Sometimes it feels like Bob Dylan says: "I practice a faith that's long been abandoned, ain't no altars on this long and lonesome road"

Visitors to this website today: 179Total number of visitors to this website: 510239
Welcome to the website of Kees de Graaf
Kees de Graaf keesdegraaf.com

Het boek 'De Uitnodiging'' van W. Paul Young -een recensie - Deel 2

Het boek 'De Uitnodiging' van  W. Paul Young - een recensie - deel 2

We gaan verder met de bespreking van dit zeer intrigerende boek van Paul W. Young 'De Uitnodiging'. We geven een aantal citaten waarop we commentaar geven. De citaten zijn steeds schuin gedrukt.

 Op Pagina 114 zegt Papa iets over de Drie-eenheid wat heel erg Schriftuurlijk lijkt: “Wij zijn niet drie goden en we hebben het ook niet over één god met drie hoedanigheden, zoals een man die tegelijkertijd echtgenoot, vader, en werknemer kan zijn. Ik ben één God en ik ben drie personen en elk van deze drie is ten volle en volkomen de Ene”.

Bovenvermeld citaat lijkt recht te doen aan de wijze waarop de Bijbel spreekt over de Drie-eenheid.   Maar erg verwarrend wordt het wanneer we op pagina 107 heel iets anders lezen en wel dat niet alleen Jezus littekens draagt maar dat Mack ook littekens op de polsen van Papa (!) ziet. Op pagina 253 lezen we iets soortgelijks: ‘Zoals je weet was het niet mogelijk om vrijheid te scheppen zonder er een prijs voor te betalen. Papa keek omlaag naar zijn handen en polsen waar de littekens duidelijk zichtbaar waren”.

We zien in dit citaat een aantal elementen die in eerste instantie lijken op diverse oude dwalingen  uit de eerste eeuwen van de kerkgeschiedenis. De eerste die we tegen komen is de dwaling van het modalisme van Sabellius uit de derde eeuw. Volgens het Sabellianisme bestaat God slechts uit één Persoon, die zich in drie verschillende gedaanten (proposa) of verschijningsvormen (modi) heeft geopenbaard. Als Papa (de Vader) ook littekens draagt dan schijnt dat te wijzen op het feit dat ook Hij aan het kruis heeft geleden. De Vader neemt dan de verschijningsvorm van de Zoon aan en lijdt in feite zelf aan het kruis. Een hieraan verwante dwalings is die van het z.g. Patripassionisme. Deze leer werd in de tweede eeuw verdedigd door Noëtius van Smyrna. Ook hier is Jezus is slechts een verschijningsvorm van God de Vader en geen zelfstandig persoon. Het lijden van de Christus aan het kruis is in feite het lijden van de Vader. God de Vader lijdt zelf aan het kruis.

Toch schijnt dat niet helemaal de bedoeling van de schrijver te zijn. Op pagina 108 wordt dit gereduceerd tot een samen lijden van de Vader en de Zoon aan het kruis. We lezen: ‘Wij waren daar samen’. Mack was verbaasd. ‘Aan het kruis? vraagt Mack. Wacht eens eventjes, ik dacht dat U (Papa) hem verliet. ‘Mijn God, mijn God waarom hebt u mij verlaten? ’Papa zegt tegen Mack: ‘Je begrijpt het mysterie daarvan niet. Ongeacht wat hij (d.i. Jezus)op dat moment ook voelde, ik heb hem nooit verlaten’. Even verder: ‘Vergeet niet dat het verhaal (nl. van de kruisiging) niet eindigde bij zijn gevoel van verlatenheid’. Hier wordt door de schrijver de gehele Bijbelse verzoeningsleer behoorlijk op zijn kop gezet en van zijn kracht ontdaan.

In de eerste plaats is het zo De Bijbel het op veel plaatsen duidelijk maakt dat door de mens de zonde in de wereld is gekomen. En door de zonde de dood. En dat er alleen door de rechtvaardige mens Jezus Christus voor de zonde betaald kon worden en de dood kon worden overwonnen verslagen. Zie bijv. Rom. 5:12-15; I Kor. 15:21; Hebr. 2:14-16; Hebr. 7:26,27; I Petrus. 3:18 ). God de Vader heeft dan ook niet samen met Jezus aan het kruis geleden maar alleen Jezus Christus.

In de tweede plaats wordt door de schrijver het verlaten zijn van Christus door God gereduceerd tot een gevoel van verlatenheid. Volgens de schrijver gaat het niet om een echte, feitelijke, verlatenheid maar slechts om een gevoel daarvan. Jezus voelde zich verlaten maar God had hem, volgens de schrijver, helemaal niet verlaten. Hij de Vader, leed mee aan het kruis. Vanuit de optiek van de schrijver is dat logisch. Als de Vader en de Zoon samen aan het kruis zouden hebben geleden dan kan er van echte verlatenheid geen sprake zijn. Gedeelde smart is immers halve smart.

Maar met het kruiswoord ‘Mijn God, mijn God waarom hebt U mij verlaten?’ (Mat. 27:46) is Jezus aangekomen bij het dieptepunt van Zijn onuitsprekelijke angst en pijn, verschrikkingen en helse kwelling die Hij moest ondergaan voor ons. Het ergste en pijnlijkste wat Hem kon en moest overkomen was de verlatenheid door God. Die verlatenheid ervoer Hij toen Hij neerdaalde in de hel en vormt daarmee de kern en het dieptepunt van het lijden. De hel is de plaats waar God niet is, de plaats van de totale verlatenheid.

Als je die verlatenheid van Jezus reduceert tot alleen maar een gevoel dan heeft dat ingrijpende gevolgen. Als je de diepte van het lijden vermindert, dan doe je op gelijke wijze afbreuk aan de ernst van de zonde. De zonde veroorzaakte een diepe kloof tussen God en de mens. Die kloof kon niet anders gedicht worden dan door het lijden en sterven van Jezus. De breuk tussen God en mens was zo ernstig dat deze alleen geheeld kon worden als Jezus de uiterste consequentie van onze ongehoorzaamheid zou dragen: de verlatenheid en angst en pijn van de hel.

Als de ernst van de zonde niet wordt gepeild, dan is het ook niet verwonderlijk dat het begrip ‘zonde en schuld’ in dit boek een heel andere invulling krijgt. Er wordt ons een veel te optimistisch mensbeeld voorgeschoteld dan dat we ons Bijbels gezien kunnen verantwoorden. Herhaaldelijk wordt gezegd dat de kern van ons falen is dat we ‘Onafhankelijk’ willen zijn. Nu is dit op zich wel juist, maar de Bijbel leert ons dat er véél meer aan de hand is. Door onze ongehoorzaamheid zijn we vijanden van God geworden (Romeinen 5:10).

Laten we tot slot een voorbeeld geven hoe de schrijver omgaat met zonde en schuld. Op pagina 134 vraagt Mack aan Papa: ‘Zijn er ook mensen op wie u niet zo dol bent? Antwoord van Papa: ‘Nee… niemand gevonden. Ik denk dat ik niet anders kan’. Mack: ‘Hoe zit dat dan met uw toorn? Volgens mij zou u toch veel bozer moeten zijn als u blijft volhouden dat u de almachtige God bent?’. Antwoord van Papa: ‘Moet dat?’. Papa vervolgt op pagina 135: ‘Ik hoef mensen niet voor hun zonden te straffen. De zonde straft zichzelf. Ze verteert je van binnenuit. Het is niet mijn bedoeling de zonde te straffen, het is mijn vreugde te genezen’. Op pagina 255 zegt Papa: ‘Ik haal nooit iemand naar beneden, ik veroordeel niemand. Zulke zaken brengen geen greintje heelheid of gerechtigheid voort. Daarom werden ze ook aan het kruis genageld in de persoon van Jezus’.

Tegen deze citaten kan vanuit de Bijbel heel veel ingebracht worden.  Johannes 3:36 zegt: ‘Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven, wie de Zoon niet wil gehoorzamen zal dat leven niet kennen; integendeel, Gods toorn blijft op hem’. Hoezo dan geen toorn? 2 Thessalonicenzen 1:8 zegt: ‘Dan komt Hij (d.i. Jezus) in een vlammend vuur en omringd door engelen, door wie hij zijn macht manifesteert; dan straft hij hen die God niet erkennen en het evangelie van onze Heer Jezus niet gehoorzamen’. Hoezo geen straf? De schrijver schijnt te geloven in het zelf reinigend en corrigerend karakter van de zonde. Het is waar: zonde brengt niets dan zonde voort en als de zonde volgroeid is leidt de zonde uiteindelijk naar de dood (Jacobus 1:15). Maar dat is geen autonoom proces, buiten God om, zoals de schrijver suggereert.

De schrijver lijkt zich niet te realiseren dat de zonde een inbreuk is op het recht van God. Elke zonde is een daad die indruist tegen de gerechtigheid van God. Elke zonde moet daarom recht gezet worden. En dat heeft Jezus Christus voor ons gedaan. Dat wordt prachtig onder woorden gebracht in 2 Korintiërs 5:21: “Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem” (vertaling NBG). De schrijver laat Papa zeggen: ‘Ik veroordeel niemand’. Dat is in de grond van de zaak universalisme. Universalisme is: Het komt goed met iedereen, ongeacht of hij of zij nu gelooft of niet. Maar hij had moeten zeggen: ‘Ik veroordeel niemand die in Christus Jezus is’ want dat is volgens Romeinen 8:1 Bijbelse taal. Veroordeling brengt wel degelijk gerechtigheid voort. Waarom? Omdat Jezus Christus in onze plaats werd veroordeeld en daardoor deze gerechtigheid volbracht heeft. Wordt vervolgd…….

 

 

Het boek 'De Uitnodiging'' van W. Paul Young -een recensie - Deel 1

Het boek 'De uitnodiging' van W. Paul Young - een recensie deel 1

Een broer uit onze kerkelijke gemeente gaf me dit boek met als titel 'De Uitnodiging'' geschreven door W.Paul Young. Het leek hem wel wat voor mij. Ik heb het gelezen en nog eens gelezen. En inderdaad, dit boek heeft ook mij onmiddellijk in zijn greep gekregen. Het is vlot geschreven en leest daarom heel gemakkelijk. Dit boek, dat in Amerika in 2007 voor het eerst verscheen, heeft in het Engels de titel ‘The Shack’ (‘De Hut’) gekregen, maar in het Nederlands is gekozen voor de titel ‘De Uitnodiging’.

In de categorie fictie heeft dit boek tot begin 2010 nummer 1 gestaan op de bestseller lijst van de New York Times en er zijn wereldwijd al meer dan 7 miljoen exemplaren van verkocht. De bekende professor in de spirituele theologie Eugene Peterson heeft het volgende over dit boek gezegd: “Dit boek heeft de potentie om voor onze generatie te doen wat ‘de Christenreis naar de eeuwigheid’ van John Bunyan heeft gedaan voor zijn generatie. Zo goed is het!’. Dat is nogal wat. Als je op internet kennis neemt van de vele lezers forums in Amerika dan blijkt dat voor heel veel lezers dit boek een ‘life changing experience’ is geweest.

Laten we eerst in het kort vertellen waar het boek over gaat. Het boek bestaat uit drie delen. De hoofdrol speler is Mackenzie Allen Philips. In het boek wordt hij Mack genoemd. In het eerste deel wordt verteld dat zijn jongste dochter Missy tijdens een kampeervakantie wordt ontvoerd. In een verlaten hut in de wildernis van Oregon worden er aanwijzingen gevonden die erop wijzen dat ze op brute wijze is ontvoerd en vermoord. Mack verwijt zichzelf dat hij nalatig is geweest in het beschermen van Missy en hij raakt in een diepe rouw over Missy. In het boek wordt die diepe rouw aangeduid als ‘Het Grote Verdriet’ – steeds in hoofdletters geschreven. Na vier jaar ontvangt Mack een opmerkelijk briefje met de volgende tekst:

Mackenzie. Het is alweer een tijdje geleden. Als je me wilt ontmoeten, ik ben komend weekend bij de hut’.

Is dit briefje afkomstig van de dader of van iemand anders? Misschien wel van God? Dwars tegen zijn gevoelens besluit Mack om terug te keren naar de plek des onheils. Zonder dat zijn vrouw Nan ervan af weet keert hij op een koude winterse middag terug naar de hut en gaat de confrontatie aan met zijn grootste nachtmerrie. Maar wat hij in de hut aantreft zet zijn hele leven op zijn kop. Daar begint het tweede en verreweg het grootste gedeelte van dit boek. Het briefje blijkt inderdaad van God te zijn want Mack heeft een ontmoeting met de Drieenige God. God, de Vader, verschijnt in de gedaante van een flamboyante, grote, zwarte, Afro-Amerikaanse vrouw. In het boek wordt zij steeds aangeduid als ‘Papa’.  De Heilige Geest verschijnt in de gedaante van een kleine Aziatische vrouw, aangeduid als ‘Sarayu’.  Jezus heeft de gestalte van een joodse man uit het Midden-Oosten, gekleed als bouwvakker, compleet met gereedschapsgordel en handschoenen.

Er ontstaat een gesprek met de Drieenige God dat zoals gezegd het grootste gedeelte van het boek in beslag neemt. Een gesprek dat echter zeer boeiend is en nergens langdradig of zwaar dogmatisch wordt. Er komen tussen neus en lippen heel veel onderwerpen over de grote vragen van het leven, zoals het lijden en de dood, aan de orde, met als doel om op een of andere manier een antwoord te formuleren op het Grote Verdriet van Mack.

In het laatste gedeelte van het boek krijgt Mack een ongeluk en raakt in coma. Het blijft raadselachtig of dit ongeluk nu gebeurd is vóórdat hij naar de hut is gegaan of daarná. Als het ongeluk gebeurd is voordat hij naar de hut is gegaan, dan wordt op zijn minst de suggestie gewekt dat het hier wel eens om ‘een bijna dood ervaring’ kan gaan. Als dat zo is, dan krijgt het verhaal een andere lading. Het wordt dan wel een heel persoonlijke religieuze ervaring waarbij het dan niet meer zo storend lijkt als over God op een alledaagse, haast platvloerse, manier gesproken wordt. De feiten doen er dan niet zoveel toe. Toch ben ik na he lezen van het boek er sterk van overtuigd dat de schrijver de bedoeling heeft gehad om een theologisch concept over de Drieenige God neer te zetten en hij heeft er daarbij voor gekozen om die boodschap te brengen in de vorm van een fictief verhaal. Zo wil ik in het vervolg dit boek dan ook beoordelen.

Als we het boek nu inhoudelijk gaan beoordelen, laat ik dan beginnen met het positieve van het verhaal. Aan het einde (254) geeft Mack zich geheel over aan God: ’Papa, ik vertrouw u echt’. Uiteindelijk gaat het in het geloof om vertrouwen.  Geloof en vertrouwen zijn dan ook twee synonieme woorden in de Bijbel. De mens wordt uiteindelijk door Gods liefde overweldigd en krijgt zo vertrouwen dat, wat er ook gebeurt, en al begrijpen wij het niet, alles voor ons zal meewerken ten goede. Als het over het versterken van die vertrouwensband gaat, dan staan er in dit boek heel veel mooie dingen die alleszins het overdenken waard zijn.

Het is waar, er zijn in de loop van de eeuwen, tot aan vandaag toe, heel veel kinderen van God terecht gekomen in de vermorzelende raderen van een bedreigend, manipulerend en veroordelend christendom. Althans in de raderen van wat zich ‘christendom’ noemt. Voor deze christenen kan dit boek een tegenhanger vormen. Alleen moet ik meteen nu al zeggen dat helaas ook op dit punt het kind in dit boek met het badwater is weg gegooid. Ik kom daar nog op terug.

Wat de beoordeling van het boek lastig maakt is dat er enerzijds heel veel over de eigenschappen van de Drieenige God verteld wordt, maar dat die gedachten heel vaak niet uitgewerkt worden. Er wordt veel gesuggereerd maar weinig vanuit de Bijbel bewezen. Dat heeft enerzijds te maken met het feit dat de schrijver er een goed lopend en spannend verhaal van wil maken maar anderzijds heeft het ook  te maken met de opvattingen van de schrijver over het gezag van de Bijbel. Ik ben van plan om aan dit boek meerdere weblogs te wijden en ik zal veel gaan citeren uit het boek om vandaaruit te proberen om duidelijkheid te krijgen.

In deze weblog nog twee zaken. Zoals boven als aangegeven neemt God de Vader (‘Papa’’) de gedaante aan van een grote zwarte Afro-Amerikaanse vrouw en de Heilige Geest de gedaante van een kleine Aziatische vrouw en Jezus verschijnt als een joodse timmerman. Komt een dergelijke voorstelling niet in conflict met het tweede gebod? God wil immers op geen enkele manier afgebeeld worden!. Wordt er hier niet een beeld van God naar eigen smaak en voorkeur getekend?

En tenslotte iets over de heiligheid van God. Mack discussieert op voet van gelijkheid met God. De sfeer tijdens de gesprekken met Vader, Zoon en Geest kan getypeerd worden als ‘oude jongens krentenbrood’.  Mack interrumpeert veelvuldig het spreken van God, hij veroorlooft zich in de oorspronkelijke Engelse  versie zelfs de bastaardvloek  ‘Damn!’.  Hoe gaan Vader, Zoon en de Geest in het boek met elkaar om? God –Papa- verzorgt de overvloedige maaltijden kookt allerlei heerlijke gerechten in de keuken. Sarayu, de Geest is aan het wroeten in de tuin. Jezus klust als timmerman, ligt s ’nachts samen met Mack naar de sterrenhemel te turen, en jaagt achter forellen aan in het meer, die hij maar niet gevangen kan krijgen( 200). Jezus (117) laat een kom met beslag of saus op de grond vallen en de rok van Papa en zijn voeten zitten onder de kleverige troep. Jezus pakt een teil met water en een paar handdoeken en gaat de boel schoon maken. Hij knielt neer aan de voeten van Papa en maakt behoedzaam haar voeten schoon en droogt ze af. ‘O wat voelt dat heerlijk’ roept Papa uit.

Als ik dat zo lees krijg ik er toch een beetje een vreemd gevoel bij. Het is waar, in en door Jezus Christus is God heel dichtbij gekomen en mogen wij hem vertrouwelijk als ‘Abba’, Vader, aanroepen (Romeinen 8:15). Maar tegelijkertijd leert de Bijbel ons ook een diep ontzag en eerbied voor God. Die eerbied en dat ontzag voor de heilige God ontbreekt totaal in dit boek. Als Jesaja met de heiligheid van God wordt geconfronteerd dan moet hij het uitschreeuwen: ‘Wee mij!. Ik moet zwijgen want ik ben een mens met onreine lippen, en ik leef temidden van een volk dat onreine lippen heeft. En nu heb ik met eigen ogen de koning, de HEER van de hemelse machten gezien’ (Jesaja 6:5). Als de verhoogde Kurios aan Johannes verschijnt op Patmos, is die ervaring zo indrukwekkend dat Johannes als dood voor de voeten van Christus viel. (Openbaring 1:17).  Wij sterfelijke mensen kunnen de confrontatie met die hoog Heilige God helemaal niet verdragen.  Hoe dicht God ook bij de mensen komt in Jezus Christus, er blijft altijd een oneindig groot verschil tussen Schepper en Schepsel. In dit boek vindt je daar niets van terug. Wordt vervolgd…………

 

 


[1] ISBN 978 90 435 1550 4

In Christus ben je een nieuwe schepping!

‘Daarom ook is iemand die één met Christus is een nieuwe schepping’ (2 Kor.5:17)

 

Over de Amerikaanse theoloog en apologeet Prof. Gregory A. Boyd heeft u al eerder iets kunnen lezen op mijn weblogs. Ik ben naar aanleiding van zijn zeer bekende en alom geprezen boekje ‘Brieven van een Scepticus’ met hem in debat gegaan. Boyd wordt wereldwijd gerekend tot één van de meest invloedrijke theologen van deze eeuw. Boyd is een aanhanger van het z.g. ‘open theïsme’. Deze stroming heeft de laatste tijd veel invloed gekregen in Amerikaanse evangelische kringen. Ik denk dat het een kwestie van tijd is alvorens we er hier ook mee te maken krijgen. Het open theïsme gaat ervan uit dat God weliswaar veel meer voorkennis heeft over de toekomst dan wij, maar tegelijkertijd ook, dat Hij niet alles weet over die toekomst. Je zou kunnen zeggen: Hij heeft vrijwillig besloten om niet alles te weten over die toekomst. Sommige zaken staan wel vast en daarvan heeft God ook volledige voorkennis. Zo staat zijn heilsplan vast en daarvan lees je in de Bijbel.

Als het echter over mensen (en engelen) gaat, dan worden deze door Boyd aangeduid als ‘’Free agents”. Liefde en vrijheid horen onlosmakelijk bij elkaar. Liefde zegt Boyd is geen echte liefde als die liefde niet vrijwillig is. God wil met de mens alleen een relatie aangaan op basis van vrijwillige liefde. Anders zouden we in feite alleen maar robots zijn die mechanisch de wil van God uitvoeren. (Like puppets on a string). Zo wil God niet met ons omgaan. Als de mens vrij is in zijn handelen dan  betekent dit volgens Boyd dat God de daden en beslissingen van de mens niet van tevoren kan kennen.

Ik vraag me persoonlijk af waarom dit noodzakelijk is. Een voorbeeld om dat duidelijk te maken. Jantje krijgt van moeder de opdracht om niet uit de snoepdoos te snoepen Ook al weet moeder van tevoren dat Jantje bij haar afwezigheid uit de snoepdoos zal gaan snoepen, toch kan je zeggen dat Jantje geheel vrijwillig het gebod van moeder overtreedt als hij toch besluit te gaan snoepen uit de snoepdoos.

Natuurlijk weet Bod dat ook wel maar waarom blijft hij dan toch bij de gedachte dat God de daden van de vrije mens niet van tevoren kan kennen?. Dit komt omdat Boyd het handelen in vrijheid als ‘scheppen’ ziet. In die visie is het kenmerkende van iets ‘scheppen’ nu juist dat je van tevoren niet weet hoe het geschapenen eruit zal gaan zien, anders is het geen ‘scheppen’ meer. Anders gezegd: een uitvinding is geen uitvinding meer als je al van te voren weet hoe die uitvinding eruit ziet en zal gaan functioneren. Ook spontaniteit en schepping horen onlosmakelijk bij elkaar. Zo gaat dat op menselijk niveau. Je voegt bepaalde substanties bij elkaar, je combineert bepaalde gedachtegangen en ’spontaan’ ontstaat er iets nieuws, vaak ‘out of the blue’. Je was er niet eens naar op zoek en tot je grote verrassing ontstaat er iets totaal nieuws, een creatie. Het is duidelijk dat je zo’n nieuwe creatie  pas weet kan krijgen op het moment dat deze echt ontstaat.

Op menselijk niveau is deze gedachte goed te volgen. Maar het typische is dat Boyd deze gedachte nu ook op God toepast. Boyd schrijft letterlijk:

Als Hij (d.i. God) ons vrijheid geeft, scheppen wij de werkelijkheid van onze besluiten door ze te nemen. En zolang wij die besluiten niet nemen, bestaan ze gewoon niet. Kortom er bestaat niets dat te kennen valt, totdat wij het in het leven roepen, zodat het gekend kan worden. Dus God kan de goede of verkeerde beslissingen van de mens die Hij (d.i. God) schept niet van te voren kennen, totdat Hij (d.i. God) ze schept en zij (dat zijn de mensen) op hun beurt hun beslissingen ‘scheppen’[1].

Allereerst denk ik dat Boyd de ‘scheppende’ kracht van de mens ten onrechte op hetzelfde niveau zet als de scheppende kracht van God. Als een mens iets ‘schept’ dat doet hij dat uit iets dat al bestaat. Hij ontdekt nieuwe mogelijkheden en toepassingen uit dingen die al bestaan. Als zodanig zou je dat niet eens ‘scheppen’ kunnen noemen. Bij God ligt dit heel anders. Hij is de echte Schepper. Echt ‘scheppen’ is scheppen uit het niets. Dat doet Hij dan ook.(creatio ex nihilo). Dat gebeurt door de kracht van zijn Woord. Hij spreekt en het staat er. Hij gebiedt en het gebeurt (Psalm 33:6). Dat is voor ons een onnavolgbaar proces.

Het lijkt me daarom maar moeilijk voorstelbaar dat God het handelen van zijn eigen schepsel niet van te voren zou kennen en door het optreden en handelen van dat schepsel a.h.w. verrast zou kunnen worden. Boyd ziet God echter optreden op het wereldtoneel als een oneindig wijze schaakspeler. Hij reageert  volgens Boyd interactief op het handelen van de mens. Het handelen van de mens dat Hij overigens niet van tevoren kent, want de mens is vrij in zijn handelen. Maar God weet volgens Boyd wel altijd een antwoord op elke zet die de mens op het schaakbord van het wereldgebeuren zet. Hij komt op het schaakbord nooit klem te zitten. Hij kent nl alle ‘possibilities’, alle mogelijkheden, zodat Hij uiteindelijk altijd bij Zijn doel uitkomt.

Nu gebruikt Boyd een aantal Schriftplaatsen om zijn visie een Bijbelse onderbouwing te geven. We gaan ze niet bespreken maar het zijn veelal plaatsen waarin God interactief schijnt te reageren op een ontstane situatie zoals bijv. in Exodus 32:14: ‘Toen zag de HEER ervan af zijn volk te treffen met het onheil waarmee Hij gedreigd had’.

Concluderend kunnen we zeggen dat Boyd met zijn opvattingen over de vrije wil van de mens, de mens op een veel te hoog plan zet. De mens krijgt zodoende een veel te grote vinger in de pap als het om zijn verlossing gaat. Hoe je het ook wendt of keert, God wordt hiermee veel te afhankelijk van wat de mens doet.

Als het om de verlossing van de mens gaat is het helemaal niet nodig dat God aan zou sluiten bij of zou reageren op de z.g. vrije wil van de mens. Als God de mens verlost dan begint Hij nl iets geheel nieuws in die mens. Er wordt iets geheel nieuws in die mens geschapen. Daarvan spreekt 2 Korintiërs 5: 17 heel duidelijk: ‘Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping’. Een nieuwe schepping waarvan God alles al van tevoren afweet.

 

 

 

 


[1] ‘Brieven van een Scepticus’ vierde briefwisseling, pagina 29

God laat zijn barmhartigheid niet tegen houden.

De reeks Commentaar op het Nieuwe Testament (CNT) is onlangs gereed gekomen. Van de delen die ik tot nu toe doorgenomen heb, heeft het deel ” Romeinen” –Christenen tussen stad en synagoge – van Dr. J. van Bruggen op mij verreweg de grootste indruk gemaakt. Ik zal u zeggen waarom.

Je zou twee thema’s van het boek kunnen noemen: het hoofd thema is: terug naar de Schepper. Het sub thema is: God laat Zijn barmhartigheid niet tegenhouden. Op dit tweede thema wil ik nu even inzoomen. De grootste verdienste van van Bruggen is dat hij een – m.i. geslaagde - poging gedaan heeft om de brief door de ogen van de eerste lezers te lezen. Deze brief is zeker sinds de Reformatie gelezen door de bril van de rechtvaardiging alleen door het geloof. Maar ook door de bril van de uiverkiezingsleer van de Dordtse Leerregels (de verkiezing en verwerping zoals die in Romeinen 9-11 ter sprake komt).

Van Bruggen zet die bril af en treedt net las de eerste lezers onbevangen de tekst tegemoet. Hij komt dan in Rome een gemeente tegen die voornamelijk bestaat uit heiden christenen. Die heiden christenen waren in Jezus gaan geloven. Dit betekende voor hen een heel ander leven in de stad Rome. Maar tegelijkertijd hoorden ze niet bij de oude joodse synagoge in de stad. Jezus zelf was als jood voortgekomen uit het joodse volk en toch wees het overgrote deel het joodse volk Hem af. Wat moesten die heiden christenen hier nu mee aan en hoe moesten ze hun positie bepalen ten opzichte van dat oude volk waaruit de Messias was voortgekomen?

Paulus wil in de hoofstukken 9-11 duidelijk maken dat alleen het geloof in God en Zijn beloften de alles bepalende factor is, voor zowel joden als heidenen. Niet alles wat Israël is ook Israël. De scheidslijn tussen geloof en ongeloof loopt dwars door Israël. Op weg naar de Christus roept God mensen uit het volk van Israël. Hij roept mensen niet op basis van hun geboorterecht of op basis van eigen goede werken, maar op basis van Zijn belofte. Daarom wordt Izaäk en niet Isamaël gekozen als kind van de belofte, als de lijn waarlangs de Christus geboren zal gaan worden. Izaäk wordt door een wonder, als uit het niets geboren. God creëert een volk door Zijn scheppend woord, in een situatie waarin dit naar de mens gesproken onmogelijk was. Is Isamaël en zijn hiermee de Ismaelieten – de moslims - verworpen? Zo wordt het wel vaak opgevat. Maar dat is hier niet de bedoeling. Isamaël kreeg alleen een andere - je zou kunnen zeggen lagere – plaats aangewezen. Daar staat tegenover dat Isamaël net zo goed een belofte kreeg dat hij tot een groot volk zou worden (Genesis 21:18).

Hetzelfde geldt voor Jakob en Esau. Terecht stelt Van Bruggen dat de tekst uit Romeinen 9:13 “Jakob heb ik liefgehad, Esau heb ik gehaat” door latere lezers allereerst betrokken wordt op de eeuwige uitverkiezing Dit in navolging van de Dordtse Leerregels. Maar daar gaat het zoals gezegd in deze hoofstukken van Romeinen niet om. Het gaat hier om de roeping in de tijd.  Die roeping op weg naar de Christus liep dwars tegen alle menselijke berekeningen, prestaties en geboorterecht heen via Izaäk en Jacob en niet via Isamaël en Esau. Bovendien is dit citaat “Jacob heb ik liefgehad, Esau heb ik gehaat” ontleend aan de profeet Maleachi. De nakomelingen van Esau (de Edomieten) hadden in die tijd een enorme verwoesting aangericht.  Om zijn goddeloosheid heeft God dit volk gehaat en gestraft niet vanuit een verwerping van eeuwigheid. Israël echter, mocht terugkeren uit de ballingschap en de tempel gaan herbouwen. Daaruit bleek de liefde van God voor Israël. “Esau heb ik gehaat” slaat dus op het verzet van de Edomieten en hun voortdurende haat tegen het volk van God. Tot Rebekka sprak God alleen over de lagere plaats die Esau zou innemen ten opzichte van Jacob en niet over zijn (eeuwige) verwerping.

Deze gedachtenlijn wordt in het hele hoofdstuk 9 doorgetrokken. Ik geef daar nog een paar voorbeelden van.

Zo wordt over de Farao in 9:17 en 18 gezegd: “Ik heb U alleen in leven gelaten om U mijn macht te tonen en om iedereen op aarde te laten weten wie ik ben. Dus is God barmhartig voor wie hij wil en maakt halsstarrig (oude vert: ‘verhardt’) wie Hij wil’. Ook hier moeten we niet denken aan een soort van voorbestemming van eeuwigheid. De Farao had immers opzij kunnen gaan voor de wil Mozes en voor God, en had daardoor Egypte kunnen redden. Maar de Farao heeft zich, geheel uit eigen beweging, hardnekkig tegen de wil van God verzet en kwam daardoor zelf steeds vaster in het moeras te zitten, totdat hij een punt van ‘no return’ bereikte. Onder invloed van Dordt zijn wij deze uitspraken als z.g. ‘balans’ uitspraken gaan lezen. Van Bruggen wijst daar op. Alsof God eigenlijk twee dingen tegelijk ‘wil’ doen. Ontfermen en verharden. Maar dat doet geen recht aan de geschiedenis. Verharding vindt alleen plaats als er een houding van verzet is. Terecht schrijft van Bruggen: “De barmhartigheid is altijd eerst, want waar geen genade is, daar kan geen verharding zijn! God laat zijn barmhartigheid niet stranden op de onwil van mensen’.

De mens roept God ter verantwoording en dan gebruikt Paulus het voorbeeld van de pottenbakker. De pottenbakker heeft de vrijheid om van dezelfde klomp klei zowel een kostbare vaas als een alledaagse pot te maken (Romeinen 9:21). Ook nu weer wordt dezelfde lijn doorgetrokken. De potten voor alledaags gebruik worden niet weggegooid (verworpen) maar krijgen slechts een ondergeschikte plaats. Maar ze mogen wel blijven staan. Net zoals Isamaël en Esau niet werden weggevaagd van de aarde maar genoegen moesten nemen met een lagere, dienende plaats.  Als Paulus dit voorbeeld verder uitwerkt dan verdisconteert hij in voorbeeld dat de mensen die bescheiden, lagere plaats niet accepteren. Vazen en potten op de plank blijven stil, maar mensen accepteren de hun door God toegewezen plaats niet en komen in opstand. Die houding roept Gods toorn op. Ook hier moeten we weer niet denken aan eeuwige verwerping want Schrijft van Bruggen: ’Wanneer te denken zou zijn aan een voorbestemming voor het verderf, is er echter geen ruimte meer voor toorn’.

Concluderend kunnen we het volgende zeggen: De Dordtse Leerregels waren in de strijd tegen de opvattingen van de Arminianen noodzakelijk. De opvattingen bijv. over de vrije wil van de mens en het z.g. ‘vooruitgezien geloof’ zijn niet Schriftuurlijk. Fatalisme en menselijk activisme liggen echter altijd op de loer. Er bestaat een gevaar om de hele Bijbel door de bril van de Leerregels te gaan lezen. Het vraagstuk van verkiezing en verwerping is uiterst complex. Zo kan je wel zeggen dat mijn verkiezing voor de volle 100% Gods genade is. Maar je kunt het niet omdraaien. Je kunt niet zeggen dat iemand verloren gaat omdat hij of zij door God is verworpen. Verwerping volgt in de Bijbel altijd op verzet en verharding. De Bijbel staat vol van de oproep om eenvoudig de roepstem van het evangelie te gehoorzamen. Iedereen die de naam van God aanroept zal behouden worden. Laten we die eenvoud vasthouden. Voor het overige geldt Deuteronomium 29:29: “Wat verborgen is, behoort de HEER onze God toe, wat openbaar is, komt ons toe”.

 

 

Heeft de mens nog steeds een vrije wil?

Onlangs schreef ik in een weblog iets over het boekje ‘Brieven van een Scepticus’ van Prof. Dr. Gregory A. Boyd. Daar wil nog iets meer over zeggen. Dit boekje is een poging om alle bezwaren die tegen het christelijk geloof kunnen worden ingebracht te weerleggen. De auteur is daar goed in geslaagd en op tal van punten is zijn argumentatie bijzonder overtuigend. Een goed boekje om uw ongelovig familielid of kennis cadeau te doen.

Toch heb ik op een belangrijk punt in dit boekje ernstige bedenkingen. Boyd gaat in de tweede briefwisseling met zijn vader in op de vraag van zijn Vader: “Als God deze wereld geschapen heeft en ervoor zorgt, waarom is er in de wereld dan zo verrekte veel leed?”. Een hele actuele vraag die ongelovigen heel vaak aan je stellen. In zijn antwoord gaat Boyd uit van de vrije wil van de mens. Die vrije wil van de mens is volgens Boyd noodzakelijk omdat God een relatie met de mens wil aangaan op basis van liefde. En liefde kan alleen liefde zijn als er in vrijheid een keuze kan worden gemaakt. Om duidelijk te maken wat hij bedoelt eerst even een citaat uit het antwoord van Boyd:

Het lijkt me, pa, dat áls God zijn schepselen dan een vrije wil geeft, Hij ook ruimte moet laten voor de mogelijkheid dat ze misbruik maken van die vrijheid, zelfs als dat betekent dat anderen pijn gedaan wordt. Echt vrij zijn is moreel verantwoordelijk zijn tegenover elkaar. Wat is de vrijheid om lief te hebben of niet lief te hebben als het niet betekent de vrijheid om een ander te verrijken of kwaad te doen? God heeft dit zo gemaakt, omdat het alternatief zou zijn een ras van robots die niet werkelijk kunnen liefhebben – maar zulke robots zijn de moeite van het scheppen nauwelijks waard, vindt u wel? Dus waarom komt God niet steeds tussenbeide als iemand zijn vrijheid wil misbruiken om een ander te beschadigen? Het antwoord zit hem volgens mij, in het wezen van de vrijheid zelf. Als de uitoefening van een vrijheid bij elke (dreigend) misbruik verhinderd zou worden, zou het domweg geen vrijheid meer zijn. Dan moet die vrijheid ook, in ieder geval in grote mate onherroepelijk zijn. Hij (God) moet ten opzichte van die vrijheid, binnen bepaalde grenzen, een ‘handenthuishouding’ hebben. God schept vrije mensen die kunnen doen wat ze willen, en geen voorgeprogrammeerde instrumenten die uiteindelijk doen wat Hem behaagt”.

Nu zou ik met dit citaat weinig moeite hebben als het hier zou gaan om de nog ongeschonden, zondeloze, mens in de Hof van Eden. Adam en Eva hadden toen inderdaad een vrije keuze tussen goed en kwaad en hoefden niet te zondigen.  Maar Augustinus schreef al: “De paradijselijke mens zou moeten komen van het kunnen- niet zondigen en niet- sterven tot het niet- kunnen zondigen en sterven, maar kwam tot het niet- kunnen- niet zondigen en sterven’. Kunt u het volgen?

Adam en Eva maakten echter de verkeerde keuze en vielen in de zonde. Ze sleurden de hele mensheid daarin mee (Romeinen 5:12).Dit is de grootste catastrofe die ooit in de wereldgeschiedenis plaats vond. Nu liggen we allemaal als drenkelingen in het water en we kunnen onszelf niet redden. De reddingsboei die ons wordt toegeworpen is Christus. Maar wij kunnen die reddingsboei zelf niet eens vastgrijpen. Onze redding is dan ook voor de volle 100% genade (Filippenzen 2:13: ‘want God is het, die om Zijn welbehagen, zowel het willen als het werken in u werkt” vertaling NGB 1951). Hoezo vrije wil? Dus maar eens contact opgenomen met Professor Boyd en hem mijn probleem voorgelegd. Nou, ik bleek niet de eerste en de enige te zijn die hier problemen mee heeft. In zijn antwoord verwees hij mij naar zijn website. Op zijn website geeft hij maar liefst 40 argumenten ter verdediging van de vrije wil van de mens en gaat daarbij heel veel teksten na, zowel uit O.T. als uit het N.T. Laat ik eens een voorbeeld geven van hoe Boyd hier mee omgaat.

In Johannes 6:44 lezen we: “Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke” (Vertaling NGB 151). Boyd concludeert n.a.v. deze tekst het volgende en ik vertaal dit in het Nederlands:

Het “trekken” (wat leidt tot redding) en het stelen van de duivel (wat leidt tot veroordeling) zijn kosmische factoren die samenwerken met de menselijke wil, hoewel ze die wil niet besturen. Anders gezegd: als het hart van de mens bereid is zich (aan God) over te geven, zal de Vader de mens in een reddende geloofs relatie met Christus brengen. Als echter het hart van de mens daartoe niet bereid is dan verhardt dit hard zich tegen Gods leiding en komt het onder invloed van de satan te staan. Derhalve, als iemand in Christus gaat geloven, dan moet hij God de eer geven omdat God hem uit genade getrokken heeft. Maar als hij weigert te geloven, dan kan hij alleen zichzelf de schuld geven”.

De onderstreping is van mij. Het onderstreepte gedeelte geeft precies aan waar de crux zit. De mens heeft in de visie van Boyd een vrije wil en heeft feitelijk het eerste woord. Boyd kan dan even later wel zeggen dat de redding van de mens genade is, maar de drenkeling die aan boord van de reddingssloep is gehesen kan onmiddellijk tegen zijn Redder zeggen: “Als ik de reddingsboei niet had gegrepen had U mij niet kunnen redden”. God is dan voor wat de redding van de mens betreft van de menselijke vrije wil afhankelijk. En dat is bepaald niet Bijbels te noemen. De Bijbel leert duidelijk dat als het op de redding van de mens aankomt God altijd de eerste is en wij de tweede. Dat zou je verkiezing kunnen noemen.  Als het echter om verwerping gaat, dan zou je in zekere zin kunnen zeggen dat de mens de eerste is. De toorn van God is altijd een reactie van God op de ontrouw van de mens[i]. Achteraf zal altijd blijken dat God de mens verwerpt, als deze Hem verwerpt.

Komt de vrijheid van de gevallen mens niet meer terug? Jawel, maar alleen in en door Jezus Christus. Hij betaalde de zware prijs voor die val uit de vrijheid in de zonde, juist om ons daardoor weer in die oorspronkelijke vrijheid te kunnen stellen. Dat doet Hij door de Heilige Geest. En waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid, zegt 2 Korintiërs 3:17. De Heilige Geest gaat iets nieuws beginnen in de gevallen mens.  We worden weer meer en meer veranderd naar het beeld van de Heer. We gaan steeds meer op Hem lijken. Dat is een proces dat je hele leven duurt. Onze wil wordt omgebogen en gaat weer in vrijheid de goede keuzes maken. Daarin zijn we nog niet volmaakt. We zijn voor wat de zonde betreft nog een open stad. Daarom moeten we bij al onze beslissingen wel in de spiegel blijven kijken van de volmaakte wet die vrijheid brengt (Jacobus 1:25).Wie dat doet en ernaar handelt, die valt veel geluk ten deel. Wat geweldig als je nu al iets mag voelen van de vrijheid en de luister die het kindschap van God met zich meebrengt. (Romeinen 8:21). Liefde en vrijheid. Ze horen onlosmakelijk bij elkaar. God zorgt ervoor dat er een wereld komt waarin liefde en vrijheid zo gaan functioneren zoals Hij het altijd al bedoeld heeft.

  

 

 

 

 

 


[i][i][i] Dr. B. Wentsel – Dogmatiek Deel 2 Pagina 175

De ultieme liefdeservaring: door God gekend zijn

I Korintiërs 12 gaat over de gaven in de christelijke gemeente. De gemeente wordt getekend als het lichaam van Christus en de gemeenteleden maken ieder persoonlijk deel uit van dat lichaam. Net zoals het menselijk lichaam alleen goed kan functioneren als alle organen, spieren en botten samen werken, zo hoort het er ook in de gemeente aan toe te gaan. De Geest heeft verschillende gaven aan de gemeente gegeven. De Geest doet dat niet met het doel dat die gaven een soort van concurrentie strijd met elkaar zouden aangaan. Een strijd om te bepalen welke de belangrijkste gave is waar je in de praktijk het meeste aan hebt. Een dergelijke strijd verscheurt de gemeente. In Efeziërs 2 lezen we dat het de bedoeling van de Geest is dat de gemeente door een goede inzet van de gaven een sterk gebouw wordt – een plaats waar God woont door Zijn Geest (Efeziërs 2:22).

Paulus roept de gemeente op om de hoogste gaven na te jagen (12:31). Dat kost heel wat inspanning en dat gaat absoluut niet vanzelf. Maar stel je nu eens voor dat je het wel voor elkaar gekregen hebt. We zijn een warme gemeente. We zien echt om naar elkaar en niemand valt buiten de boot. Alle ambten zijn goed ingevuld. De commissies draaien goed. Volop Bijbel studie. We zijn vol missionair elan. We treden naar buiten en zijn een echte kerk voor de wereld geworden. Iedereen is bij ons welkom en we zien een geweldige groei. Een groei van binnenuit en een groei van buitenaf. (En dan niet de z.g. ‘circulation of the Saints’, gelovigen die uit andere kerken naar ons overkomen).

Reden genoeg om blij en voldaan te zijn. Je zou haast denken dat je er bent en niets meer te wensen hebt. Maar wat blijkt? Je bent er helemaal nog niet! Want dan komt het laatste vers van I Korintiërs 12: ‘En ik wijs u een weg, die nog veel verder omhoog voert’. (vert. NGB 1951) Die weg, dat is de weg van de liefde van I Korintiërs 13. Zonder de liefde heb je nog niets, ook al heb je alles op en top georganiseerd. Ook al heb je alle kennis in huis, ook al heb je het grootst denkbare geloof en geef je jouw hele bezit weg aan de armen, je schiet er niets mee op als je de liefde niet hebt.

Het hier gebruikte Griekse woord voor liefde is: ἀγάπη (Uitspraak: agapé). Met agapé wordt bedoeld de geheel onbaatzuchtige zichzelf opofferende liefde: liefde die  helemaal op de ander gericht is en die er helemaal voor die ander wil zijn. Die liefde is van God en die komt van God. Er worden hele mooie dingen gezegd van deze liefde. Er wordt gezegd wat de liefde niet is: ze is niet afgunstig, ze heeft geen ijdel vertoon, geen zelfgenoegzaamheid, ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze verheugt zich niet over het onrecht, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwade niet aan.  Er wordt ook gezegd wat die liefde wel is: ze is geduldig, vol goedheid, vindt vreugde in de waarheid, alles verdraagt ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze. Die liefde zal nooit vergaan.

Wat in I Korintiërs 13 over de liefde wordt gezegd, komt overeen met wat in Galaten 5:22 de vrucht van de Geest wordt genoemd. Het is waar die dubbele punt staat er niet in het Grieks in Galaten 5:22, maar je kunt dat vers zo lezen: ‘Maar de vrucht van de Geest is liefde: vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing’. Ik heb ze in willekeurige volgorde op de liefdesladder gezet.

Op weg naar de volmaaktheid van het Koninkrijk van God worden we uitgenodigd om nu al deze liefdesladder te beklimmen. Gods liefde is daarbij de dragende factor.  Zonder die liefde zou elke trede van deze ladder breken en zouden we naar beneden duikelen. We gaan het pad op van de levensvernieuwing door de Heilige Geest. Er komt groei. Af en toe vallen we weer terug. Soms moet je voor je gevoel weer helemaal opnieuw beginnen. Als we dichter bij de top van de ladder komen, komen we ook steeds dichter bij de glans van de hemelse heerlijkheid, reinheid en schoonheid te staan. We zien dan ook steeds meer en meer hoeveel we vanuit onszelf te kort komen. De smetten op ons dagelijkse gewaad worden in de glans van dat hemelse licht steeds beter zichtbaar. Maar gelukkig, telkens wordt ons weer een rein, wit gewaad uitgereikt. Dankzij Christus.

Dan komen we boven aan in de hemel. Dan gebeurt er iets merkwaardigs. De beperkte kennis maakt ineens plaats voor het volledig kennen. De schellen vallen plotseling van onze ogen. We gaan de dingen in het juiste perspectief zien. De spiegel wordt helder. Hier op aarde kunnen we alleen maar horizontaal kijken. We zien gelovigen naast elkaar en los van elkaar staan als individuen, we zien nog niet de juiste samenhang en verbondenheid. Maar in de hemel ga ik volledig kennen ‘zoals ik zelf gekend ben’. ( I Korintiërs 13:12). ‘Kennen’ op dezelfde manier als ik zelf gekend ben. Ik kan nu in eens verticaal gaan kijken. Ik kan nu terug blikken in de tijd. Ik zie dat ik zelf door God van eeuwigheid ‘gekend’ ben. Hij heeft mij altijd al gekend. Ik ben door Hem uitgekozen en daarom kostbaar. Hij heeft mij altijd al lief gehad. Maar ik kan daardoor nu ook mijn verbondenheid met alle vorige generaties zien, kennen en beleven. De verbondslijn wordt zichtbaar. Zijn liefde was er al bij mijn ouders, bij mijn grootouders, en vele geslachten en eeuwen terug, tot aan het begin. Je ziet de lijnen van Gods trouw lopen dwars door de geslachten en generaties heen.  Alsof je alle generaties, al je familieleden vanaf het begin, in eens op een foto naast elkaar ziet staan. Je merkt het nu ten volle: je hoort bij een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters een heilige natie (I Petrus 2:9).  Door God gekend te zijn, dat is nu echt de gaafste ervaring die je mee kunt maken. En die ervaring zal eeuwig blijven.

 

Nelson Mandela zegt: 'A Saint is a sinner who keeps on trying'

In het programma ‘De wereld draait door’ was woensdag 2 februari jl. Adriaan van Dis te gast. Van Dis vertelde iets over het nieuwste boek van Nelson Mandela getiteld: ‘Conversations with myself’. In dit boek vertelt Mandela o.a. dat hij gedurende zijn 27 jarige gevangenschap op Robben Eiland gewoon was iedere dag een kwartier te mediteren. In dat kwartier liet hij al zijn slechtheid naar boven komen. Hij was zich volledig bewust van zijn donkere kanten. Maar hij liet ook even zijn goedheid naar boven komen. Daardoor kon hij zijn waardigheid behouden en praten met zijn bewakers en corresponderen met zijn vrouw. Hij liet zich door het kwade niet overmeesteren. Hierdoor heeft hij zichzelf overtroffen, zo lijkt het in ieder geval. Dat was niet gemakkelijk. Lange tijd mocht zijn vrouw hem niet eens opzoeken. 21 jaar mocht Mandela zijn vrouw zelfs niet aanraken. Er werden banning orders uitgevaardigd. Zijn moeder en jongste zoon stierven en Mandela mocht er niet eens naar toe. Zijn toenmalige vrouw Winnie echter, ging vanwege deze situatie een heel andere kant op: ze was vol van boosheid, baldadigheid en wrok. Ze was kwaadaardig en ontspoorde volledig.

Vanuit de wetenschap dat hij tot een Saint, een Heilige, zal worden uitgeroepen, zegt Mandela over zichzelf: ‘A Saint is a sinner who keeps on trying’. Een heilige is een zondaar die telkens opnieuw, met vallen en opstaan, zijn best blijft doen. Van Dis vertelt dat als je mensen systematisch treitert, hun burgerrechten ontneemt, er twee krachten naar boven komen: enerzijds het goede, het bijna heilige en anderzijds het boze, het kwaadaardige. Hetzelfde zie je nu ook gebeuren in Noord Afrika. In Noord Afrika (o.a. Egypte en Tunesië) ontbreekt het echter (nog) aan een leider als Mandela die de ontwikkelingen in de goede richting zou kunnen sturen.

Wat mij nu intrigeert is de vraag: waar putte Mandela de kracht uit om zijn waardigheid te kunnen behouden en waarom ging hij niet –zoals zijn vrouw Winnie - het pad van de boosheid, wrok, en vergelding op? Voor dat laatste was immers reden genoeg. Voor van Dis moge dat duidelijk zijn: de innerlijke goedheid die in Mandela zelf woont en die hij van en uit zichzelf heeft. Ogenschijnlijk los van het christelijk geloof, want dat komt in deze uitzending niet in beeld.

Nu is het zo dat Mandela nooit openhartig is geweest over zijn christelijk geloof. We moeten het alleen doen met zijn autobiografie waarin hij schrijft dat hij altijd al christen is geweest en ook zal blijven en dat zijn daden en opvattingen hun oorsprong vinden in zijn christelijk geloof. Voor de meeste Zuid-Afrikanen is Mandela het toonbeeld van vergevingsgezindheid geworden. Hij wordt algemeen beschouwd als veel groter dan zijn voorgangers of opvolgers en door een groot deel van de zwarte bevolking wordt hij als een soort Messias gezien.

Laten wij over de innerlijke drijfveren van Mandela maar geen verder oordeel vellen. Als hij zegt dat hij altijd al christen is geweest, laten we dan aannemen dat zijn vergevings en opofferings gezindheid voortkomt uit de vernieuwende kracht van de Heilige Geest, ook al heeft zich voor zover we weten, nooit in deze zin uitgelaten over zijn innerlijke drijfveren.

Wat ik me dan wel afvraag hoe het zit met mensen die heel veel goeds in deze wereld hebben gedaan maar die niet vanuit christelijke drijfveren hebben gehandeld. Om enigszins inzicht in deze vraag te krijgen heb ik het geweldige boek van Dr. Gregory A. Boyd en Edward K.Boyd  ‘Brieven van een scepticus’· maar weer eens ter hand genomen. Dit boek bestaat uit een authentieke briefwisseling tussen een gelovige zoon en een ongelovige vader.

In de derde briefwisseling komt de vraag die we stelden aan de orde.  In de briefwisseling wordt gesteld dat de mens van God een bepaalde vrijheid heeft gekregen. Een vrijheid om goede en kwade dingen te doen.  Het risico dat deze vrijheid met zich meebrengt moet omgekeerd evenredig zijn aan het vermogen om het goede te bewerken, zo wordt gesteld. Wat wordt hiermee bedoeld? Ik citeer:

Als ik de vrijheid heb om maar één mens lief te hebben, dan heb ik ook de vrijheid om maar één mens te kwetsen. Als ik de vrijheid heb om een beetje van ze te houden, dan heb ik ook de vrijheid om ze een beetje te beschadigen. Als ik heel erg van ze kan houden, kan ik ze ook heel erg bezeren enz. Het feit dat wij mensen ongelooflijk veel kwaad kunnen doen, wijst er naar mijn mening op dat we ook ongelooflijk veel goed kunnen doen. Ja, er bestaan Hitlers en Stalins in deze wereld. Maar er zijn ook de Raoul Wallenbergs, de moeder Theresa´s, de Martin Luther King Juniors. En ik zie geen mogelijkheid om wel de laatsten te hebben zonder op zijn minst te riskeren dat ook de eerste rondloopt. Als we de macht hebben om miljoenen mensen te verdrukken en af te slachten, dan is dat omdat we ook de macht hebben om miljoenen mensen te bevrijden en lief te hebben. De mogelijkheid van goed én de mogelijkheid van kwaad zijn evenredig vertegenwoordigd´.

Dit is een boeiende gedachte. Weer zeggen we: Hoe zit het dan met hun innerlijke drijfveren? Inderdaad, we kennen uit de geschiedenis mensen die geheel belangeloos veel goeds hebben gedaan voor deze wereld en de medemens maar die dat niet vanuit een godsdienstige, laat staan christelijke overtuiging hebben gedaan. Toch moeten we m.i. blijven zeggen dat wat goed is ook goed genoemd moet worden, ongeacht uit welke innerlijke motieven dit gebeurt. Het is maar goed ook dat er nog zulke mensen zijn. Als in deze wereld alleen maar verscheurende beesten als Hitler en Stalin het voor het zeggen zouden hebben, dan zou de wereld geschiedenis vroegtijdig zijn afgebroken. Als de mens aan zijn eigen lot zou worden overgelaten is hij een verscheurend, zichzelf vernietigend, dier. Maar gelukkig, er zijn nog veel oases van goedheid. Zo blijft er een platform bestaan waarop de wereldgeschiedenis zich kan ontwikkelen.

Komen we nu niet in conflict met de definitie die de Catechismus geeft van de goede werken in antwoord 91? Volgens mij niet. In de Catechismus gaat het erom wat goede werken zijn in het oog van God. Dan blijft gelden dat goede werken voor God alleen kunnen bestaan als ze uit echt geloof, volgens Zijn wetten en tot Zijn eer gedaan worden. Wij hoeven daarover niet te oordelen. Daarom mogen we blij zijn dat er nog zulke mensen als Nelson Mandela bestaan.

 

 

'Volharding': een hemelse gave!.

Deze keer iets over dat prachtige Bijbelse woord ‘volharding’, in de NBV meestal vertaald door ‘standvastigheid’. Met ‘volharding wordt in het N.T. bedoeld: niet afwijken van je weloverwogen doel en vasthouden aan je geloof, ongeacht wat voor lijden en beproevingen je staan te wachten. We kennen de uitdrukking ‘verstand op nul, blik op oneindig’. Volharding heeft niets te maken met ‘verstand op nul’. Volharding heeft niets te maken blind, slaafs, volgen, de tanden op elkaar, zonder daar bij na te denken. Volharden is een welbewuste houding. Een keuze van het hart. ‘De blik op oneindig’ dat heeft wel iets met volharding te maken maar dan ‘oneindig’ in de betekenis van de eeuwigheid, de blik gericht op wat achter de horizon van het hier en nu ligt. Je ziet achter de horizon veel prachtige dingen die eraan zitten te komen. Al dat mooie geeft je inspiratie om nu standvastig te zijn en niet toe te geven aan krachten die je de andere –verkeerde- kant op willen trekken.

Het Griekse woord voor ‘volharding’ is ὑπομονή, uitspraak ‘hupomoné’. ‘hupo’ betekent ‘onder’ en ‘μένω’ – menoo- ‘blijven’. Je zou kunnen zeggen ‘er onder blijven’. Dus niet voor de druk bezwijken maar juist welbewust onder die druk blijven staan. Het woord komt maar liefst 32 keer voor in het N.T. waarvan 7 keer in het boek Openbaring. Dat getal 7 is belangrijk in Openbaring. Het staat in Openbaring voor een bepaalde afgemeten volheid: 7 gemeenten, 7 lampenstandaards, 7 sterren, 7 brieven, 7 zegels, 7 engelen, 7 bazuinen, 7 donderslagen, 7 plagen. En dus ook 7x het woord ‘volharding’. Het totaal aan ‘volharding van de heiligen’ heeft een afgemeten hoeveelheid en plaats gekregen in het master plan voor de redding van deze wereld.

Als we nu wat dieper gaan afsteken dan moeten we bedenken dat dit woord ‘volharding’ allereerst een eigenschap van God zelf is. Romeinen 15:5 noemt God een God van ‘volharding’ en 2 Thessalonicenzen 3:5 dicht deze eigenschap ook aan Christus toe. Willen we weten wat het betekent om te volharden moeten we kijken naar Jezus. We lezen van Hem in Hebreeën 5:8: ‘Hoewel Hij de Zoon was, heeft Hij moeten lijden en zo heeft Hij gehoorzaamheid geleerd’. Door lijden leer je wat gehoorzaamheid betekent. Gehoorzaamheid is een belangrijke houding om te komen tot volharding. Gehoorzaamheid, lijden en volharding zijn 3 woorden die in de Bijbel in elkaars verlengde liggen. Het is een trits van woorden die ons van nature niet aanspreekt en deze woorden lijken al helemaal niet geschikt om daar een evangelisatie campagne mee op te zetten. En toch is dit de weg die het evangelie volgt om te komen tot de overwinning. Hij, Jezus ging daar in voor.

Als wij ons inspannen voor een goed doel en de resultaten vallen tegen, sterker nog, als wij stank voor dank krijgen, dan haken we snel af. Het ontbreekt ons aan volharding. Daar waar wij het vaak laten afweten bleef Hij, Jezus, volharden. Dat was verre van eenvoudig. Volgens 2 Korintiërs 2:16 ‘stinkt’ de zonde. Jezus, als de volmaakt reine en zondeloze  moest voortdurend verkeren in de stinkende walm van de zonde om hem heen. Vele malen erger dan om als niet roker te moeten verkeren in een kamer vol met rokende mensen. Maar Hij hield het vol. Zo groot was Zijn liefde voor zondaren.

Het is waar, zegt Romeinen 5:3: ‘verdrukking leidt tot volharding’’ Maar toch is het woord ‘volharding’ niet alleen maar negatief geladen. Het doet niet alleen maar pijn. Het gaat hier niet om een vorm van masochisme, alsof lijden en volharding een voorwaarde zou zijn om te komen tot het echte leven, tot het echte heil. Neen, gelukkig niet! Wie met zijn poten in de modder blijft staan, wie volhardt, die ontvangt een rijke zegen Dat is een gave die God zelf geeft. Daarvan spreekt Romeinen 5:4. Daar staat: ‘volharding leidt tot betrouwbaarheid’. De NGB vertaling heeft voor ‘betrouwbaarheid’ vertaald ‘beproefdheid’ en de SV: ‘bevinding’. Je komt a.h.w. ‘gelouterd’ uit de strijd. Je weet van de hoed en de rand. Daardoor krijg je dat gevoel van zekerheid dat je hele bestaan doortrekt. Ondanks alle ellende zit ik toch op het goede spoor. Je hebt de proef doorstaan en er is nu niets en niemand meer die je nog van dat spoor kan afhalen. Je bent een betrouwbaar baken in zee geworden, om ook anderen vooruit te helpen. Dat is die betrouwbaarheid, de beproefdheid, die voortkomt uit de volharding.

Dan nog het laatste woord dat voortspruit uit de volharding. Romeinen 5: 4 zegt niet alleen: ‘volharding leidt tot betrouwbaarheid’ maar ook: ‘betrouwbaarheid leidt tot hoop’. Volharding en hoop liggen in de Bijbel in elkaars verlengde. Het typerende van de Bijbelse hoop is dat het onze blik naar vóren richt. Er wordt verwachting gewekt! De hoop is toekomst gericht. Temidden van alle pijn die het volharden met zich mee kan brengen, doet de hoop ons uitzien naar de terugkomst van Christus. Hoop doet leven en zorgt ervoor dat we het ook daadwekelijk kunnen volharden. De Bijbelse hoop is echter nooit onzeker. Wij zeggen soms: ‘op hoop van zegen’. Met daarin een ondertoon van onzekerheid. Eerst maar eens zien. De Bijbel echter spreekt over de hoop als een zekerheid. Hoop is een anker dat je uitgooit buiten jezelf (Hebreeën 6:19). Het kan hard stormen in je leven, maar je ligt door de hoop vast verankerd in Gods beloften.

Geloof, hoop en liefde worden in I Korintiërs 13 in één adem genoemd. ‘Geloof’ ( in het Grieks:’πίστις’ - uitspraak:’pistis’) kan ook vertaald worden met ‘vertrouwen’. Geloven houdt ook vertrouwen in. Vast vertrouwen dat het goed komt. De hoop zorgt ervoor dat dit vertrouwen zich naar de toekomst uitstrekt. Je ziet het nog niet en toch weet je het zeker. De volharding zorgt ervoor dat je in die geloofshouding blijft staan.  Die volharding heb je brood nodig want wie Jezus echt wil volgen, die moet er gegarandeerd op rekenen dat er tegenkrachten op gang gaan komen. Gelukkig, je hoeft het niet in eigen kracht te doen want: Geloof, hoop en liefde. Maar de meeste van die drie is de liefde. De liefde van God maakt de volharding uiteindelijk mogelijk.

 

 

[1]      «      11   |   12   |   13   |   14   |   15      »      [15]