Bob Dylan: "I practice a faith that's long been abandoned, ain't no altars on this long and lonesome road"

Bezoekers vandaag: 201Bezoekers totaal: 467399
Welcome to the website of Kees de Graaf
Kees de Graaf keesdegraaf.com

Is de zonde een gepasseerd station?

Op de weblog getiteld ‘Geaccepteerd en toch zondig’ van Arjan Gelderblom las ik het volgende:

“Als ik Packer goed begrijp zegt hij dat ik als aangenomen (geadopteerd) kind van God het ‘Onze Vader’ bid. De zonden (schulden) die ik gedaan heb, maken mijn positie, mijn identiteit van aangenomen kind niet ongedaan. Mijn positie als geadopteerd kind staat als het ware niet ter discussie door mijn zonden. Ik ben geaccepteerd in Christus. Ik kan niets toevoegen aan én niets afdoen van mijn identiteit als kind van God. En tegelijk zondig ik als geadopteerd kind. Voor die zonden bid ik ‘vergeef ons onze schulden’. Deze bede bidden we dus niet om zo weer hersteld te worden in ons kind-zijn van God. De bede ‘vergeef ons onze schulden’ bid je juist als aangenomen kind van God. In de Vader-kind relatie gaat er (vanuit de mens gezien) het nodige fout (zonden) en daarom zeggen we ‘sorry’ tegen Vader”.

Arjan Gelderblom geeft hier een interpretatie uit het boek van J.I. Packer: ‘Groeien in Christus’. Met deze weergave van Arjan ben ik het eens. Over het woord ‘sorry’ straks nog iets meer. Laat ik eerst mijn eigen relaas vertellen en aan de hand daarvan wat dieper in de Schrift afsteken.

Al meer dan 30 jaar geleden las ik in de regionale krant een advertentie van een man die beweerde dat hij geen zonde meer heeft. Een volmaakt mens in een geheel zondeloos bestaan. Hij was gaarne bereid iedereen van deze stellingname rekenschap te geven. Daar wilden wij meer van weten, dus wij gingen erop af. Toen we bij hem op bezoek kwamen opende hij de Bijbel en kwam met de volgende teksten:

  1.        I Johannes 3: 6: “Ieder die in hem blijft, zondigt niet. Ieder die zondigt, heeft hem nooit gezien en kent hem niet”
  2.        I Johannes 3:8: “en wie zondigt komt uit de duivel voort, want de duivel heeft vanaf het begin gezondigd. De Zoon van God is dan ook verschenen om de daden van de duivel teniet te doen”.
  3.        I Johannes 3: 9 “Wie uit God geboren is zondigt niet, want Gods zaad is blijvend in hem. Hij kán zelfs niet zondigen, want hij is uit God geboren”
  4.        I Johannes 5:18 “We weten dat iemand die uit God geboren is niet zondigt. De Zoon, die uit God geboren werd, beschermt hem, zodat het kwaad geen vat op hem heeft”.

Dat leek een waterdicht betoog. De bede “vergeef ons onze schulden” was voor hem niet meer van toepassing want zijn zonden waren al vergeven.  De zonde, zo beweerde hij, was nog iets van vóór zijn bekering en dat was nu gelukkig een gepasseerd station. Hij maande ons te stoppen met het praten over de zonde. Daar praat je de kinderen van God alleen maar de put mee in en je kunt er bovendien behoorlijk depressief van worden.

Wat konden we hier tegenover stellen?. Wel, een paar teksten uit diezelfde eerste brief van Johannes die heel iets anders schijnen te zeggen:

  1. I Johannes 1: 8-10 :  Als we zeggen dat we geen zonde hebben, misleiden we onszelf en is de waarheid niet in ons. Belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad. 10 Als we zeggen dat we niet gezondigd hebben, maken we hem tot een leugenaar en is zijn woord niet in ons”
  2. I Johannes 2:1: “ Kinderen, ik schrijf u dit opdat u niet zondigt. Mocht een van u echter toch zondigen, dan hebben wij een pleitbezorger bij de Vader: Jezus Christus, de rechtvaardige”.

Die twee series van teksten, nog wel binnen dezelfde brief, lijken tegenstrijdig. Hoe zit dat nu? Zondig je als christen nu nog wél of juist niet (meer)?.

 Wel, het antwoord zit ‘m in dat eerste gedeelte van 3:6 ‘Iemand die in Hem blijft”. In ‘Hem’ dat is hier Christus. ‘In’ Hem zijn (Grieks: èn) is een geliefde uitdrukking ook bij Paulus. ‘In’ Christus zijn betekent niet alleen dat je hecht, onlosmakelijk, onafscheidelijk en eeuwig aan Hem verbonden bent, maar ook dat je zult delen in alles wat Christus voor ons gedaan heeft. ‘In’ Christus heb je je identiteit als kind van God ontvangen. Geen macht ter wereld, ook de zonde niet, kan die identiteit ongedaan maken.

Wie nu ’ in’ Christus is kan niet meer zondigen, want zegt 3:9 ‘Gods zaad is blijvend in hem, Hij is uit God geboren’. Dat ‘niet zondigen’ moeten we dan wel op een bepaalde manier verstaan.  Met het ‘niet zondigen’ wordt bedoeld dat je niet meer zondigt ‘ tot de dood’ (I Johannes 5:16,17). Zondigen ‘tot de dood’ is zodanig zondigen dat je daardoor verloren gaat. Uiteindelijk loopt dat uit op wat in Openbaring 20:14 wel wordt genoemd ‘de tweede dood’. De kinderen van God worden daarvoor bewaard omdat hun namen staan opgeschreven in het boek van het leven. Je kunt je identiteit als aangenomen kind van God nooit meer verliezen. De Boze kan geen vat op je krijgen. Gods genade richt je altijd weer op, hoe diep je ook in de zonde kunt vallen.

Deze Bijbelse leer is prachtig verwoord in de Dordtse Leerregels (Hoofdstuk 5 – De volharding van de heiligen). We hoeven ook op dit punt het wiel niet opnieuw uit te vinden.

We kunnen het ook nog anders formuleren: Leven in de zonden hoort bij degenen die het evangelie helaas verwerpen. Erin leven betekent dat ze zich er goed bij voelen. Ze juichen het zelfs toe als ook anderen in de zonden leven (Romeinen 1:32). Maar vallen in de zonde gebeurt dagelijks in het leven van de kinderen van God. Dat is diep tragisch. Je wilt het niet en toch struikel je telkens weer (Romeinen 7:15). Maar gelukkig we kunnen de toevlucht nemen tot onze pleitbezorger bij de Vader.

In het dagelijks leven zeggen we vaak gemakkelijk ‘sorry’ tegen elkaar voor allerlei dingen die verkeerd gaan. Meestal is het een oppervlakkig excuus om daarna weer tot de orde van de dag te kunnen overgaan.  Onze dagelijkse zonden zijn veel erger en kunnen niet met een oppervlakkig ‘sorry’ richting God worden afgedaan. Dat komt ook omdat we zo’n hoge positie hebben: we zijn koningszonen.  Elke smet op ons koninklijk blazoen wordt door de niet gelovige mensen om ons heen gezien als ook een smet op het blazoen van onze Koning. Een reden om Hem te kunnen afwijzen.

Laten we onze koninklijke positie in dit leven dan ook gebruiken om met een vrij en goed geweten tegen de zonde en de duivel te strijden. Straks valt alles ons ten deel en kunnen we in eeuwigheid met Hem regeren.

 

 

 

 

 

Ben ik nog steeds een zondaar?

In een weblog van Jos Douma met als titel: ‘Terugduwen in het doopwater’ las ik het volgende:

Kunnen wij niet zeggen: ‘In Christus ben ik geen zondaar meer, maar een nieuwe schepping dankzij het vernieuwende werk van de Geest; en zeker, ik zondig nog, vaker dan me lief is; en zeker, op de man af gevraagd erken ik dat het vaak zo tegenvalt met dat nieuw leven – maar God zij dank, ik wás een zondaar, ik bén een nieuwe schepping’.

Arjan Gelderblom die in zijn weblog hierop inhaakt vraagt zich af: ‘ben je een zondaar die geheiligd is of een heilige die zondigt?’.

Toen ik dat zo las dacht ik: Er is niets nieuws onder de zon want waar is deze problematiek al eerder aan de orde geweest? Jawel, bij Maarten Luther (1483-1546). Van Luther is de bekende stelling afkomstig: “Simul Iustus et Peccator” wat zoveel betekent als “Tegelijk rechtvaardige en zondaar”. Wat wordt bedoeld met een ‘rechtvaardige’? Eigenlijk in grote lijnen wat staat in H.C. antw. 60: Een rechtvaardige is iemand die van God een geweldig groot geschenk heeft ontvangen. Geheel onverdiend, alleen uit genade wordt hem of haar de volkomen voldoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus toegerekend. God doet zelfs net alsof ik nooit zonde had gehad of gedaan; het gaat zelfs zover alsof ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht had, die Christus voor mij volbracht heeft. Het middel dat God hiervoor gebruikt is het geloof.

In de visie van Luther wordt de gelovige door God voor de volle 100% voor rechtvaardig verklaard. Je bent kind van God geworden. Een geliefde zoon of dochter. Je bent erfgenaam geworden van God. Alle schatten en gaven van het Koninkrijk vallen je hierdoor ten deel. Hij, Christus, is in ons, en wij in Hem. Je krijgt de gave van de Heilige Geest. Je wordt één met Christus en daarom ben je een nieuwe schepping (2 Korintiërs 5:17). Kortom, je hebt in Christus een geweldig hoge positie gekregen. Dit wordt wel aangeduid als de ‘relationele ontologie’. Dit betekent zoiets als: Wat je bent, dat ben je uitsluitend dankzij je relatie met iemand anders en in dit geval is dat Christus.

Er is ook nog zoiets al ‘stoffelijke ontologie’, wat zoiets betekent als: wat je bent ben je vanuit jezelf als je alleen naar jezelf kijkt. Om die reden bleef Luther volhouden dat de gelovige ook na zijn bekering tegelijk zondaar is. Daarom blijft het gebed om dagelijkse schuldvergeving noodzakelijk. We zijn rechtvaardig, zegt Luther, maar ook de oude Adam zit nog steeds in ons. Luther vergelijkt de situatie waarin een kind van God verkeert met iemand die ziek is, maar die door de dokter wel een volledig herstel beloofd is en die zich nu al gedraagt alsof hij heel spoedig volledig zal herstellen. Luther schrijft: “Rechtvaardiging” is gelijk aan het geval van een zieke die gelooft in de dokter omdat de dokter hem een volledig herstel heeft beloofd. In de tussentijd gehoorzaamt hij trouw de opdrachten van de dokter, in de hoop op het beloofde herstel [van zijn zondige neigingen] en laat die dingen staan die hem door de dokter verboden zijn, zodat hij op geen enkele manier het beloofde volledig herstel zal hinderen of zijn ziekte zal verergeren, totdat de dokter zijn belofte aan hem gestand kan doen”.

Luther vervolgt: “Welnu, is de zieke man al hersteld? De werkelijkheid is dat hij zowel ziek is als hersteld. Feitelijk is hij ziek maar hij is ook hersteld [beschouwd als rechtvaardige]en dat komt door de vaste belofte van de dokter. De dokter die hij vertrouwt en die hem al als hersteld beschouwd, omdat de dokter er zeker van is dat hij hem zal genezen”.

Ook al was ook voor Luther de zonde in het leven van de bekeerde niet langer de baas, (Peccatum Regnatum) toch was en is de aanspraak ‘zondaar’ voor Rome onaanvaardbaar.

Laat ik eerlijk zijn: de aanspraak ‘zondaar’ doet ook zeer aan mijn oren. Maar het is daarbij wel de vraag of dit komt door de oude mens in mij, of dat dit komt door de nieuwe mens in mij die dit een ongepaste aanspraak vind voor een heilige. Want zo worden we in het NT aangesproken: als geroepen heiligen, als een nieuwe schepping, als meer dan overwinnaars enz. We moeten er wel bij zeggen: we hebben deze hoge status niet vanuit onszelf maar alleen in en dankzij Christus.

Het woord ‘zondaar’ wordt in het NT veelal (hoewel niet uitsluitend) gebruikt voor mensen die leven zonder God, buiten Christus en in de zonde. Anders is het gesteld met de kinderen van God. Die voelen zich vaak ‘zondaar’ voor het aangezicht van God. Omdat ze op zo veel fronten nog tekort schieten en in de zonde vallen. Die val in de zonde geeft een droevig gevoel maar het is de Heilige Geest zelf die dit droevige gevoel in het hart van de kinderen van God werkt. Met als doel dat we de toevlucht nemen tot de altijd aanwezige genade van Christus.

Toch denk ik dat het de restanten van de oude mens in mij zijn, die moeite hebben met de aanspraak ‘zondaar’. De Bijbel heeft er in ieder geval geen moeite mee. De tollenaar in Lucas 18:13 zei niet: ‘ O God wees mij, heilige, die gezondigd heeft genadig’ maar hij zei: ‘O God, wees mij zondaar genadig’. En wat lezen we dan: Hij ging als ‘rechtvaardige’ naar huis.

En Paulus? Hij wordt er in Romeinen 7 haast wanhopig van als hij ziet hoeveel invloed de zonde in zijn leven nog heeft: ‘Wat ik verlang te doen, het goede laat ik na, wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik’’(Romeinen 7:19) En dan volgt de haast wanhopig klinkende uitspraak: ‘Wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?’(Romeinen 7:25 NBG vertaling).

Er is geen enkele reden om gering te denken over de invloed die de zonde nog heeft in het leven van de door de Geest van God vernieuwde mens. Onderschatting van die kracht leidt tot hevige ontsporingen. Dat heeft de geschiedenis ons duidelijk geleerd. Is het erg om in het doopwater te worden terug geduwd? Nee, niet als we daarna maar onmiddellijk de toevlucht nemen tot de genade van onze Heer. Want dan komen we er alleen maar sterker uit tevoorschijn en verliest de zonde steeds verder terrein in ons leven. Dan blijven we niet in de zonde vastzitten. Paulus wijst ons de uitweg: ‘God zei gedankt hiervoor, door Jezus Christus onze Heer’(Romeinen7:25).

‘Tegelijk rechtvaardige en zondaar’. Die uitspraak blijft zeer doen aan mijn ‘oude’ oren maar toch kan ik er niet onderuit. Niet zo lang ik leef op aarde. Straks wel, als de volmaaktheid zijn intrede zal doen. Dan zal de hoge ‘status’ -die ik nu al heb in Christus- volkomen gelijk zijn aan de ‘stand’ van mijn leven.

 

 

Eat,pray,love: plug into the Powerhouse of Heaven

Bij de charismatische theoloog Kenneth Hagin kom ik de volgende instructie tegen:

  • Say it
  • Do it
  • Receive it
  • Tell it

Toen ik dat zo las moest ik weer even denken aan de discussie over ‘Eat, pray, love’ (zie hiervoor mijn eerdere weblog). Ik merkte een bepaalde overeenkomst met de woorden van Hagin.

‘Eat, pray, love’ als de expressie van het echt, radicaal kerk zijn wordt sterk gepropageerd door o.a. David Heek. De kerk als organisatie heeft daarbij veelal af gedaan, de verkondiging wordt meer en meer naar de achtergrond geschoven. Discussies over zaken als doop, verbond enz. worden afgedaan als non-issues uit een ver verleden die de jonge generatie niet meer interesseert. Weg met al die dogma’s en regeltjes. Hou het simpel. Doe het nu maar: Eat, pray, love en wees daarin relaxed en radicaal en dan…. dan gaat er echt iets gebeuren. Dan komt er echt leven in de brouwerij!.

Het geheel wordt daarbij al snel- wellicht onbedoeld- een methode. Een versmalling. Alleen het ‘koinoonia’ element wordt uit het kerk zijn van Hand. 2:42 gelicht, en tot het een en al verklaard. Een dergelijke versmalling treffen we ook bij Kenneth Hagin aan. Wel op een andere manier. Maar tegelijkertijd zijn er raakvlakken.

De naam Hagin is sterk verbonden aan de z.g. ‘rhema’ theologie. Daar moeten we eerst iets meer over vertellen. Deze theologie heeft in de vorige eeuw megakerken en wereldbewegingen doen ontstaan. Deze beweging gebruikt de Bijbel op twee manieren. Dat werkt zo: Het Bijbelse Grieks kent twee termen voor wat wij vertalen met ‘woord’. Enerzijds het woord ‘rhema’ en anderzijds het woord ‘logos’. De Rhema theologen maken nu een zeer sterk onderscheid tussen het Bijbelse woord ‘rhema’ en ‘logos’. ‘Logos’ is in deze opvatting het Woord op schrift. Daaruit kunnen we God leren kennen, het evangelie en de geschiedenis van het heil. Het gaat dan om objectieve kennis van God en Zijn heilswerk. De theorie, de dogma’s enz.

Wanneer deze theologen het woord ‘rhema’ tegen komen in de Bijbel dan denken ze aan een ander verstaan en werking van Gods woord. Dat komt omdat in hun visie het woord ‘rhema’ een totaal andere betekenis heeft dan ‘logos’. Overigens, m.i. ten onrechte, maar daar kom ik aan het einde nog even op terug.

Schriftwoorden hebben volgens deze gedachte niet alleen een bepaald logos gehalte maar ook een potentieel rhema- gehalte. Geschreven Bijbelwoorden (logoi) hebben de potentie in zich om eventueel ‘rhema’ te worden in het concrete leven van de gelovigen. Kort samengevat: de uitleg van ‘logos’ woorden leidt tot objectieve kennis van God, zeg maar: de leer. Deze kennis is passief en statisch. De werking van het ‘rhema’ woord is de subjectieve ervaring in het leven van de gelovige en die is veel concreter en dynamischer. Het ‘rhema’ woord zou zelfs scheppingskracht hebben.

De ‘Rhema’ theologie leert ons dat de Heilige Geest woorden uit de Bijbel neemt en deze herhaalt en bijzondere kracht en betekenis geeft in het leven van de gelovige: ‘God’s word for you in your present situation, a word spoken for a particular occasion’. Het ‘rhema’ woord krijgt ‘power’ wanneer de Geest dit woord in de mond van de gelovige legt. Het moet daarom nadrukkelijk door de gelovige hardop worden uitgesproken. Vandaar dat de instructie luidt: ‘Say it’. De gelovige dient Bijbelwoorden en beloften veelvuldig uit te spreken (als een soort van mantra) en dan treedt de scheppende kracht van het woord in werking.

Bijbelwoorden krijgen volgens Kenneth Hagin gegarandeerd ‘creative power’, mits je de vier stappen maar zet: ‘Say it – Do it – Receive it – Tell it. Als je dat, al biddende, op die manier doet dan krijg je alles wat je maar hebben wilt: ‘You can have what you say’. Je mag dit zeker weten omdat dit door jou als maar herhaalde woord door de Geest wordt getransformeerd tot een ‘rhema’ woord. Het wordt op die manier een scheppend Woord dat zijn uitwerking nooit kan missen. Je moet natuurlijk hiervoor wel een onwrikbaar geloof hebben, anders gaat het niet werken. Niets is op die manier onmogelijk want ‘Faith is force; just plug into the powerhouse of heaven’.

Een voorbeeldje hoe zo iets werkt in de praktijk. Een predikant overweegt of hij een beroep uit een andere gemeente moet aannemen of niet. Hij leest herhaalde malen hardop Hand. 16:9b: ‘Kom ons te hulp’’ en nu weet hij het zeker: ik moet dit beroep aannemen. Of hij leest herhaalde malen hardop Openb. 3:11: ‘Houd vast aan wat u hebt’ en hij weet het zeker: dit beroep moet ik niet aannemen.

Het raakvlak van de rhema theologie met de ‘eat, pray, love’ gedachte zit ‘m hierin dat beiden menen door simpele handelingen iets extra’s te krijgen dat schijnbaar ontbreekt in de traditionele manier van kerk zijn- een kerk zijn met nadruk op de verkondiging van het Woord en de strikte binding van de Geest aan dat Woord. Ook de z.g. ‘overwinningstheologie’ speelt hierin een rol. Dit punt werk ik nu verder niet uit.

Tenslotte nog dit. Met betrekking tot de rhema-theologie ben ik van mening dat het scherpe onderscheid dat deze theologie maakt tussen ‘logos’ en ‘rhema’ geen sterke papieren heeft. Ik ben van mening dat beide woorden vrijwel synoniem zijn in de Bijbel. Neem bijv. Matteüs 12:36,37: “Van elk nutteloos woord (rhema) dat mensen spreken, zullen ze op de dag van het oordeel rekenschap moeten afleggen. Want op grond van je woorden (logoon) zul je worden vrijgesproken, en op grond van je woorden (logoon) zul je worden veroordeeld’.  Trouwens, ook van het woord ‘logos’ wordt gezegd dat het krachtig en dynamisch is. Als voorbeeld mag dienen Hebr. 4:12: ‘Want levend en krachtig is het woord (logos) van God en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken, en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden’.

 

Belangstelling voor de tweede dienst taant.....

Er is één belangrijk ding dat ik gemist heb  in het artikel ‘Belangstelling voor de tweede dienst taant, maar toewijding blijft’  dat op 28 december 2010 in het ND werd geplaatst.  Wat ik gemist heb is een antwoord op de vraag: Om wie gaat het in de eredienst nu eigenlijk? Gaat het om het vervullen van mijn persoonlijke religieuze behoeften? Als dat het geval is dan komen we uit bij het standpunt dat door velen in dit artikel wordt verwoord. De kerkdienst is dan slechts één van de middelen om aan die behoefte te voldoen. Andere middelen kunnen zijn: huiskringen, massa-evenementen als New Wine of Opwekkingen, Twitter, etc. Je zou kunnen zeggen voor elk wat wils. Je moet datgene doen wat bij jou past. Diensten en vieringen worden alleen nog georganiseerd rondom bepaalde gebeurtenissen, zoals bijv. ziekte. Het motto daarbij is: u vraagt en wij draaien. Kortom een facilitaire kerkgemeenschap in optima forma. Heb je een bepaalde behoefte niet, dan doe je er ook niet aan mee. Kerkgang is een optie geworden, hetzij twee of één keer per zondag of zelfs helemaal niet. De geïnterviewde predikanten van het artikel hebben gelijk. Het aantal religieuze handelingen van de gelovigen is toegenomen. Vanuit dat oogpunt is er zelfs méér toewijding dan een aantal decennia geleden en zou er ook geen reden voor somberheid hoeven te zijn. Maar je mag je wel afvragen of die toewijding wel de soort van toewijding is die de Heer van ons allen vraagt. Immers, sommige geïnterviewden in dit artikel lijken – al dan niet bewust-behoorlijk geïnfecteerd te zijn door het post moderne denken. De trend in dit post moderne denken is dat religie weer mag in onze cultuur. Maar dan niet op de traditionele wijze. Geen grote verhalen meer. Geen bindingen meer aan een kerkgemeenschap. Maar alles geheel vrijblijvend. Een ieder stelt een persoonlijk boeket van religieuze handelingen samen dat bij je past en waar je jezelf lekker bij voelt. Maar let wel op dat je elkaars  keuzen respecteert en elkaar niet met regels lastig valt. In dit kader past de uitspraak vans Ds. van der Schee goed dat je alleen maar regels in de kerkorde zet die voldoende draagvlak hebben in de kerk, anders is het volgens hem ‘onzin’. Over onzin gesproken!!.

Maar waar gaat het in de eredienst dan wel om? Het woord ‘dienst’ zegt het zelf al. Het gaat om het ‘dienen’ van God. God heeft een boodschap voor ons en wij ‘dienen’ hem door die boodschap aan te horen en deze te be-amen, om Hem vervolgens daarvoor te danken, te eren en te prijzen. Dat is een eredienst, een dienst van het Woord zoals die vroeger werd aangeduid. Een dienst dus waarbij de Heer op de voorgrond staat. Hij gaat via de bediening van het Woord tot ons spreken. Hij roept ons a.h.w. op appel. Zo ging het vroeger, toen ik in militaire dienst zat, ook. Als er een officiële mededeling moest worden gedaan dan werd de hele kazerne op appel geroepen. Weg blijven kwam niet eens in je op. Laten we eens eerlijk zijn. Wie zal ooit zonder opgaaf van redenen, weg blijven als je werkgever, je baas, je oproept om op een bepaald tijdstip bij hem op kantoor te komen? Als onze hoogste Baas ons roept, kijken we dan eerst of het in ons schema van de dag past?.

Elke eredienst is tevens een publiek getuigenis van onze Heer. Een openbare proclamatie. Hij heeft een rechtszaak met deze wereld. Hij maakt officieel bekend dat Hij is opgestaan. Heel de wereld moet dit weten. Dat getuigenis moet worden verkondigd totdat Hij terug komt. Hij roept Zijn volk op om dat getuigenis verder te dragen in deze wereld. In woord en daad. Dat is de reden waarom deelname aan de eredienst nooit een vrijblijvende aangelegenheid is. Wie daaraan niet wil deelnemen die is volgens de Bijbel ongehoorzaam.

‘Ongehoorzaam zijn’ dat doet pijn aan het post moderne oor. Simpel doen wat er van je gevraagd word en dat ook blijven doen, jaar in jaar uit, dwars tegen de stroom en de heersende cultuur in. Het lijkt haast een woord uit een ver verleden.  Maar God heeft er hele koninkrijken en koningen om verworpen.

Een voorbeeld daarvan is koning Saul. Saul bouwde zijn eigen religieus feestje. Daarvan lezen we in I Samuël 13:8-15. Saul had de nadrukkelijke opdracht gekregen te wachten op Samuël voor het opdragen van het brandoffer. Maar hij was eigenwijs en wachtte niet en droeg zelf het brandoffer op. Een schijnbaar kleine ongehoorzaamheid zouden we zeggen. Maar erg genoeg in de ogen van God om het koningschap van hem af te nemen en hem te verwerpen. God had en heeft nl.  een bloed hekel aan ongehoorzaamheid. Niet dat Saul niet religieus was. Integendeel. Hoofdstukken lang horen we uit de mond van Saul ‘’HEER’’ hier en “HEER” daar, zeggen. Vandaag zouden we zeggen: iemand die de naam van Jezus veel op de lippen heeft. Maar als het erop aan komt gaat hij zijn eigen gang.

Het lijkt erop dat het woord van Samuël “Spreek HEER, uw dienaar luistert” niet meer van deze tijd is. Dit woord doet in de ogen van veel christenen tekort aan ons nieuw testamentisch gevoel van mondigheid.  Toch blijft dit adagium de voorwaarde voor een kerk om te overleven. Een kerkgemeenschap die druk bezig is om het zoveel mogelijk mensen naar de zin te maken zal het niet overleven. Hoe boordevol de agenda ook gevuld is met op zich goede religieuze activiteiten. Maar alleen een kerk die blijft vasthouden aan het “Spreek HEER, uw dienaar luistert” heeft toekomst. Het wordt de komende tijd erg spannend welke kant we opgaan.

 

 

Het einde van de zondagse samenkomsten in zicht?

Op de weblog van David Heek las ik het volgende

“Iemand vertelde me laatst een preek over dat bekende vers uit Hebreeën 10, 25 gehoord te hebben. Je weet wel, ‘dat je de samenkomsten niet moet verzuimen’. Bleek dat die samenkomsten niet één op één te stellen zijn met onze zondagse kerkdiensten, maar juist met de huiskringen die zij in die tijd hadden. Het zou inderdaad ook vreemd zijn als de prediker van de Hebreeënbrief/preek tegen de aanwezige hoorders zou zeggen dat ze die samenkomst niet moeten verzuimen. Ze zitten er toch juist? Het gaat om de samenkomsten buiten de ‘vaste kerkdienst’ om”.

Ik denk niet dat deze redenering klopt. Als ik dit citaat goed begrijp dan kan een predikant alleen een vermaning tot een groep gelovigen uitspreken als die gelovigen ook fysiek onder zijn gehoor aanwezig zijn. Maar waarom zou dat nodig zijn? Vlak voor deze tekst staat toch de oproep ”opmerkzaam te blijven en elkaar ertoe aan te sporen lief te hebben en goed te doen, in plaats van weg te blijven van onze samenkomsten’. Kennelijk was er een groep gemeenteleden die regelmatig weg bleef uit de samenkomsten of zelfs helemaal niet meer verscheen. De gemeente wordt aangespoord die ontrouwe kerkgangers ook op dit punt aan te spreken. De gedachte die achter boven vermeld citaat van David Heek zit is, dat de huisgroepen (specifiek gericht op ’eat, pray love’) belangrijker zouden zijn dan de wekelijkse verkondiging in de samenkomsten van de gemeente. Weg blijven uit de wekelijkse verkondiging zou geen probleem zijn want dat is toch een aflopende zaak, maar weg blijven uit de huisgroepen, nee dat zou volgens deze tekst niet kunnen.

Als je echter, goed naar Hebreeën 10:25 kijkt, is dit m.i. niet vol te houden. Voor het woord ‘samenkomsten’’ staat in het Grieks: ἐπισυναγωγὴν (episunagoogèn). Daar zit het bekende woord ‘synagoge’ in, wat zoveel betekent als’ huis van samenkomst’. Dat klonk die gemeente, die Hebreeën, natuurlijk heel bekend in de oren. Want die Hebreeën, dat waren joden. Er staat vóór dat woord ‘sunagoogèn’ het voorzetsel ‘epi’ dat ’op’ kan betekenen. Er zit op die samenkomst a.h.w. een soort van op of aanbouw. Calvijn gebruikt hier het woord ‘toevergadering’ – een samenkomst met aangroei. En die aangroei in de gemeente, dat zijn dan de heiden christenen die zich bij de gemeente voegden. Volgens Calvijn accepteren sommige joden christenen die aangroei van de heidenen in de gemeente niet en is dat voor hen een reden om weg te blijven uit de samenkomsten.

Die Hebreeën zeiden we, dat waren joden christenen. Die waren nog volop bekend met de betekenis en de functie van de synagoge. De synagoge was(en is) immers een Godshuis voor gebed, schriftstudie en onderwijzing. Precies wat er ook in onze erediensten gebeurt. Dat wijst toch wel in een heel andere richting dan alleen maar ‘eat, pray and love’ gemeenschappen.

Het aardige is dat die aansporing om de samenkomsten niet te verzuimen in Hebreeën 10:25 in het kader staat van de dag van de wederkomst van Christus. Naarmate de dag van die wederkomst nadert wordt het nóg belangrijker de samenkomsten bij te wonen en niet te verzuimen.

Nu komt dat woord ‘episunagoogès’ nog één keer voor in het N.T. Het staat in 2 Thessalonicenzen 2:1:’Over de komst van onze Heer Jezus en het tijdstip waarop we met Hem worden verenigd zeggen we U, verlies niet meteen uw verstand….’. De NBV heeft hier dus dit woord ‘episunagoogès’ vertaald met: ‘verenigd’. De SV gebruikt weer dat woord ‘toevergadering’. Opvallend is dat dit woord ook weer staat binnen het kader van de wederkomst. Het gaat hier om de vereniging van Christus met Zijn gemeente op de jongste dag. Nu is Hij nog in de hemel straks wordt Hij met zijn bruid, de gemeente verenigd. De gemeente van de Heer die bestaat uit joden en uit heidenen wordt met Hem ‘vergaderd’.

Welke conclusie kunnen we hieruit trekken? De eerste is dat het in Hebreeën 10:25 gaat om de samenkomsten van de gemeente onder de bediening van het woord van de verzoening. Niets wijst erop dat her hier om samenkomsten buiten de vast kerkdiensten om zou gaan. Integendeel.

De tweede conclusie is dat de doorgaande verkondiging verre van passé is. Ook hier zeggen we: Integendeel. Deze tekst leert ons dat naarmate de grote dag van de wederkomst dichterbij komt, de verkondiging in de samenkomsten steeds belangrijker wordt. De aanvallen op die verkondiging zullen ook heftiger worden, niet in het minst aangejaagd door de ver doorgevoerde individualisering. De individualisering die alle grenzen diffuus maakt. Deze ontwikkeling daagt de kerk uit om na te denken over de vorm waarin de erediensten gegoten worden. Om vormen te vinden die passen bij deze tijd maar die tevens de inhoud van de verkondiging intact laten. Eén ding staat vast. Wil de kerk overleven dan moet de verkondiging blijven klinken in de gemeente. Zoals Paulus Timoteüs opdroeg: ‘Ik bezweer je bij zijn komst en heerschappij: verkondig de boodschap, blijf aandringen, of het nu uitkomt of niet’ (2 Timoteüs 4:2)

Jezus: niet alleen maar "Relaxed - radicaal eten"

Op de website van David Heek kom ik de volgende citaten tegen:

Eerste citaat “Is de Nederlandse christen radicaal?
Zo niet, zou dat dan misschien komen omdat hij/zij, thuis, persoonlijk en in de kerk, niet geleerd heeft zich bij Jezus te ontspannen?”.

Tweede citaat: ”Welke christen wil al (aan)biddend niet opstijgen tot in de zevende hemel? En wie droomt niet van een liefde die zowel blijvend als gigantisch en orgastisch is? Een liefde die je gek maakt, maar die je niet afmat? Een liefde waarin je voortdurend in zou willen rondwoelen en een liefde waaraan je je blijvend te goed wilt doen?”

Als je deze twee citaten zo op je in laat werken dan zou je haast denken: wie wil dat nou niet? Je gaat naar Jezus toe en Hij geeft je een lekker relaxed gevoel. Geen inspanning maar ontspanning. En dat allemaal zonder dat Jezus je drugs toedient. Het euforische gevoel dat het gebruik van drugs je geven is wel even gigantisch en wellicht zelfs orgastisch, maar het is niet blijvend. En het mat je af. Je blijft achter met een enorme kater. Je moet weer op weg voor een nieuwe shot. Ik heb wel eens gehoord dat wie hier op aarde op de hemel wil vooruit grijpen, die krijgt uiteindelijk de hel. De vele drugs verslaafden kunnen er van meepraten.

Bij Jezus is dat allemaal anders. Wie in Hem gelooft, heeft eeuwig leven. Nu al (Joh.3:36).Die is van de dood over gegaan naar het leven, het echte leven. Dat heeft een enorm effect in je leven. Jezus heeft het voor jou gedaan. Dat maakt je heel erg relaxed. De Geest van God neemt de touwtjes over in je leven. Hij vernieuwt je elke dag, zodat je steeds meer op Jezus gaat lijken. Dat is een proces dat je hele leven door gaat. De Geest gaat je ombouwen. Hij gaat steeds meer lagen in je binnenste aanraken en die veranderen. Dat kan behoorlijk ‘au’ doen. Maar uiteindelijk wordt je er alleen maar sterker van. Relaxed mag je inderdaad zijn. Want het is voor jou gedaan. Soms geeft je dat een goed gevoel. Maar het blijft niet. Het blijvende euforische, hemelse gevoel moet nog wachten tot alles volmaakt is. We hebben op dit punt nog een belofte voor ons liggen. Het kenmerkende van een belofte is: geduld, geduld en nog eens geduld. Wachten en nog eens wachten, gehoorzaam de tijd afwachten totdat de belofte uiteindelijk vervuld wordt .Abraham, onze vader, weet er alles van. Als je in dat geduld, in dat wachten, radicaal bent, dan ben je een echte volgeling van Jezus.

Als het dan toch over radicaliteit hebben, dan hebben we een goed voorbeeld aan Johannes de doper. Er zat geen enkele nuancering in zijn radicale boodschap over de komende Jezus: ’De bijl ligt al aan de wortel van de boom: iedere boom die geen goede vruchten draagt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen’ (Lucas3:9). Toen kwam Jezus. Hij verkondigde het evangelie en deed veel wonderen. Toch bleef het heel rustig. Geen oordeel, geen bijl. Johannes werd door Herodes in de gevangenis gezet. Van een ‘bijl’, van een oordeel zag Johannes helemaal niets terecht komen. Het viel allemaal zo tegen. Alles scheen bij het oude te blijven. Uitgerangeerd in de gevangenis, gedesillusioneerd, geërgerd en zwaar teleurgesteld zond hij vanuit de gevangenis een boodschap naar Jezus: ‘Bent u degene die komen zou, of moeten we een ander verwachten?”. (Matteüs 11:3).

Wat doet Jezus? Hij geeft Johannes antwoord. Van dat antwoord werd de radicale Johannes relaxed. Jezus zei: ’Blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekend gemaakt’. Jezus doet in Zijn antwoord aan Johannes niets anders dan het citeren van wat de profeet Jesaja al over Jezus had aangekondigd. Jezus gaat te werk volgens de regels van Zijn messiaans programma. Dat programma hadden de profeten al aangekondigd. Dat betekent allereerst het evangelie verkondigen en dat evangelie onderstrepen met machtige wonderen en tekenen. Het evangelie verkondigen betekent zaaien en nog eens zaaien. En dan maar geduldig wachten op de uitkomst. Wachten totdat de oogst aan het einde van de rit komt. Die bijl van Johannes, dat oordeel, dat komt wel. Maar pas aan het einde. Als de laatste uitverkorene, als de laatste geliefde van God, het evangelie gehoord heeft. Als de laatste bazuin klinkt.

Een ongeduldig mens kan niet wachten op de uitkomst. Hij wil onmiddellijk resultaten zien .Die resultaten geven hem een kick. Hij wil dat euforische, orgastische gevoel nu hebben en het ook vast houden. Dat is zijn vorm van radicaliteit. Maar deze vorm van radicaliteit is het zusje van het ongeduld. Valt het resultaat van zijn inspanning tegen, dan gooit hij de beuk er in en begint weer iets nieuws. Feitelijk volgt hij daarmee zijn eigen programma. Maar Jezus niet. He always plays by the book. Volgens de afgesproken regels. Altijd gehoorzaam aan de wil van Vader boven. Wie Jezus daar in wil volgen, die is pas echt radicaal en welkom aan Zijn tafel. Eet smakelijk!.

 

 

 

Eat, pray,love - is that all?

 

‘Eten, bidden, beminnen’ méér niet. Dat is alles wat een geloofsgemeenschap vandaag zou moeten doen. De traditionele kerken met hun strakke vormgeving en liturgie zouden daarbij een aflopende zaak zijn. Alleen als je met deze simpele basis formule aan het werk gaat, zou de kerk nog aantrekkingskracht in deze wereld en dus nog een toekomst hebben. Zo niet, dan is het afgelopen, passé. Het motto daarbij is vrijheid en blijheid, het moet vooral leuk en aantrekkelijk zijn. Je zou haast zeggen: was het maar zo gemakkelijk. Er wordt vaak verwezen naar het simpele, ongecompliceerde, kerkelijk leven van de eerste christelijke gemeente. Daar was het toch ook alleen maar ‘eat, pray and love?’.

Als je daar goed naar kijkt, dan geeft dat leven van die gemeente echter een heel ander beeld te zien. Hiervan lezen we in de Handelingen van de Apostelen. Handelingen 2:42 wordt wel eens gezien als de ‘mission statement’ van de eerste christelijke gemeente. We lezen daar: ‘Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood wijdden zich aan het gebed’. De NBV heeft hier vertaald: ‘Ze bleven trouw aan’. In de Griekse grondtekst staat het echter krachtiger uitgedrukt. Het gebruikte werkwoord betekent daar zoiets als: ‘ze hielden met alle kracht vast aan’. Vandaar de vertaling van de NBG 1951: ‘Ze volharden bij’. Dit betekent dat het helemaal geen vanzelfsprekende zaak was om trouw te blijven aan het onderricht van de apostelen en aan de gemeenschap. Dat kostte best veel moeite. Er gebeurt echter altijd één ding als je Jezus volgt: er komen gegarandeerd tegenkrachten op gang. Maar ondanks alle tegenstand bleef die gemeente trouw. Ook toen de jonge gemeente te maken kreeg met aanvallen van de Satan. Eerst van binnen uit: het bedrog en de dood van Annanias en Safira. Maar ook van buiten af: bedreigingen tegen de apostelen, gevangenschap en bloedige vervolgingen. Reken er maar op dat daar ook veel tranen bij vloeiden. Het volgen van Jezus is lang niet altijd ‘leuk’ en alleen maar vrijheid en blijheid. Hoewel er ook iets heel moois gebeurt als je vol houdt en niet toegeeft: De Heilige Geest geeft je vrijmoedigheid om te spreken over de boodschap van God (Hand.4:31). Missionair spreken en handelen komt vaak pas op gang als de kerk vervolgd wordt. Dat leert ons de Handelingen.

Was er dan in die eerste gemeente helemaal geen sprake van ‘eat, pray and love?’. Toch wel. Dat zit verborgen in dat woord: ‘zij vormden een gemeenschap’. In het Grieks staat voor “gemeenschap” dat bekende woord: ‘koinoonia’.Dat woord is op zijn beurt weer afgeleid van het woord: ‘koinos’ en dat kan betekenen: ‘gewoon’ ’alledaags’ ’profaan’. Zeg maar: de gewone dingen, het leven van alle dag. Het wijst op een dagelijks met elkaar omgaan in die eerste gemeente. Het alles delen met elkaar. Zo hielden ze ook de liefdesmaaltijden met elkaar. Daar werd inderdaad gegeten en gebeden en bemind. Maar daar moet wel iets aan worden toegevoegd: dat was niet in tegenspraak met de leer, het onderricht van de apostelen, maar vloeide daar juist uit voort. Dat onderricht van die apostelen op zijn beurt, bouwde voort op de geschiedenis en de leer van het O.T. Daar zat continuïteit in. Die eerste gemeente zei niet: ‘weg met die leer, die dogma’s, die regeltjes van de apostelen, laten we een streep halen door het verleden, dat is passé, laten we het simpel houden’. Maar ze bleven onverkort vasthouden aan dat onderricht en bouwden daarop voort.

De conclusie kan geen andere zijn dan deze: Een kerk overleeft alleen als de verkondiging van het evangelie centraal blijft staan in de samenkomsten van de gemeente. Dat was toen al zo en dat blijft zo. Want het getuigenis van Jezus moet vol worden. Elke eredienst is een publiek getuigenis, een openbare verkondiging, een proclamatie van de Heer dat Hij werkelijk opgestaan is. Totdat dat getuigenis ‘vol’ is. Dan komt Hij terug. Getuigen als gemeente kan alleen maar als je dat publiekelijk doet. De gemeente moet in deze wereld daarom altijd een vast aanspreekpunt, een adres hebben. Daarom moet je geen streep door het verleden halen. Dat zou dom zijn. Je haalt een streep door het verleden als je het gemeente zijn  geheel laat opgaan in de gemeenschap: het eten, beminnen en liefhebben. Je mag als kerk voortbouwen op de geschiedenis van de verkondiging. Daar kan je veel van leren. Je mag aan de inhoud eigentijds vorm geven. Samen nadenken over wat past bij deze tijd. Zo zijn de huiskringen die in veel van onze kerken aan het ontstaan zijn een goede zaak. Een uitstekende gelegenheid om te eten en te bidden en lief te hebben. Maar dat zal nooit ten koste mogen gaan van de verkondiging van het evangelie in de samenkomsten van de gemeente. Want het gaat ten diepste niet om ons, om ons eten en bidden en beminnen maar om Hem. De apostel Johannes verbindt de verkondiging van het evangelie en de gemeenschap (‘de konoonia’) prachtig aan elkaar. Hij schrijft in I Johannes 1: 3: ‘Wat we gezien en gehoord hebben, verkondigen we ook aan u, opdat ook u met ons gemeenschap zou hebben. En onze gemeenschap  is met de Vader en zijn zoon Jezus Christus’.

 

Is Make you feel my love een gewone love song?

‘Make you feel my love’ werd door Bob Dylan in 1997 gecomponeerd en uitgebracht op de CD ‘Time out of Mind’.Sindsdien is de song al vele malen gecoverd door heel veel artiesten. Bovendien wordt het nummer de laatste jaren in Nederland frequent uitgevoerd bij allerlei talentenjachten. Het liedje is daardoor nu ook bij het grote publiek bekend geworden.

De eerste jaren heb ik zelf ook steeds gedacht dat het liedje niet meer dan een gewoon liefdesliedje was. Een ‘gewoon’ liefdesliedje waarin het alleen maar over de liefde tussen twee personen gaat en waar je geen diepere betekenis achter moet zoeken. Liefdesliedjes waarvan er al duizenden en duizenden gecomponeerd zijn. In de popcultuur is ‘liefde’ het hoofdthema, in allerlei vormen en variaties. Maar al die liefdesliedjes blijven over het algemeen ‘down to earth’. Van Bob Dylan weten we dat hij slechts zelden materiaal schrijft dat op zijn minst niet voor menigerlei uitleg vatbaar is.

De CD ‘Time out of Mind’ is, als zoveel van Dylan’s werk, donker gekleurd, met af en toe een sprankje hoop. De CD kan het best gezien worden als het verslag van een zware pelgrimstocht waarbij de dichter voortdurend ‘on the move is’, om uiteindelijk in ‘The Highlands’ uit te komen. Het valt nauwelijks te betwijfelen dat “The Highlands’’een metafoor is voor de hemel. Alle songs op de CD vormen een episode van deze lange en eenzame pelgrimstocht. Zo beschouwd kan het niet anders of ‘Make you feel my love’ heeft meer te zeggen dan op het eerste gezicht lijkt.

Ik ben uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat je de song ook kunt interpreteren als een soort van liefdesverklaring van Jezus voor al zijn volgelingen. Die gedachte is niet zo vreemd als het lijkt. De liefde tussen man en vrouw wordt in Efeziërs 5 in verband gebracht met de liefde van Christus voor zijn gemeente. (Efeziers 5:28-32). Als zodanig is ‘Make you feel my love’ dus een zeer geschikt bruiloftslied.

Er zitten een paar Bijbelse elementen in de song verwerkt die mijn  interpretatie ondersteunen. We lezen:‘nothing that I wouln’t do, go to the ends of the earth for you, to make you feel my love’. ‘The ends of the earth’- de einden der aarde- is een uitdrukking die vaak in de Bijbel voorkomt. Alleen al in de Psalmen maar liefst 15 keer. Meestal duidt de uitdrukking aan dat de macht van God onbeperkt is en reikt tot aan ‘de einden van de aarde’. Hij laat Zijn liefde en kracht overal voelen, tot in de verste uithoeken van de wereld. Overal roept Hij mensen tot bekering en tot erkenning van zijn glans en majesteit.

In Matteus 29:19 lezen we dat Jezus zijn apostelen de wereld instuurt om alle volken tot Zijn leerlingen te maken. Als die taak volbracht is zal Hij terugkomen. Dylan zingt hier de laatste tijd ook weer over: ‘Jesus is coming, He’s coming back to gather his jewels’[1]. Daarvan lezen we ook in Marcus 13: 27: ‘Dan zal Hij (d.i. Jezus) de engelen erop uitsturen om zijn uitverkorenen uit de vier windstreken bijeen te brengen, van het uiteinde van de aarde tot het uiteinde van de hemel’.  

Nog een element dat sterk Bijbels gekleurd is. We lezen: ‘I’d go hungry, I’d go black and blue, I’d go crawling down the avenue, Oh there’s nothing that I wouldn’t do to make you feel my love’. Jezus werd door de duivel op de proef gesteld. Hij had 40 dagen en nachten gevast en kreeg toen grote honger (Matteus 4:2). Maar veelzeggender is de uitdrukking ‘I’d go crawling down the avenue’ hetgeen je kunt vertalen door: ‘Ik zou voor jou wel door de laan, de hof willen kruipen’. Dat is ook exact wat Jezus deed in de hof van Getsemane. Jezus lag lang uitgestrekt met zijn gezicht op de grond en kroop a.h.w. door het stof.(Matteus 26:39). Inderdaad, niets heeft Hij nagelaten om ons Zijn liefde te tonen.

Als je dit liedje eenmaal zo hebt leren verstaan dan is het een prachtige uitdrukking van de liefde van Jezus voor zijn kinderen. Hij neemt je op in zijn armen (‘I could offer a warm embrace’). Hij nodigt je uit voor Hem te kiezen want Hij heeft je altijd al gekend en al lang voor jou gekozen (‘I’ve known it  from the moment that we met, no doubt in my mind where you belong’).

Hoe het ook kan stormen in je leven en je te worstelen hebt met berouw en spijt (‘the storms are raging on the rolling sea and the highway of regret’), hoe de tijden en culturen ook veranderen, (‘the winds of change are blowing wild and free’’), je zult straks zeer verwonderd zijn als Hij terugkomt want je hebt het beste van Hem nog niet gezien (‘you ain’t see nothing like me yet’).              

 

 

 


[1] Dit is een citaat uit het opnieuw bewerkte nummer: ‘Gonna change my way of thinking’. Met dit nummer opende Dylan de laatste acht optredens van de najaarstournee 2010 in Amerika.

[1]      «      10   |   11   |   12   |   13   |   14      »      [14]