ geschreven door de Duitse filosoof Byung Chul Han. Een uiterst interessant boekje moet ik zeggen. Han komt in verweer tegen deze nieuwe machtstechnieken van het neoliberalisme. De argumenten die hij voor zijn verweer gebruikt lijken –zonder dat hij dit waarschijnlijk bedoeld heeft - dicht in de buurt te komen van de christelijke (Bijbelse) argumenten tegen deze machtstechnieken. Of dit werkelijk ook zo is, bespreken we verderop.
Voor de iets minder filosofisch geschoolde lezer leest het boekje wat moeilijk. Veel filosofisch jargon wordt als bekend verondersteld. Een paar van die filosofische termen wil ik eerst toelichten. Wat verstaan we onder ‘neoliberalisme’?
Neoliberalisme
is een term die sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw wordt gebruikt om het – vooral in het westen – toegepaste economisch kapitalistisch systeem aan te duiden. Dit economisch beleid wordt gekenmerkt door een politiek van ‘laissez-faire’. ‘Laissez-faire’ betekent dat in de maatschappij de economische krachten hun vrije loop gelaten worden. Voorts wordt deze politiek gekenmerkt door een hoge mate van privatisering, een terugtreden van de overheid uit de private sector en een vermindering van overheidsuitgaven.
‘Biopolitiek’ bevat het woord ‘bio’ dat voor ‘leven’ staat. Biopolitiek (een term afkomstig van de filosoof Michel Foucault) staat voor een politiek systeem waarin biomacht wordt uitgeoefend. Het biologisch leven van mensen staat hierin centraal en men probeert het leven van de mens door dit economisch en politiek systeem te beïnvloeden en te manipuleren. ‘Psychopolitiek’ daarentegen gaat veel verder dan de biopolitiek en tracht niet alleen het lichaam, de bios, te sturen en te manipuleren maar ook de psyche van de mens. De psychopolitiek gebruikt hiervoor de moderne massa communicatiemiddelen die het digitale tijdperk ons oplevert.
Maar goed, ik loop eerst even door het boekje heen en plaats hier en daar wat aantekeningen.
Alles staat vandaag de dag in het teken van het presteren. Als je niet presteert tel je niet mee in de maatschappij. Han schrijft (pag.10) dat het prestatiesubject denkt dat hij vrij is. Maar niets is minder waar, in werkelijkheid is hij een slaaf. Dat blijkt volgens Han uit de tegenwoordig veelvuldig voorkomende psychische aandoeningen zoals depressies en burn-outs. Het zijn allemaal signalen dat er een diepe crisis van de vrijheid is en dat zogenaamde vrijheid veelvuldig omslaat in dwang. Han schrijft: ‘Vrij zijn betekent echter van oorsprong bij vrienden zijn. De woorden vrijheid en vriend hebben in het Indo- Germaans dezelfde wortel. Vrijheid is strikt genomen een betrekkingswoord. Je voelt je pas echt vrij in een succesvolle relatie, in een gelukkig makend samenzijn met anderen. De totale afzondering waartoe het neoliberale regime leidt maakt ons niet echt vrij’. Op zich klopt het wel wat Han schrijft maar toch zou Han hier meer moeten zeggen. Wil het ooit tot echte vrijheid komen dan kan die vrijheid m.i. nooit zonder ‘waarheid’ bestaan. Jezus zegt in Joh. 8:32 tegen zijn leerlingen: ‘U zult de waarheid kennen en de waarheid zal u bevrijden’. ‘Waarheid’ betekent weten hoe belabberd je er als mens en als mensheid bijstaat. Je moet weten hoe diep je gevallen bent en dat je daarom hulp van boven nodig hebt en dat alleen Jezus je die hulp kan bieden. Alleen als je tot die erkenning van die waarheid komt, dan is er echte vrijheid in zicht. Ik moest daarbij denken aan een regel uit een lied van Bob Dylan (‘Jokerman’ 1983): ‘Freedom just around the corner for you, but with truth so far off, what good will it do?’. Aan de andere kant, met wat Han op pag. 15 schrijft ben ik het bijna eens. Han schrijft daar:Willen we echt vrij zijn? Hebben we God niet uitgevonden om maar niet vrij hoeven te zijn? Tegenover God zijn we allemaal schuldig. Maar de schuld vernietigt de vrijheid. Als we schulden vrij zijn, moeten we echt handelen'. Misschien gaan we permanent schulden aan opdat we niet hoeven te handelen. dat wil zeggen niet vrij niet verantwoordelijk hoeven te zijn'. Echter, als Han i.p.v. te schrijven ‘Hebben we God niet uitgevonden om maar niet vrij hoeven te zijn’ had geschreven: ‘Hebben wij God niet terzijde geschoven, van ons af geworpen, om maar niet vrij te hoeven zijn’, dan zou ik het volledig met hem eens geweest zijn.
Han Hekelt het moderne fenomeen ‘Big Data’ en deelt hierbij rake klappen uit. De rol van ‘Big Data’ neemt alsmaar toe. De hoeveelheid data die wordt opgeslagen reist tegenwoordig de pan uit. Dit veroorzaakt de consument deels zelf omdat steeds meer bestanden, zoals foto’s en films (op o.a. Facebook en You Tube) opgeslagen worden. Er zijn echter ook steeds meer apparaten die zelf data verzamelen, opslaan en uitwisselen. Deze data bevatten een schat aan informatie die voor allerlei doeleinden (vooral marketing) gebruikt kan worden, vandaar de term ‘Big Data’.
Han ziet hierin terecht een groot gevaar want schrijft hij op Pag. 19: ‘Big Data kondigt het einde aan van de persoon en de vrije wil. Devoot betekent onderdanig. De smartphone is een soort devotionalium, sterker: het devotionalium van het digitale bij uitstek. “Like” is het digitale amen. Terwijl we like aanklikken, onderwerpen we ons aan de machtscontext. De smartphone is niet alleen een effectief toezicht apparaat, maar ook een mobiele biechtstoel. Facebook is de Kerk, de mondiale synagoge van het digitale’. Big Data maakt prognoses over het menselijk gedrag mogelijk. Het geraffineerde ervan is dat ‘Big Data’ dit niet doet tegen de wil van de mens in maar juist met diens toestemming'. Han schrijft dan ook op pag. 22: ‘De gewiekste, vriendelijke macht opereert niet frontaal tegen de wil van de onderworpen subjecten in, maar stuurt hun wil in hun voordeel. Ze zegt eerder ja dan nee, ze is eerder verleidend dan onderdrukkend. Ze verleidt in plaats van te gebieden. Ze spoort ons aan permanten mee te delen, te delen, deel te nemen, onze meningen, behoeften wensen en voorliefdes te communiceren en over ons leven te vertellen’. Dat alles in de naam van de .g. transparantie.
Maar Big Data gaat nog veel verder, want op Pag. 29 schrijft Han: ’Uit Big Data kun je niet alleen het individuele maar ook het collectieve psychogram, zo mogelijk het psychogram van het onbewuste opstellen. Daardoor zou het mogelijk zijn de psyche tot in het onbewuste te belichten en uit te buiten’.
Dat gebeurt dan ook want de neoliberale psychopolitiek legt volledig beslag op de technologie van het zelf.. Het ‘zelf’ moet voortdurend geoptimaliseerd worden. Als paddenstoelen schieten ze dan ook uit de grond: de zelfmanagementworkshops, motivatieweekeinden, persoonlijkheidsseminars, mentale trainingen enz,. met slechts één doel: een grenzeloze zelfoptimalisering en efficiëntie verhoging. Alle blokkades, zwaktes en fouten die dit proces in de weg staan moeten door therapieën opgeruimd worden. Han heeft gelijk wanneer hij op pag. 38 schrijft dat deze neoliberale zelfoptimalisering fanatieke, ja zelfs religieuze trekken vertoont. Omdat ik zelf protestant ben, triggert mij wat Han schrijft op pagina 38: “Het eindeloze werk aan het ik lijkt op de protestantse zelfbespiegeling en protestants zelfonderzoek, die op hun beurt een subjectiverings en machsttechniek vormen. In plaats van zonden wordt er nu naar negatieve gedachten gespeurd. Het ik worstelt opnieuw met zichzelf als met een vijand”. Han miskent hier- waarschijnlijk onbedoeld- het werk van de Heilige Geest in de gelovige. De Heilige Geest brengt mijn zonden en tekorten voor mijn bewustzijn. Hij doet dat niet om mij te onderdrukken en mij opnieuw weer te onderwerpen aan een machtstechniek zoals Han schrijft, maar om mijn binnenste te vernieuwen en mij (mijn ego) te bevrijden van allerlei vormen van slavernij waaraan we van nature allemaal vastgeklonken zitten. Hij wijst mij zodoende de weg naar de echte vrijheid. Want dat is nu juist het grote verschil met de neoliberale psychopolitiek. Deze politiek verandert niet het hart van de mens. Integendeel, onder het mom van vrijheid en transparantie wordt het menselijk lichaam en de menselijke ziel tot een totale slavernij gebracht. Maar de Heilige Geest bevrijdt mij wél, door Zijn kracht wordt mijn hart nu zo veranderd dat ik nu ook het goede wil doen.
Han heeft overigens wel gelijk wanneer hij op pag. 62 schrift: ‘Het dataïsme is als filosofie in opmars en treedt op met de nadrukkelijkheid van een tweede verlichting’ en op pagina 63: ‘Transparantie is de leuze van de tweede verlichting. De imperatief van de tweede Verlichting luidt: alles moet data en informatie worden. Het dataïsme dat gelooft elke ideologie achter zich te kunnen laten is zelf een ideologie. Het leidt tot een digitaal totalitarisme. Wat dan ook nodig is, is een derde Verlichting , die ons duidelijk maakt dat de digitale verlichting omslaat in slavernij’. Die verslaving aan informatie waar Han het over heeft is overal zichtbaar als je goed om je heen kijkt. Let bijv. eens op, als leerlingen van het voortgezet onderwijs s ’middags de school verlaten en naar huis fietsen. Hun blik is niet gericht op het verkeer maar strak gericht op hun mobieltje. Om maar niets te hoeven missen. Die verslaving aan informatie gaat de hele dag door en tot vaak diep in de nacht. Veel tieners hebben psychiatrische hulp nodig om van hun internet verslaving af te komen.
Maar het gaat nog veel verder. Han noemt dit op pagina 65: ‘self knowledge through numbers’. Hierbij wordt het lichaam voorzien van allerlei sensoren die automatisch data registreren. Gemeten wordt: lichaamstemperatuur, bloedsuikerwaarden, calorietoevoer, calorieverbruik, bewegingsprofielen of percentages vet van een lichaam. Han (pag. 65) concludeert: “Zodoende lijkt zelf-tracking steeds meer op zelf toezicht. Het huidige subject is een ondernemer die zichzelf uitbuit. Elke klik, elk zoekbegrip wordt opgeslagen, geobserveerd en geregistreerd. Gecontroleerd worden we door de dingen die we elke dag gebruiken”. De praktijken van Orwell’s ‘Big Brother’ verbleken daarbij. ‘Big Brother’ kon nog wel eens iets vergeten, maar ‘Big Data’ vergeet werkelijk niets. Han noteert (pag. 69) dat het databedrijf Acxiom handelt in persoonlijke data va ongeveer de 300 miljoen VS-burgers, dus bijna van de hele Amerikaanse bevolking. Acxiom schijnt inmiddels meer te weten over de burgers dan de FBI. Er ontstaat volgens Han door deze praktijken een nieuwe maatschappelijke tweedeling, een nieuwe digitale klassenmaatschappij. Mensen met een lage economische waarde worden bestempeld als ‘waste’,als vuilnis. Consumenten met hogere marktwaarde zijn ondergebracht in de rubriek: ‘shooting star’. Op die mensen richt de commercie zich. Zo ontstaat (pag. 70) naast een ‘panopticum’ (‘Big Data’ is het ‘panopticum’ dat alles ziet en registreert) nu ook een ‘banopticum’, een totale uitsluiting, met als resultaat dat mensen met een slechte score met één druk op de knop in de ‘ban’ worden gedaan en bijv. worden uitgesloten van kredieten. Wellicht zonder dat Han en de moderne beleidsmakers het beseffen, kan op deze manier zo maar werkelijkheid worden wat we in de Bijbel lezen in Openbaring 13:16,17. We lezen daar dat in de eindtijd alleen die mensen nog bevoegd zijn om te kopen en verkopen als zij de naam van het Beest of zijn getal 666 als merkteken op hun voorhoofd of rechterhand getatoeëerd hebben.
Han maakt het duidelijk dat de eerste Verlichting (met de opkomst van de statistische methode) het ware geluk voor de mensheid niet heeft kunnen brengen. De huidige -tweede Verlichting –de neoliberale digitale revolutie- is daar al evenmin toe in staat. Sterker nog, door de totale controle van deze nieuwe revolutie over zowel het menselijk lichaam als de menselijke ziel, door deze psychopolitiek is de mens meer dan ooit een slaaf van zichzelf geworden.
Han laat er in dit boek geen gras over groeien. Han gaat te keer tegen het hedendaags positivisme.
Maar wat is er nu volgens Han fundamenteel verkeerd gegaan? Hoe heeft het zover kunnen komen? Volgens Han is dat het gebrek aan ‘geest’. We leven in een wereld waarin elke verticale spanning ontbreekt. Han verwoordt dit op pagina 73 zo: ‘ Big Data is puur optellend en komt nooit tot een gevolgtrekking of tot een afsluiting. Zonder geest vervalt de wereld in louter optellingen. De totale data kennis is een absolute niet-kennis op het nulpunt van de geest. Totale versnelling vindt plaats in een wereld waarin alles optelling is geworden en elke vertellende spanning, elke verticale spanning verloren is gegaan’. Het lijkt alsof Han met de uitdrukking ‘verticale spanning’ wil zeggen dat er meer is tussen hemel en aarde dan we kunnen zien en waarnemen. De puur materiele weg loopt kennelijk telkens weer dood en zonder erkenning van de spirituele dimensie komen we geen stap verder, integendeel, we zinken steeds verder weg in het moeras. Wat zet Han daar nu tegenover? Han wijst dan op de weg van het z.g. ‘idiotisme’. Bij dat woord ‘idiotisme’ moeten we onwillekeurig denken aan de roman van Dostojewski ‘De Idioot’. Wie is dan die idioot bij Han?. Op pag. 81 schrijft Han dat het de functie is van de filosofie –dus kennelijk ook van Han zelf – om voor idioot te spelen. Han zegt: ‘Elke filosoof die een nieuw idioom, een nieuwe taal, een nieuw denken voortbrengt, zal noodzakelijkerwijs een idioot geweest zijn. Alleen de idioot heeft toegang tot het geheel andere’. Op pag. 83 zegt Han: ‘De idioot heeft de moed af te wijken van de orthodoxie. Moedig verlost hij zich van de conformiteitsdwang. De idioot communiceert met het niet-communiceerbare. Zodoende hult hij zich in zwijgen. De idioot creëert vrije ruimtes van het zwijgen, van de stilte en de eenzaamheid, waarin het mogelijk is iets te zeggen wat het werkelijk verdient gezegd te worden. Een verticale spanning stelt de idioot in staat tot een hogere overeenstemming, die hem ontvankelijk maakt voor gebeurtenissen, voor uitzendingen vanuit de toekomst’. Hier laat Han duidelijk zien dat hij een oosterling is, die, misschien wel meer dan hem lief is, beïnvloed is door het boeddhisme. Het klinkt wel religieus, woorden als ‘vrije ruimtes van het zwijgen’ ‘hogere overeenstemming’, ‘gebeurtenissen’ ‘uitzendingen vanuit de toekomst’. Tegelijkertijd is het heel erg vaag en onpersoonlijk. Een persoonlijk God die alles regeert komt bij Han niet in beeld.
Soms lijkt het of Han dicht bij het evangelie uitkomt. Dat blijkt uit een veelzeggend zinnetje van Han op pag. 81: ‘De oude idioot wilde het ware, maar de nieuwe wil het absurde verheffen tot de hoogste macht van denken’. Het evangelie kan je ook een soort van oudidiotisme’, een soort van ‘dwaasheid’, noemen maar dan voor bepaalde mensen. Dat bevestigt Paulus in 1 Korintiërs 1:18: ‘De boodschap over het kruis is dwaasheid (een idiotisme) voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God'. En in vers 21 schrijft Paulus: ‘Want zoals God in zijn wijsheid bepaalde, heeft de wereld hem niet door haar wijsheid gekend, en hij heeft besloten hen die geloven te redden door de dwaasheid ( het ‘idiotisme’) van onze verkondiging’. Dat oude idiotisme van het evangelie wilde inderdaad ‘het ware’ want alleen de echte ‘waar’-heid leidt tot echte vrijheid, zoals we boven al schreven. Jammer dat Han het evangelie heeft af geserveerd als een repressief systeem. Nu geef ik Han toe dat sommige kerken, pausen, er inderdaad een repressief systeem van hebben gemaakt. Maar als je terug gaat naar de bron zelf, naar Jezus dan tref je geen repressie aan. Integendeel, bij Hem tref je liefde en compassie en opofferingsgezindheid aan in de meest zuivere vorm. Dat evangelie hult zich niet in vaagheden maar is concreet. Het is gebaseerd op de feiten van kruis en opstanding. Deze ‘dwaasheid’, dit ‘idiotisme’ is het enige idiotisme dat geloofwaardig is. Geloofwaardig omdat het niet gebaseerd is op luchtfietserij maar op concrete feiten die overgeleverd zijn door betrouwbare getuigen.

 

Kees de Graaf gives lecture on the poetry of Bob Dylan on June 2nd in Amersfoort

CFaNrCfVEAAk6St.jpg

Kees de Graaf will give a lecture in Dutch on the poetry of Bob Dylan at the Amersfoort University ((Volksuniversiteit Amersfoort) on June 2nd at 20.00 hours PM.The title of the lecture is:

" That destiny thing. I mean, I made a bargain with it, you know, long time ago"

With the help of some old Dylan classics de Graaf will show how this theme of 'destiny' is worked out in Dylan's poetry. Also some songs from the album "Tempest" will be dealt with in detail. During the lecture some Dylan video footage wil be shown as well. Of course there is room for debate during the lecture.
If you are interested to subscribe to this lecture, please go to the website of the Volksuniversiteit Amersfoort by clicking on the following link: Subcription Kees de Graaf lecture

Leon de Winter over de mens die geneigd is tot alle kwaad

leon-de-winter-540x304[1].jpg

Leon de Winter over de mens die geneigd is tot alle kwaad.

Dat antwoord 5 van de Heidelbergse Catechismus, waarin staat dat mens geneigd is om God en zijn naaste te haten, nog niets van zijn actualiteit heeft verloren, bleek onlangs op  3 mei 2015, toen er  op TV een documentaire uitgezonden werd met als titel ‘De langste nacht voor de Joodse Raad’. Die documentaire heeft diepe indruk op me gemaakt. Het verhaal over de Joodse Raad is bekend. De Joodse Raad werd door de Duitsers al meer en meer in een hoek gedreven en werd uiteindelijk gedwongen mee te werken aan deportatie van de Nederlandse joden naar de vernietigingskampen in Duitsland.  In 1943 ging dat zover dat de Joodse Raad gedwongen werd een lijst op te stellen van 7000 joden die gedeporteerd zouden moeten worden. De Joodse Raad kwam voor een duivels dilemma te staan. De Raad moest kiezen tussen twee kwaden. Niet meewerken stond onder het dreigement van totale uitroeiing. Medewerking hield verraad in van hun eigen volksgenoten. Ze kozen er uiteindelijk voor om mee te werken. Hans Knoop, de maker van de documentaire, interviewde de schrijver en filmproducent Leon de Winter. Leon de Winter zei: “Het ( het feit dat de Joodse Raad uiteindelijk instemde met de deportatie) toont een kant van wie wij zijn als mensen, hoe wij onszelf tot het allerlaagste niveau kunnen reduceren door omstandigheden, dat was het monsterlijke van die tijd natuurlijk. Door die omstandigheden geef je je menselijkheid op, je geeft alles op, want er zijn heel oude, dringende, emoties: beschermen wat dichtbij is, je eigen bloed beschermen, je eigen sociale klasse beschermen, en je wordt een monster”. Leon de Winter heeft een film gemaakt over het leven van Anne Frank. Hans Knoop zou graag zien dat de Winter ook een film zou maken over de Joodse Raad en hun noodlottige collaboratie met de Duitsers. Maar de Winter durft het niet aan. Het zou voor hem een nachtmerrie betekenen. De Winter: “Het gaat erom dat, hoe wij misschien allemaal, want ik durf het niet te zeggen, het gaat zelfs zo ver dat ik het niet eens wil weten wat ik gedaan zou hebben onder die omstandigheden, zo bang ben ik voor dit materiaal, ik wil het niet weten, want ik sluit niet uit dat ik tot het allerergste in staat zou zijn geweest, althans wat ik achteraf erg zou noemen. Alles aan dit verhaal is duivels, van welke hoek je er ook naar kijkt, je ziet alleen duivelse duisternis, iets anders is er niet. Waarom hebben zij dit gedaan, we hebben nooit een sluitend, definitief, rond antwoord gevonden, omdat we mensen zijn en zwak zijn, en omdat we willen overleven, en de mensen van wie we houden willen beschermen en heel ver gaan, heel ver gaan en anderen als het heel erg wordt, de prijs laten betalen’.
Zo wordt ook uit onverwachte - niet christelijke hoek - bevestigd waartoe de gevallen mens, jij en ik, toe in staat zijn, zeker als we in het nauw worden gedreven. We spreken van zinloos geweld als zo maar, zonder enige aanleiding, iemand op straat wordt neergestoken en we zijn er als burgers kwaad om, uit protest houden we stille tochten. Maar hoe reageren we zelf, keurige burgers. als het water ons  aan de lippen komt te staan? Wat blijft er dan over van onze normen en waarden die we zo hoog prijzen?
Ook op die laatste opmerking van de Winter dat we uiteindelijk anderen de prijs  laten betalen, komt vanuit de  Bijbel en de Catechismus een verrassend antwoord.  Want de Bijbel vertelt ons dat God  de Enige is, die wel zelf betaalt, in en door Zijn Zoon. Hij betaalt nl. in de plaats van ons. Hij betaalt niet alleen onze schuld maar ook de rekeningen die wij anderen laten betalen. Zo groot is Zijn liefde. Dat kan geen mens Hem nazeggen, behalve Jezus. En die liefde maakt het verschil in deze gevallen wereld.   

 

Bob Dylan's 'It's alright Ma (I'm only bleeding) - Part 4 - final part.

tumblr_njffj5qAHN1rbwx2xo1_540[1].jpg

Bob Dylan’s ‘It’s alright ma, (I’m only bleeding) – an analysis Part 4 by Kees de Graaf.

Verse 13.
“Old lady judges watch people in pairs, limited in sex, they dare  to push fake morals, insult and stare” exposes yet another  taboo in the American society in the sixties: sex. This song dealt with this taboo only a few years before the sexual revolution in America – and in a lot of other western countries – would break lose. A taboo is said to be a ‘strong social custom forbidding an act or the naming of certain things’. Now this not openly naming but instead silently and hypocritically  watching and condemning  certain sexual practices, of which everybody knows that they nevertheless exist in society, is metaphorically  expressed in an image of “old lady judges” who “dare to push fake morals, insult and stare”. The poet lashes out against these hypocritical  elderly women who think that they are entitled  to act as moral “judges” over other – younger – people. The sexual drive of these “old lady judges” has died a long time ago, the result is that they are ”limited in sex”, which makes it all the much easier for them to criticize the (sexual) behaviour  of young people who are still in their sexual prime. In the attitude of these ”old lady judges” we may see a caricature of the last remaining remnants of the 19th century Victorian sexual morality. This Victorian morality – which also spread to America – preached a.o. sexual restraint, however, this kind of morality would soon be wiped away by the sexual revolution which would begin a few years after Dylan wrote this song.
These old lady judges “watch people in pairs”. In your imagination you can see these old ladies sitting on a bench in a park watching the frivolous (sexual) behaviour of young couples. “In pairs” may be just a poetical way of saying that these ladies watch young couples. From the way in which these old ladies “insult” and “stare” , they make it clear that they condemn this new sexual morale. “They dare to push fake morals” means that the Victorian moral principles which these ladies push on young couples, are only preached by the mouth. In reality however, when these ladies were in their prime themselves, they did not obey and practice these sexual principals either, be it that during the Victorian era all  sexual practices were covered under ‘a cloak of decency’ .That is the reason why the morals which these old ladies push on younger couples are hypocritical and therefore called “fake morals”.
The words that now follow have become one of the most famous (Dylan) quotes: “While money doesn’t talk, it swears”. In this line “While money doesn’t talk ,it swears” money is personified. Whereas these old lady judges “insult and stare”, Mr “Money” does not do any better, on the contrary. Mr “Money” would have done better if only have he would have restricted himself to talking, however, that is not enough for him, he doesn’t talk but he “swears”. “Money talks” which means that money has a voice, that money has influence in society. Although an earlier version of the song seems to have “money screams”  instead of “money talks”, “Money talks” is said to be an old financial saying, found in various printed  records before the year of 1700.
However, but not so according to Michael Gray’s work ‘The Bob Dylan Encyclopaedia’  (New York, NY: Continuum Internat. Publ.  2006, Pg. 464) where Gray says that the line “ While money doesn’t talk it swears” was inspired by a 1903 Victor catalogue of “darky ditties” of which one has the title “If Money Talks, It Ain’t On Speaking Terms With Me”. Years later this resulted in a blues song called: “I can’t make a nickel, I’m flat as I can be, some people say money is talking, but it won’t say a word to me”. Anyway, when it says that money “swears”, these words tend to warn you that there is a curse  on the craving for money, no wonder that I Timothy 6:10 says that “the love of money is the root of all evil”.
Although it was Pope who said that “No pardon vile obscenity should find”, the naked truth is that money rules the world and all obscenities seem to stem from the unbridled love of money and as far as sexual morality is concerned, when you peel off the Victorian layer of decency, there is nothing but obscenity below the surface and ultimately- in spite of all decent language- nobody in society  really seems to care: “Obscenity who really cares?”. There is nobody you can trust and nothing is what it seems: “Propaganda, all is phony”. When Dylan wrote the words “Propaganda all is phony”  you may a.o. think  of the propaganda  the US government used at the time Dylan wrote this song, to volunteer for recruitment to serve in the Vietnam war.  All this sort of propaganda proved “phony”; you may easily be misled, because once enlisted and sent to war you may soon end up in a body-bag.
Verse 14.
This verse, as well as the following final verse, deals with death and the consequences thereof.
The words “While them that defend what they cannot see with a killer’s pride security, it blows the minds most bitterly” are interpreted by some as an atheistic statement. This is however not necessarily the case. It is true that when you follow this interpretation the words “What they cannot see” may refer to faith and religion. However, it seems not to be the intention of the poet to lash out against believers for having faith as such but against those who defend faith “with a killer’s pride security”. It is the very nature of faith is that you cannot see it with your natural eyes and you cannot scientifically prove to others that faith is a metaphysical reality. Otherwise faith would be no longer faith. True faith is all a matter of trust, confidence and surrender. Therefore it is also against the very nature of true faith to force faith upon others. But that is exactly what some of those preachers do: they defend their faith “with a killer’s pride security”. Some of those preachers (see for example Matt. 23:15) go to great length by forcing their faith upon people  by indoctrination and they are not driven by modest wisdom – as may be expected of them - but they look more like  hunters who take great pride in killing as much game as they possibly can and within the shortest period of time. They take pride in it, but it is only the cheap and shallow pride of a killer who outnumbers his victims in strength by a million to one, it is therefore only called “a killer’s pride security”. It looks as if these preachers are sure of the case they plead but the louder they shout the more they prove that deep down inside they are not so sure, because they somehow feel that this way of evangelizing- demonstrating a “killer’s pride security”- is cheap and against the very nature of the gospel. This method of proselyting only fills the human mind with repugnance and bitter resentment, that is why it says that “it blows the mind most bitterly”. 
The words “For them that think death’s honesty won’t fall upon them naturally, life sometimes must get lonely” may be interpreted in various ways. “Death’s honesty” means that death makes no distinction. Death is irrespective of persons and may in this sense be called “honest”. Death therefore falls on every human being, no matter who or what you are. Death falls upon all of us, very much in the same way as Dylan outlines in his song “Tempest”: “The good, the bad, the rich, the poor, the loveliest and the best”, in the end we are all going to die. Some think that this line leads us back to the battle fields of the war in Vietnam. As said earlier, at the time when Dylan wrote this song in 1964, the US were stepping up their war efforts in Vietnam. Those sent to war in Vietnam stood a great chance of being killed in combat. If that is the case, they will not die of natural causes, “death’s honesty won’t fall upon them naturally”, but they will suffer a violent death in combat. This knowledge can make you pretty lonely and isolated, that is why it says that for this group of people “life sometimes must get lonely”.
Another interpretation may be that Dylan uses apocalyptical language here taken from the Bible. Revelation 9: 6 says “And in those days shall men seek death, and shall not find it; and shall desire to die, and death shall flee from them' (KJV). Within the context of this passage, these people seek death to escape from extreme pain and suffering but no matter how hard they try, they are unable to find death: “death’s honesty won’t fall upon them naturally”. However if you follow this interpretation it is hard to explain how such dreadful circumstances would make life feel so lonely for these people.
Therefore, the most likely interpretation of the words “For them that think death’s honesty won’t fall upon them naturally, life sometimes must get lonely” is that these words refer to the extreme loneliness a lot of aged people in our society suffer from. Old people put away in old people’s homes or homeless people wandering about the streets in our big cities, aged people bereft of family and social contacts, full of infirmities and ailments, rotting away in loneliness, nobody looking after them, nobody caring for them, unwanted and spit out by society they feel so lonely that they long to die and put an end to it all, but death does not come and life drags on: “death’s honesty won’t fall upon them naturally and life must get lonely”. This verse exposes the cities of the lonesome fear and the lack of social cohesion which causes extreme loneliness in our big western cities.
Verse 15.
This final verse takes the song to its culmination, to a head on collision with the poet’s worst nightmare of all: death and the inevitability of it. The polarity between life and death has always been on Dylan’s mind (two years earlier, in1962, Dylan wrote “Let me die in my footsteps” which elaborates on the same subject).The importance of this stanza is stressed by the fact that for the first time in the song, the poet shifts to the first person and now seems to speak from his own experience. When he says:“My eyes collide head-on with stuffed graveyards” it is as if the poet says: ‘There is simply no escape from death, we are all heading in the same direction and that is to the grave.You may claim that all society’s anomalies, abuse and atrocities which I exposed in all the previous verses of this song are not as bad as I pictured them, you may even deny that all these anomalies and atrocities represent an integral part of our human existence, but one fact will always remain undeniable and that  is that we are all going to die. We are all on a ninety miles an hour drive down a dead end street. At the end of this dead end street we will all meet death. Do you want to have proof? Look at those “stuffed graveyards”.  Death is where it all ends up’.
These graveyards are “stuffed”,which means that they are full of dead bodies and bones, death is all around the place. But “stuffed graveyards” may have another connotation. You may think of a “stuffed” animal, for instance a stuffed bird. If this stuffing is carried out professionally, the stuffed bird very much looks like a real bird. But it is all fake because there is no life in this bird. You see some of this same phenomenon to disguise the harsh reality of death when you enter a graveyard. All these beautifully decorated tomb-stones, all the flowers and bouquets, all these well-written epitaphs for beloved ones, are in the end unable to take away the sadness and misery of death’s ugly face. The poet wants us to realize that this is what all these “stuffed graveyards” are all about and the poet’s eyes collide head on with them, there is simply no escape.
His eyes not only collide head on with stuffed graveyards, but also with “false gods”. The official release on ‘Bringing it all back Home’  and some live renditions seem to have “false goals”, instead of “false gods”. The world is full of those “false gods”, idols  which promise you instant inner peace and riches but in the end will leave you empty handed. “False gods” may also be linked to the words that follow: “I scuff” making it into “false gods I scuff” .To “scuff” has various meanings. Within the context “to scuff” may mean the shuffling of your feet in embarrassment or contempt. The poet is full of contempt for those “false gods” who promise but do not deliver. To “scuff” also has the meaning “to poke at with the foot or toe”. It reminds us of some comic  stock footage  from Stan Laurel’s Vintage Silent 1920s movie called “Not a well built house”. When in this footage  somebody pokes at a newly built house, when somebody “scuffs” at that house, we see this house immediately collapse. When you poke at those “false gods”, when you “scuff” those gods, it immediately is apparent that they are nothing but empty idols which collapse and turn into dust the minute you touch them. However, the words “I scuff” may also be linked to the following words “at pettiness which plays so rough”, making it into “I scuff at pettiness which plays so rough”. No doubt, “pettiness” refers to the bourgeois narrow-mindedness of the American public opinion in the sixties. This pettiness “plays so rough” which means that if you do not accommodate to these narrow minded prevailing opinions and stand up for your free way of thinking, they will play it rough, society will stone you, and in this respect the poet speaks from his own experience.
As outlined in the introductory remarks, Dylan once said about this song: ‘Try to sit down and write something like that. There's a magic to that’. It seems impossible to compose a song like this in ‘ordinary’ way. This song was not composed in an ordinary way, but was ‘magically’ written. “Walk upside-down inside handcuffs, kick my legs to crash it off” is likewise an attempt to try and do the impossible to come to terms with the dreadful state of the human condition of which the poet himself represents an integral part. “Walk upside down” which means walking on your hands with your legs up, is by no means an easy thing to do. However, “Walk upside down inside handcuffs” is simply impossible because these handcuffs make forward movement impossible and yet the poet makes an attempt. “Walk upside down inside handcuffs” may be a metaphor to express the absurdity of the world we live in. In this world it looks  as if there is no distance at all between right and wrong. ”Walk upside down inside handcuffs”, absurd as it sounds, is in this world regarded as legitimate a way of walking, as walking in the ‘’ordinary’ way with your feet on the ground. As outlined in all the previous verses of this song, in this world all moral standards are easily turned “upside down” for political purposes ,to suit those in power and often just for financial gain. But the poet is honest about himself. He is not only “handcuffed”, misunderstood, silenced, ridiculed by the press, hampered to express his free mind.  He admits that he too represents an integral part of the political and social system which he criticizes and is unable to escape, he is not only handcuffed, muzzled, by others but he also  handcuffs himself , he has himself “locked in tight” just like anybody else .“If my hands are tied, must I not wonder within who tied and why and where must I have been” he would quite rightly admit much later in 1989 in his song “What good am I?”.The absurdity of life Dylan portrays here comes close to the absurdity of life he describes in his concert stalwart “Things have changed”. What is more absurd and preposterous than “falling in love with the first woman I meet, putting her in a wheelbarrow and wheeling her down the street?”.
However, he tries to get away from the absurdities of life which on the one hand he criticizes and of  which on the other hand he cannot deny that he is yet a part of. That is why he “kicks his legs to crash it off”, he tries to get away from those absurdities but he knows that his attempt is doomed to fail. You may stand in a handcuffed position, on your hands with your legs up, in that position you may kick your legs as long as you please but you will never be able to crash off your handcuffs and free yourself.
The only possible conclusion therefore must be: “Say okay, I have had enough, what else can you show me?”. This final line shows resignation and has an ironic undercurrent. The poet has reached the end of his trail. Like once Ecclesiastes, he draws the conclusion that there is simply no cure under the sun for the hopeless condition the human condition is in, everything is vanity. When Dylan wrote this song in 1964,the sixties cultural counter movement was not amused by the dark mood of resignation Dylan’s song writing had adopted. The message of his song writing is clear: nobody under the sun has an answer, not even the cultural counter movement from the sixties, and as far as he himself is concerned, he admits that he too represents a part of the human condition and that he himself  does not have a comprehensive solution either. But he has now reached a point where he says: ‘Stop, there is no sense in arguing any further, enough is enough’. “What else can you show me?” is therefore an ironic rhetorical question as if he says: ‘there is nothing else you can show me’. Basically the  poet delivers here the same message he would deliver 33 years later in his song “Mississippi”: “I got nothing for you, I had nothing before, don’t even have anything for myself anymore  and “There is nothing you can sell me”.
Chorus 5.
The final chorus: “And if my thought-dreams could be seen, they’d probably put my head in a guillotine, but it’s alright, Ma, it’s life, and life only” is the most personal and therefore at the same the most revealing statement of all. It may be called a blessing in disguise that fallen mankind does not have the ability to read thoughts, because if people could read  each other’s thoughts, any enduring social life on this fallen planet would be impossible. If thoughts or “thought-dreams could be seen” a cesspit full of dirt would open up and all the dirt would flow out into the open. If “thought dreams could be seen” it would appear how selfish, vicious and murderous a creature we all have become, nobody excepted. What we praise to be benevolence and goodness is nothing else but restrained evil, and if there were no such restraint we would kill each other instantly and life would end. “That’s how it is when things disintegrate” Dylan wrote in ‘Can’t Wait’ in 1997 and that is how it is when the poet’s “thought-dreams could be seen”. But there is another, personal side to this. If the poet’s “thought-dreams could be seen” the public would a.o. immediately have found out that he never wanted to be a spokesman, neither for the sixties cultural counter movement, nor for any political or religious organization. The public would have seen that he is not is not a puppet on a string and that he is prepared to swim against any popular stream or whim. If you are prepared and have the courage to do that – and the poet speaks from his own experience, not only in the sixties but also later when he ‘emerged to find Jesus’ in 1979 -  you will pay the price and they will publicly behead you, that is why he says: "they’d probably put my head in a guillotine”. The guillotine ,a sort of machine for beheading a person by one stroke of a heavy ax or blade, is well known for its use during the French Revolution (1789) when  thousands of contra-revolutionaries were beheaded by it. For that reason, the method of killing by a “guillotine” may be deliberately chosen here because during the French Revolution is was the typical instrument to kill contra-revolutionaries and as the sixties progressed Dylan’s song writing more and more took distance from the silent revolution as expressed by the cultural counter movement.
To wrap things up, this is what the poet has done in this song: on the one hand he criticizes society for its inherent failures but on the other hand he admits that he too represents an integral part of the very society he criticizes and for that reason he is under the knife himself. The awareness of this twofold reality may very well be the beginning of a process which can ultimately set a man free, but that horizon is not further explored in this song. Although those who see in the final words “but it’s alright, Ma, it’s life, and life only” a streak of Jean Paul Sartre’s existentialism and a sort of mild resignation, may have a point. However, the words “but it’s alright, Ma, it’s life, and life only”  may at the same time herald an awakening of the idea that if for life there is ever going to be a decisive turn for the better, it cannot come from life as it is here and now but it has to come from somewhere else. For the moment the poet resigns to this status quo and that is why he concludes by saying: “but it’s alright, Ma, it’s life, and life only”.  

You are welcome to comment on this article, to do that please push the button 'reacties' below' 

 

 

 

 

Bob Dylan's 'It's alright Ma (I'm only bleeding) - Part 3.

bob-dylan-Philadelphia-2014.jpg

Bob Dylan’s ‘It's Alright, Ma (I'm Only Bleeding)’- an analysis- Part 3.

In this article we will discuss the verses 7,8,9,10,11 and 12 and chorus 3 and 4.

Verse 7.
When it says “Advertising signs they con, you into thinking you’re the one” the deceitful advertising industry in general and the American Madison Advertising industry in particular, is tackled here.The powerful advertising industry makes you believe that you have freedom of choice,  but in reality their sales techniques so subtly appeal to the common human basic instinct of greed and grandeur, that you must be a very strong personality if you are capable to escape from their tentacles. “They con you into thinking you’re the one” means that the advertising industry deceitfully intends to make you believe that if you buy their products or services, you will become somebody special, a special person exempted from the normal wear and tear of the masses and that you are  one of the chosen few “That can do what’s never been done, that can win what’s never been won”. For example, the advertising industry says that If you use this particular brand of drug, medicine or vitamin pill, you will be stronger, prettier, more vital and live longer than anybody else. Or,if you buy this lottery ticket, you will be the one that wins the hundred million dollar jackpot. The human nature is such that  man has a natural tendency to believe that whatever the advertising industry tells you is true, and tends to ignore a voice deep down inside that says that these promises are just plain lies.
 However, what the advertising industry does not tell you is that “meantime life outside goes on, all around you”. Even when you are among the “lucky few” and have won this hundred million jackpot, even when you are successful and become a big star, you will find out that you will never escape from the decay of every day’s life. Everything in life is temporary. Money, fame and honour, will only ask for more and cannot fulfil you. In the “meantime life outside goes on, all around you”,  time catches up on you, life goes on and death’s ‘honesty’ – as it will be called later on in the song - will reach all of us. Therefore it is true what Dylan wrote in his song ‘God knows’: “God knows you ain’t gonna be taking nothing with you when you go”.
Verse 8.
When it says: “You lose yourself, you reappear, you suddenly find you got nothing to fear ,alone you stand with nobody near” we see that the focus shifts to a more personal, individual, level. We have to keep in mind and not forget that individualism is a fruit of the Enlightenment and it is this kind of individualism that shines through in this verse. In the previous verses we have e.g. seen what will happen to you when you are a follower. When you are a conformist and “follow” the government, the system, you pretty soon find yourself at war. You may be a follower of the human gods that can make everything but you will find out that they also desecrate everything, they even desecrate the most sacred icon of all, Christ, and turn it into a state of the art consumer gadget. When you are a trend follower you will find out that unbridled  consumerism, symbolized by the deceitful advertising industry, will drag you in an equally deep hole. All of this is designed to make you lose your individuality and  personal freedom to decide what is good for you. The result of all of this is that “you lose yourself”. Often without realizing it, you will completely lose your individuality and freedom of choice. It was one of the attainments of the Enlightenment that human individuality and freedom of choice was rediscovered. It may be the reason why it says: “you reappear”. The philosopher Immanuel Kant once  described Enlightenment as “man's release from his self-incurred tutelage", tutelage was described as “man's inability to make use of his understanding without direction from another”. Kant saw Enlightenment as “mankind's final coming of age, the emancipation of the human consciousness from an immature state of ignorance”. One of the positive elements of the rediscovery and reappearance of your individuality is what is described here as that “you suddenly find you got nothing to fear”. In the end no self-fabricated ideological or religious system is able to chain the human mind for ever. Nevertheless, it takes great  personal courage to free yourself  from any repressive ideology- whether so-called religious or not - and to stand up for basic human rights. Once you have committed yourself to  demonstrate this courage –sometimes at the peril of your life or of your “good” reputation and fame - “you suddenly find you got nothing to fear” from the authorities or the establishment. Kris Kristofferson and Fred Foster once wrote “freedom is just another word for having nothing left to lose”. Having lost everything is a necessary precondition for your “reappearance” and your ability to abandon all fear.
However, there is also a downside to the Enlightenment. Once you have decided to become a non-conformist you will find out  what is described here as “alone you stand with nobody near”. You enter into a sort of no man’s land, into a sort of vacuum of thought where nihilism can easily creep in. In such a vulnerable position you need companions and friends for reassurance that you are on the right track. But because you are a non-conformist, you stand and feel alone and there is nobody there to support you. Subsequently, you need to have a strong personality and conviction to stay strong and withstand the mounting pressure to conform and to go back from where you came. The pressure mounts to conform and go back to the demons of conformism which you had just left, pretty much in the same way as it says in Matt. 12: 43-45: “When an impure spirit comes out of a person, it goes through arid places seeking rest and does not find it. Then it says, ‘I will return to the house I left.’ When it arrives, it finds the house unoccupied, swept clean and put in order. Then it goes and takes with it seven other spirits more wicked than itself, and they go in and live there. And the final condition of that person is worse than the first”.
In your solitude, you enter a cross-roads and on this cross-roads all sorts of voices pop up and are allowed to try and pull you into an unknown and untrodden path. On this cross-roads you stand alone with nobody near “When a trembling distant voice, unclear, startles your sleeping ears to hear that somebody thinks they really found you”. The question is who is that voice? Is it the same mysterious voice Dylan hears in ‘Ballad of a Thin Man’? where it says: ‘Who is that man? You try so hard but you don’t understand, because something is happening here but you don’t know what it is”. Is it maybe Jesus calling  at his door? This cannot entirely be ruled out because most of the time He is said to come to you when you are in a weak, and vulnerable state of mind and in such a humble position, when you have “sleeping ears”, you are more prepared to open up your mind for Him. Also, when Jesus  presents Himself to you, He usually wears a cloak of weakness, He comes to you in “a trembling distant voice, unclear”. It is not a robust,  compelling, strong voice full of conviction, but a weak, ostensibly insignificant voice for which you have a natural tendency  to resist it and it is certainly not a voice you are prepared to obey unconditionally.
However, whatever, or whoever this voice may be, what stands out and makes the difference is that there is a personal approach here. No massive appeal by the government or the advertising industry but a strictly personal voice directed to you personally which singles you out to tell you that this time it is no lie, it is the real thing, “they really found you”. This personal approach, which is designed to give you the idea that you are a special person, may be just another, more successful, sort of tactics to turn you once again into a follower of a certain political, social or religious organisation. “They really found you”, may mean that  whoever or whatever this organisation represents, it comes to you, only to you, at the right time and place and claims to know exactly what you need, and for you this private attention should feel as a sort of home coming. However, in the back of your mind there is a warning signal that something is wrong and that you should not accommodate and this where the next verse deals with.
Verse 9.
In the previous verse we have seen that although there is a personal approach to have you accommodate, yet alarm bells start ringing and this verse elaborates on this idea when it says: “a question in your nerves is lit”. The question that is lit in your nerves is: can I trust this voice and follow it?. Deep down inside of me there is a part of me that says: yes I can trust and follow this voice because it is a weak, humble, distant and trembling voice. And this very humbleness and weakness of this voice is proof of its authenticity and truthfulness. But  there is another part of me that says: no, I cannot and will not follow something or somebody that seems weak and humble. If I would follow that voice I will be seen as a loser, I will lose everything, I will lose control over myself. The result of all of this may be that in your mind the question is unresolved: “Yet you know there is no answer fit to satisfy, insure you not to quit”. For you there seems to be no ace in the hole. There is no comprehensive solution available. Either way is not satisfactory, there seems to be no answer “to satisfy”, no answer that really satisfies and gives you inner peace and complacency.
However, “To satisfy, insure you not to quit” may at the same time also refer to the words that follow: “to keep it in your mind and not forget, that it is not he or she or them or it  that you belong to”. If  we follow that interpretation, “to satisfy” may mean that you will only find satisfaction when you “keep it in your mind” and “insure”, that is make sure that you will not “quit”. You will only have satisfaction when you will not give up, “quit” your independent and free mind. Your independent and free mind is only satisfied and guaranteed when you do not have yourself boxed in by any individual or any so-called organisation or religion and when you stand by the concept that nobody owns you, “that it is not he or she or it that you belong to”. The poet makes it very clear that he never wanted to be a spokesman for any individual or organisation, not for a “he” and not for a “she”, nor for a “it”. However, again there is a downside to all of this. This is expressed in the next chorus.
Chorus 3.
Although the masters make the rules, for the wise men and the fools” is typical Biblical language. In the Book of Proverbs and even more so the Book of Ecclesiastes there are many references to and comparisons between what in daily practice is regarded as a “wise man”  and or a “fool”, e.g. Proverbs 14: 16 says: “A wise man is cautious and turns away from evil, but a fool is arrogant and careless”.(NASB). What it says here resembles Ecclesiastes 2: 19 : “and who knows whether he will be wise or a fool? Yet he will be master of all for which I toiled and used my wisdom under the sun. This also is vanity”.(ESV). What the poet may have had in mind here is that every social institution, political party or religious organisation has a Master. A Master, in the sense of a set of rules, a common line of conduct, a group code which the members of such a social, political or religious organisation obey, abide by and find support and security in. Here the question what such an organisation is doing or aiming at is irrelevant. Here it is irrelevant whether the aim of such an organisation can be classified as useful and therefore as “wise” or as harmful and therefore as “foolish”. Therefore the question whether the members of such an organisation can be seen as “wise men” or as “fools”  is also irrelevant for that matter. The fact remains that they have a Master who makes the rules for them, either wise or foolish, and that they find comfort and consolation in them.
What really matters here is that the poet, unlike the wise men and the fools, does not have a Master who tells him what to do, he does not belong to any of these social, political or religious organisations”. He “stands alone with nobody near” to support him, nothing to rely on and to find comfort or consolation in. That is why he now concludes: “I got nothing, Ma, to live up to”. Those who believe in the doctrines of an ideology or a religion look forward to the realization of their utopian ideas and beliefs. At this stage the poet has none of that all. Here he has entered lonely nihilistic waters. The price he has to pay for his independent and free mind is that he has nothing to look forward to. “I got nothing, Ma, to live up to” expresses disappointment and self-criticism. You may be proud to be an independent non-conformist,  but the only thing that seems  left is (Nietzsche’s) nihilism and it is as if the poet intends to express that in the end this does not satisfy either.
Verse 10.
The verses 10, 11 and 12 and chorus 4 are usually not performed in concert and are therefore lesser known to the public at large. This verse elaborates on the conclusion of the previous chorus “I got nothing, Ma, to live up to” as if he says: “It is true, I stand alone empty handed and I have nothing to live up to, but what about all those people who do belong to a social group in society, are they any happier than me, are they any better off?. No they are not. These people obey the social code of the group they belong to, they obey the instructions of their Masters who make the rules for them. They obey but against their will, that is why this verse starts with the words: “For them that must obey authority, that they do not respect in any degree”.These people follow leaders but without any deeply- rooted inner conviction or faith. On the contrary, they only accommodate and obey because they have no other choice but in their hearts they disrespect  the authorities. This capitalistic society is driven by the multi- nationals, they are the Masters who are in control of you and who make you earn your living, they supply you with jobs  and you’ve got to go where your bread is buttered. They have you trapped in a meaningless monotonous cycle, a never ending conveyer belt of production and consumerism, from which death seems to be the only escape. No wonder that these are people are without any hope, and that they are people “Who despise their jobs, their destinies”. Deep in their hearts, some of them want to break free but for the vast majority of them such a step would take too much courage. The vast majority of them rather prefers to remain boxed in because that is the easy way out and in the meantime, on the rebound, they “Speak jealously of them that are free”.They criticize and condemn those who are autonomous and independent and free as unworldly people but  deep in their hearts they envy them and wish they had the same courage to break free.
When it is said of this group of people that they“cultivate their flowers to be  nothing more than something they invest in”, the more poetic words “ their flowers”  can best be interpreted as “their children”. There is a 1964 live bootleg recording of this song, recorded before the studio version, which has the alternative lyrics that they: “raise what they grow up to be, nothing more than something  they invest in”. These earlier lyrics make clear what Dylan may have had on his mind. There is a certain reciprocity in these words. The capitalistic industrial society, driven by the multi-nationals, sees human beings as “nothing more than something they invest in”. The capitalist system dehumanizes people and turns them into production material in which you just invest, invest only with the purpose of making as much financial profit as you possibly can. But what is so baffling is that those same people who are dehumanized and reduced to just production material, do the same thing with their children. They “raise what they grow up to be” means that basically these people raise their children in the same way as they themselves are “raised”  by the capitalist society to be “nothing more than something they invest in”. When it is said of these people that they “cultivate their flowers” is a more poetic, extenuating, way of saying the same thing. It is not pure love for  “their flowers”, their children, by which these people are driven but rather by their own interest. They want to glorify themselves by investing in the careers of their children. By doing so from generation to generation they perpetuate a system of which they are both victim and perpetrator.  
Verse 11.
When it says: “While some on principles baptized, to strict party platform ties”  a social phenomenon is described which makes it clear that, although we live in a free and democratic society, the room to manoeuvre freely within organisations such as political parties is very much limited by party discipline.  A “party platform”  is a document stating the aims and principles of a political party. “While some on principles baptized” intends to say that commitment to a political party’s platform may be so rigid and tied that it almost takes the shape of a religious vow which is taken in Christian baptism. There is some word pun too in the words “party platform ties”. A “tie” may therefore also be an allusion to a dressing code in the shape of a necktie. Blind obedience to a political party’s orders may not only require consensus of opinion and thought but also uniformity in outward appearance.
A “social club”  is  said to be “a group of people and to the place where they meet, generally formed around a common interest, occupation or activity (e.g. hunting, fishing, science, politics, or charity work)”. The Union Club in New York is  the oldest social club in New York and was founded in 1836. You also have social clubs where people dress in drag, for example the Albuquerque Social club in Albuquerque (NM). Such a club may be alluded to when it says: “Social clubs in drag disguise”. Dressing in drag may be an expression of  Transvestism which is the “practice of dressing and acting in a style or manner traditionally associated with the other sex’. When it says “in drag disguise”  the use of the word “disguise” implies that  - in the same way people dress in drag in socials clubs – certain institutions or organisations hide their real identity or purposes so that they can freely criticize outsiders without being unmasked or criticized themselves and without anybody ever knowing what goes on behind their closed doors. It may be the reason why it says: “Outsiders they can freely criticize”.  Every club or organisation, or even a State, may have a sacred  bull which they idolize and they urge you to idolize the same sacred bull, that is why it now says : “Tell nothing except who to idolize”. It is like Dylan wrote in his 1990 song ‘Unbelievable’: “Every nerve is analysed,  everything is criticized when you are in need” . The words ” and then say God bless him” may be used here in an ironic way. Worshipping an idol seems attractive and beneficial at first glance but it involves great risks, because once the beast, the idol, has caught you in its tentacles, there is no turning back, and it will kill you both physically and spiritually. When you are faced with the bitter consequences of your infatuation with the idol, the idol washes its hands of you and says: ‘fare thee well, may God bless you’. For example, when you idolize the State, America or any other nation, you are inclined to endorse whatever policy the State follows, you may even support a completely unjustified war and when crippled veterans come back from such a war (you may think here of Dylan’s song ‘John Brown') the State washes its hands of you “and then say God bless him”.   
Verse 12.
In this verse with the opening words: “While one who sings with his tongue on fire, gargles in the rat race choir”, it seems that the mega church ‘prosperity gospel’ preachers and their followers are   criticized for their rather ambiguous attitude towards secular matters. It looks as if the poet intends to say that some influential preachers of the prosperity gospel and their followers more or less run with the hare and hunt with the hounds, as if they try to make the best of both worlds they live in. This is metaphorically expressed as if they sing in two different types of choirs, each choir represents a quite different world. In the one –spiritual – world or choir,  within their own  mega church, they seem to sing “with their tongue on fire”. Now the words “While one who sings with his tongue on fire” may be a biblical reference to Acts 2: 3:  “They saw what seemed to be tongues of fire that separated and came to rest on each of them”.(NIV). Therefore when they sing “with their tongue on fire” they sing through the inspiration of the Holy Spirit.
However, some of these mega church ‘prosperity gospel’ preachers and their followers simultaneously seem to live and indulge in another world, in the real world outside their own community or church. Here they also – metaphorically - sing in a choir. But this is a worldly, a secular choir. Singing in that secular choir  hints at the fact that some of these prosperity gospel preachers and their followers also fully participate and indulge in our modern society. This modern society is metaphorically qualified here as a “rat race choir”. A “rat race”  is defined as “an endless, self-defeating, or pointless pursuit. It conjures up the image of the futile efforts of a lab rat trying to escape while running around a maze or in a wheel”. A “rat race” society is a sort of social competition to get the best and most affluent position on the social ladder at the expense of others,  at the expense of the social poor and the weak. But in the end such a rat race is fruitless and unsatisfactory because in this rat race love and compassion is eliminated. Now the ambiguity the poet hints at here is that although some of these  influential  prosperity gospel preachers preach love, compassion and companionship from the pulpit, they so to say “sing with their tongue on fire” ,yet at the same time they preach and advocate a sort of ‘prosperity gospel’.They say that if you follow them God will bless you and make you very rich and wealthy and prosperous. However,  the consequence of all this is, that in order to get rich, wealthy and prosperous, you will find yourself participating and indulging in the social “rat race choir”.
 It is obvious that such  preachers  speak with a double tongue and  find themselves in a splits .It may occur that within their own church or community they are full of the Spirit and they “sing”  with their tongue on fire, whereas in society their singing is reduced to a “gargle”  in the rat race choir. A “gargle” may be a kind of warbling, in this case more likely  a yodel. A yodel is a “songlike cry in which the voice fluctuates rapidly between the normal voice and falsetto”. The contrast here between this singing and gargling may be expressed here to show that  some of those these mega church  prosperity gospel preachers and their followers feel at ease when they sing within their own community with their tongue on fire but they feel alienated when they “gargle” in the rat race choir” in this modern society.
When some of these prosperity preachers “gargle in the rat race choir” it is as if they sing out of tune, as if they are not feeling at ease and do not have a free conscience when they indulge in this rate race of ultra-consumerism. This rat race of ultra-consumerism they indulge in, seems not to match with the humble message of the Kingdom of God.  It may be the reason why the poet now goes on to say that they are “bent out of shape from society’s pliers”. A “pliers” is “a kind of small pinchers with long jaws, -- used for bending or cutting metal rods or wire, for handling small objects such as the parts of watches”. Now it is common knowledge that you cannot serve two Lords. You cannot serve the Lord in your own church or community and at the same time serve the Mammon – the god of money - in this world, all under the pretext that your riches is God’s blessing .Because, when you try to serve both Lords, the “pliers” of a society  full  of ultra-consumerism will get you in its tentacles and  “bend you out of shape”. What happens next is that instead of transforming society through your  message of the coming of the righteous Kingdom of God, society will transform you and “bend you out of shape”  and you may end up as a distorted and split personality and the final outcome will be that this “pliers”, fully absorb you. It seems obvious that you will have to make a choice between these two worlds, otherwise your ambiguity will more and more bend you out of shape.
But there is a third way, and this way is outlined when Dylan continues to say that such a mega church prosperity preacher: “cares not to come up any higher, but rather get you down in the hole  that he’s in”. To come up higher” may be used here in both an ironic and a metaphorical sense, meaning that he cares not to see things from a “higher”, which means a “heavenly” point of view. If he would have done so he would have realized that participating in and enjoying this modern welfare society is not an aim in itself but rather a means to spread the message he advocates. If he would have realized this it would have stopped him from participating in the rat race choir. It would have prevented him from joining the rest of the world in the social rat race to acquire as much prosperity and riches as one possibly can, all under the pretence of God’s blessing There is also an ironic undercurrent in this line. If there is one person of which you may expect that he would care “to come up any higher” and to see things from a “higher” that is heavenly and divine point of view, it is this  prosperity preacher. But surprisingly, he doesn’t. On the contrary: he “rather get you down in the hole he’s in”. When it says that he is in “a hole”  it means that he is in an awkward situation. This awkward situation is caused by the fact that – as we outlined above - he wants to make the best of two conflicting and contrasting worlds and by doing so he drags thousands if not millions of followers into the same hole he is in. Yet it seems as if the poet appreciates the awkward situation these people are in and therefore his criticism on this phenomenon is subdued by some compassion. This compassion is expressed in the fourth chorus which now follows.
Chorus 4.
The words “But I mean no harm nor put fault on anyone that lives in a vault, but it’s alright, Ma, if I can’t please him”  show benevolence and goodwill on the part of the poet and may be an attempt to subdue some of the  criticism on those who were tackled in the previous verse. Now there seems to some intentional word pun between the “hole” some people mentioned in the previous verse are in, and those who live in a “vault”. A “vault” is an underground arched structure – a “hole” in the ground - of masonry, forming a ceiling or a canopy.  When you think of “ living in a vault”  it reminds us of the fallout shelters which were built in the sixties and later years to protect occupants from radioactive debris or fallout as a result of a nuclear explosion.  We have to bear in mind that this song was written in 1964, less than two years after the Cuba Missile Crisis with the Soviet Union. The nuclear threat was very much tangible at that time.
Now what may be hinted at here is that those who, in the previous verse, where dragged in a “hole” are the same group of people who are now portrayed as “living in a vault”. If that is correct, “anyone that lives in a vault” may in a metaphorical sense, be every person who strives for  maximum and total protection or security in this life and in hereafter. Protection against all hazards of life from the cradle to the grave. Such a person even seeks protection against a nuclear threat when he has the money and the means to take refuge in a private fallout shelter when there is a serious nuclear threat.
However, “anyone that lives in a vault” may also refer to those individuals in society who take refuge to total seclusion. The earlier note in the song that “It is not he or she or them or it that you belong to” may refer to such a person. He or she does not feel  at home in any organized  social or religious organisation and lives in total isolation from the rest of society with only a free mind and conscience as a compass. When the poet says: “But I mean no harm nor put fault on anyone” he shows understanding for this kind of alienation from society. A lot of individuals are indeed “bent out of shape from society’s pliers” and – in a metaphorical sense - feel themselves forced to retreat to their vaults. On the other hand, the poet cannot offer any solace to such a person, he is unable to please him and has to resign to that fact, that is why he says: “but it’s alright, Ma, if I can’t please him”.
      
In the next article we will wrap things up and deal with the final three verses and the final chorus.

As always please comment on this article.

 

[1]      «      1   |   2   |   3   |   4   |   5      »      [14]