Sometimes it feels like Bob Dylan says: "I practice a faith that's long been abandoned, ain't no altars on this long and lonesome road"

Bezoekers vandaag: 222Bezoekers totaal: 483160
Welcome to the website of Kees de Graaf
Kees de Graaf keesdegraaf.com

Het boek 'De Uitnodiging'' van W .Paul Young -een recensie - Deel 7 -Slot

Het boek ‘De Uitnodiging’ van W. Paul Young – een recensie- deel 7- slot.

Met dit laatste artikel sluiten we de bespreking van het boek ‘De Uitnodiging’ van W. Paul Young af.

In dit boek zijn we al meerdere keren zaken tegen gekomen die op het eerste gezicht best aantrekkelijk en waar lijken. Maar als je goed kijkt naar wat de Bijbel erover zegt, dan blijkt het helemaal niet te kloppen. Dan blijkt het niet te gaan om pietluttigheden of om muggenzifterij maar om zaken van essentieel belang, van leven en dood. Over wat je echt de kern van het evangelie kunt noemen en wat om die reden onopgeefbaar is. Een voorbeeld daarvan vinden we op pagina 187 waar Sophia over Papa (de Vader) zegt:

Hij koos de weg van het kruis, waar genade triomfeert over gerechtigheid vanwege de liefde. Had je liever gezien dat Hij gerechtigheid had gekozen voor iedereen?’.

In deel 2 van deze recensie hebben we al besproken dat het onjuist om te stellen dat (ook) de Vader aan het kruis geleden heeft. Daar gaan we hier dan ook niet verder op in. Wel moeten we hier nog opmerken dat als de Vader zelf aan het kruis geleden zou hebben, dit heel veel gevolgen heeft voor de Bijbelse verzoeningsleer. God de Vader kan zichzelf toch niet kruisigen voor de zonden die tegen Hem zelf zijn begaan! Dat zou nooit gerechtigheid kunnen brengen. Maar het is zoals Romeinen 8:3,4 zegt: ‘Heeft Hij (God) vanwege de zonde zijn eigen Zoon als mens in dit zondige bestaan gestuurd; zo heeft hij in dit bestaan met de zonde afgerekend’.

Laten we eerst iets zeggen over het woord ‘gerechtigheid’ dat we in de Bijbel bij Paulus zo vaak tegenkomen. Laten we daarbij niet vergeten dat de Bijbel een wet boek is. Het gaat om God’s recht! Het woord ‘ge-recht –igheid’ heeft in de Bijbel verschillende betekenis nuances. In ons spraak gebruik betekent het woord gerechtigheid o.a.: Het is terecht, het klopt, het is verdiend, eindelijk gerechtigheid.   Als je het hebt over God’s gerechtigheid (o.a. Romeinen 1:17) kan je allereerst denken aan Zijn Koninkrijk, aan Zijn bestuur van de hele kosmos. Daarin straalt Zijn liefde, glans en heerlijkheid, Zijn heiligheid, Zijn volstrekte reinheid en zuiverheid, Zijn verhevenheid macht en majesteit. Waarin alle dingen ‘recht’ staan, in volstrekte Goddelijke harmonie. In deze ‘rechte’ staat en in deze volstrekte harmonie leefde ook het eerste mensenpaar in het paradijs

Maar de mens keerde zich tegen God, viel in zonde en sleepte de hele mensheid daarin mee. Door die zondeval pleegde de mensheid een inbreuk op de gerechtigheid van God. Elke zonde is een inbreuk op het recht van God en wordt daarmee on-ge-recht-ig-heid. Door onze zonde slaan wij het recht – de gerechtigheid – van God aan stukken. Daarom staan wij schuldig tegenover God en zijn we uit Zijn nabijheid verdreven (Romeinen 3:23). Volgens Zijn goddelijk recht zouden wij de eeuwige dood moeten sterven. Maar wat deed Hij? Hij handhaafde zijn gerechtigheid. Hij deed de straf neerkomen op Zijn Zoon. Zo kon (Romeinen 3:21) Zijn gerechtigheid weer zichtbaar worden: ‘God schenkt vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven’. Maar hij handhaaft wel Zijn recht. Zo kon God met ons verzoend worden. Of zoals 2 Korintiërs 5:21 zegt: ‘Hem (Christus) die geen zonde gekend heeft, heeft Hij tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem’. (Vertaling NBG) Door het verzoenend lijden en sterven van Christus gaan wij weer delen in de oorspronkelijke gerechtigheid van Zijn Koninkrijk en worden wij als ‘recht’-vaardigen aangenomen.. In Christus ziet God ons aan alsof we nooit enige zonde gedaan hadden en alsof we zelf alle gerechtigheid volbracht hadden.

Wat een wonderlijke en heerlijke ruil!. In de hemelse rechtszaal worden we zo maar vrijgesproken omdat er een borg tussenbeide treedt die zegt: ‘Ik neem de schuld op me en betaal en jij kunt vrijuit gaan!’

Het is dan ook niet waar wat de schrijver stelt dat op Golgotha ‘ genade over gerechtigheid triomfeert’. Dat klinkt mooi maar dat is het helemaal niet. Genade over gerechtigheid laten triomferen zou betekenen: het onrecht, de schuld, de zonde niet rechtzetten door een daad van gerechtigheid, maar de zonde door de vingers zien. In onze tijd worden steeds zwaardere straffen voor de misdaad geëist. We zouden het ons rechtssysteem heel kwalijk nemen als de rechters zó met de misdaad zouden omgaan; als de rechters de misdaad door de vingers zouden zien en genade over gerechtigheid zouden laten triomferen. Maar het is juist zo dat op Golgotha het recht gehandhaafd werd. De zondelast werd daar op Hem, Jezus Christus, geworpen. En omdat het recht gehandhaafd werd kon de weg vrij gemaakt worden voor genade.  De retorische vraag van Sarayu aan Mack: ‘Had je liever gezien dat Hij gerechtigheid had gekozen voor iedereen?’ moeten we dan ook beantwoorden met: Ja dat heeft God gedaan. Hij heeft voor gerechtigheid gekozen door Christus in onze plaats gerechtigheid te laten verwerven, en die gerechtigheid is beschikbaar voor iedereen die het gelooft. Het staat er zo mooi in Romeinen 3:24: ‘en iedereen wordt uit genade, die niets kost, door God als rechtvaardige aangenomen, omdat Hij ons door Christus Jezus verlost heeft’.

Conclusie

We gaan tot een afronding van de recensie komen. Ik ben in dit boek veel te veel dingen tegen gekomen die in het licht van de Bijbel niet te handhaven zijn. Sterker nog: dialogen die niet naar de Bijbel, naar Jezus wijzen, maar die je er vanaf voeren. In de bespreking ervan ben ik nog lang niet uitputtend geweest. Je zou je haast kunnen afvragen: is er dan niets goeds in dit boek? Gelukkig staan er in dit boek ook  goede dingen. Vooral als het gaat over het hebben van een relatie met God. Ik zal daar een voorbeeld van geven. Op pagina 237 zegt Papa tegen Mack: ‘Snap je, Mackenzie, ik wil niet alleen maar een stukje van jou, of een stukje van je leven. Zelfs al zou je in staat zijn, wat dus niet mogelijk is, om mij het grootste stuk te geven, is dat niet wat ik wil. Ik wil je helemaal en elk deel van jou en je dagelijks leven’. Jezus zegt hierop: ‘Mack ik wil niet de eerste zijn op een lijstje van waardevolle zaken; ik wil het middelpunt zijn van alles’.  Dit is echt Bijbels gedacht. Geen gespletenheid, geen halfheid, geen lauwheid en laksheid maar heel je leven wijden aan Jezus.

Als we nu naar het totaal beeld van dit boek kijken moeten we constateren dat het boek je vooral een goed gevoel wil geven. Je zou je bijna afvragen: is dat dan niet goed? Toch moeten we zeggen dat dit helemaal niet goed is. Het ergste is dat er een verkeerd beeld van God wordt neer gezet. Naar mijn mening hebben we dit vanuit de Bijbel voldoende aangetoond.

Een verkeerd Godsbeeld leidt haast automatisch tot een verkeerd mensbeeld. De ernst van de breuk, die de mens door zijn val in zonde sloeg in de relatie met God, wordt niet in zijn Bijbelse diepte gepeild. De diepe verlorenheid die de zonde teweeg brengt, wordt slechts aangeduid als een streven naar ‘onafhankelijkheid’ van de mens. God wordt getekend als een lieve God die de zonde door de vingers ziet en genade voor recht laat gelden. Terwijl het juist zo is dat Hij Zijn recht handhaaft en daardoor buitengewoon overvloedig in genade is. De God die we in dit boek voorgeschoteld krijgen, is niet de God van de Bijbel maar een door de schrijver zelf geconstrueerd beeld van God. De gelovige van dit boek, Mack, is niet de gelovige zoals de Bijbel ons die schetst. De gelovige van de Bijbel neemt zijn kruis op zich en volgt Jezus. Hij leeft vanuit de overwinning die Christus voor hem behaald heeft, toen Hij voor ons leed en stierf en opstond. Door die opstandingskracht wordt het leven van de gelovige zoals de Bijbel die ons tekent, van dag tot dag vernieuwd. Die vernieuwing houdt in dat de gelovige door de Heilige Geest kracht ontvangt om tegen de zonde dapper te strijden. Totdat uiteindelijk de volkomen overwinning behaald is. Die volkomen overwinning is de erfenis die voor ons is weg gelegd in de hemel. (I Petrus 1:4,5).

Kunnen we dit boek aanbevelen? Ons antwoord is Ja en Nee. We kunnen het niet aanbevelen als je de Bijbel dicht laat en alles voor zoete koek slikt wat de auteur in dit boek ter sprake brengt. Dan kom je op een dwaalspoor terecht, op een weg die je van het evangelie afvoert. We kunnen dit boek wel aanbevelen als je dezelfde houding aanneemt zoals eens de gelovigen in Berea:’ Ze bestudeerden dagelijks de Schriften om te zien of het inderdaad waar was wat er werd gezegd’.(Handelingen 17:11)

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het boek 'De Uitnodiging'' van W .Paul Young -een recensie - Deel 6

Het boek ‘De Uitnodiging’ van W. Paul Young – een recensie- deel 6.

We gaan door met de bespreking van dit spraakmakende boek ‘De Uitnodiging’ van W. Paul Young

Is God alleen maar een ‘werk’-woord?

Op pagina 233 en 234 zegt de Geest ( Sarayu) iets wat op het eerste gezicht nogal raadselachtig lijkt: Ik verkies altijd een werkwoord boven een zelfstandig naamwoord. Ik ben een werkwoord!. Ik ben die ik ben. Ik zal zijn die ik zijn zal. Ik ben levend dynamisch, altijd actief, in beweging. En omdat mijn wezen een werkwoord is, ben ik meer in overeenstemming met werkwoorden dan met zelfstandige naamwoorden. Werkwoorden zoals belijden, bekeren, leven, liefhebben, reageren, groeien, oogsten, veranderen, zaaien, rennen, dansen, zingen, enzovoort. Mensen hebben echter de neiging om een werkwoord dat vol leven en genade is te nemen, en het te veranderen in een dood zelfstandig naamwoord, of een principe dat riekt naar regels - –iets wat leeft en groeit en sterft. Zelfstandige naamwoorden bestaan omdat er een geschapen heelal is en een tastbare werkelijkheid, maar als het heelal helemaal bestaat uit zelfstandige naamwoorden is ze dood. Zonder ”Ik ben” zijn er geen werkwoorden. En het zijn werkwoorden die het heelal tot leven brengen’. Om ervoor te zorgen dat iets van dood overgaat naar leven moet je iets levends en bewegends inbrengen. En om over te gaan van iets dat alleen maar een zelfstandig naamwoord is naar iets dynamisch en onvoorspelbaar is, naar iets dat levend en in het heden is, is te vergelijken met het overgaan van de wet naar de genade’

Sarayu geeft vervolgens als voorbeeld de zelfstandige naamwoorden ‘verantwoordelijkheid en verwachting’ en zegt dan: ‘Voordat jullie woorden zelfstandige naamwoorden werden, waren ze eerst mijn woorden, werkwoorden vol beweging en ervaring. Zij boden de mogelijkheid om te reageren en vooruit te zien. Mijn woorden zijn vol leven en mogelijkheden, die van jullie zijn dood, vol van wet, angst en oordeel. Daarom zul je het woord verantwoordelijkheid niet in de Bijbel vinden’.

Het is duidelijk dat de auteur hier verwijst naar Exodus 3:14 en 15 waar Jahweh (JHWH) zich aan Mozes openbaart. God openbaart zich  in deze teksten met de volgende naam: ‘IK BEN DIE IK BEN’ (NGB),’ IK  ZAL ZIJN DIE IK ZIJN ZAL’ (SV), ‘IK BEN DIE ER ZIJN ZAL’. (NBV). Nu heeft de auteur ten dele gelijk dat het in de gebruikte werkwoordsvorm voor de naam gaat om een werkzaam zijn, een worden en werken, een zich gedragen en verhouden. Je mag daaruit concluderen dat het in de naam Jahweh gaat om het levend, actief werkzaam zijn van God in de relatie tot Zijn volk en de volkeren.  Maar toch is dat slechts één kant van de medaille. De vertaling: ‘IK BEN DIE IK BEN’ zegt het al. Het gaat in deze naam evenzeer om een ‘zijn’. En dan een ‘zijn’ in de zin van onveranderlijkheid, rotsvaste betrouwbaarheid. En dan moet je juist niet aan een werkwoord denken. God is niet de ene dag zus en de andere dag zo. God is onveranderlijk als het gaat over Zijn Wezen, Zijn eigenschappen en Zijn wil. Hebreeën 13: 8 zegt het zo: ‘Jezus Christus blijft dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid’.

Wat me overigens opvalt in het rijtje werkwoorden dat de schrijver noemt: ‘belijden, bekeren, liefhebben’ etc., , is  dat het werkwoord ‘toornen’ ontbreekt.  Ook de toorn van God is een onlosmakelijk onderdeel van Zijn liefde. Of het werkwoord ‘haten’. Het ‘haten’ van de zonde hoort ook bij de Liefde van God. Maar dit terzijde.

De vraag is nu: waarom heeft de auteur zo’n voorkeur voor werkwoorden? Ik denk dat dit is omdat hij zelfstandige naamwoorden koppelt aan regels en wetten. Dat de schrijver een afkeer van regels en wetten heeft, hebben we al in eerdere weblogs al geconstateerd en besproken. Inhoudelijk gaan we daar nu niet verder op in. Hoe dan ook, regels en wetten staan volgens hem immers vast, zijn statisch, en vragen van de mens gehoorzaamheid. Sterker nog, wetten en regels onderdrukken per definitie de mens en staan een echte relatie met God in de weg.

‘Werkwoorden’ echter, zijn volgens de schrijver dynamisch en altijd in beweging. Dat geeft de mens maximale bewegingsruimte om in te spelen op veranderende omstandigheden. Bij een echte relatie zou dynamiek behoren, beweging; kortom, leven in de brouwerij. Dat het geheel daardoor ‘onvoorspelbaar’ wordt, moeten we volgens de schrijver op de koop toe nemen en hoort nu eenmaal bij een bruisende relatie. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat hier meer achter zit. Je kunt met deze redenering elke wet van God buiten werking stellen en in feite zelf gaan uitmaken wat goed en kwaad is. Als er bijv. In het zevende gebod staat: ‘Je zult niet echtbreken’ dan kan je zeggen: dat was toen en toen… maar nu zijn de opvattingen hierover gewijzigd, dus kan ik vandaag niets meer met dit gebod. In feite lap je je daarmee het gebod van God aan je laars.

Waarom zouden afspraken, wetten, regels in een goede relatie niet goed kunnen functioneren? Als je elkaar in een relatie innig lief hebt, dan wil je niets liever dan het die ander naar de zin maken. Dan is een wet, een gebod, geen last meer maar dan wordt het een lust. Je wilt niets liever meer dan naar de wil van God handelen en je doet er alles aan om die wil te weten te komen. De schrijver creëert dan ook doorlopend valse tegenstellingen die de Bijbel helemaal niet kent. Alsof een relatie alleen maar goed kan zijn als er binnen die relatie geen leefregels zijn, als er geen enkele vorm van hiërarchie is in de relatie tussen God en mens. Sterker nog alsof het hebben van een goede relatie om voortdurende onderwerping aan elkaar zou vragen; onderwerping van de ene ‘God’ aan de andere ’ God’ maar ook onderwerping van God aan de mens. Het onderscheid tussen Schepper en schepsel wordt door de schrijver geheel opgeheven. Dat kan nooit goed aflopen.

Sophia – de verpersoonlijking van de wijsheid.

Op pagina 174 verschijnt een vierde persoon. Het is een vrouw die op pagina 194 aan ons voorgesteld wordt met met de naam Sophia. Sophia wordt hier getekend als de’ verpersoonlijking van Papa’s wijsheid’ en een onderdeel van het mysterie dat Sarayu omgeeft’. Of zoals in het boek Spreuken staat, waar wijsheid wordt voorgesteld als een vrouw die op straat staat te roepen en kijkt of er iemand is die naar haar wil luisteren’. Als je dat woord ‘mysterie’ zo tot je door laat dringen en je hoort Sophia op pagina 177 ook nog zeggen: ‘Zo veel mensen geloven dat het de liefde is die groeit, maar het is het weten dat groeit en de liefde neemt slechts toe om dat weten te kunnen bevatten’, dan dringt zich hier de gedachte op dat je hier te maken hebt met gedachtengoed dat terug te vinden is in de aloude Gnostiek. De Gnostiek, dat was de grote tegenhanger van het christelijk geloof in de tweede en derde eeuw na Christus.

Het is bovendien niet verwonderlijk dat de schrijver deze persoon juist de naam ‘Sophia’ heeft gegeven. Sophia is in de gnostiek de persoon die tot het ware inzicht leidt. Bekend in de gnostiek is de mythe over Sophia. Sophia is in die mythe een hemelse macht. Tegen de wil van God de Vader had ze een kind ter wereld gebracht, dat echter een wanstaltig gedrocht bleek te zijn. Dat gedrocht werd de God van het Oude Testament, de God van Israël. Sophia kreeg echter spijt van haar daad. Christus nam haar daarna weer in genade op in de hemelse sfeer van God de Vader. Volgens de gnostici verkondigde Jezus de kennis – in het Grieks ‘gnosis’- van de  hoogste God. Veel mensen hebben volgens de gnostici onbewust een goddelijk lichtdeeltje uit de hoogste hemel in zich. Jezus is gekomen om de mens zich hiervan bewust te maken: ken jezelf en je leert de God – de Goddelijke vonk-  in jezelf  kennen.

De ‘kennis’, het ‘weten’ is het hoogste goed in de Gnostiek. Maar dan niet de kennis, het zeker weten, en het vast vertrouwen dat door het Evangelie in het hart van de mens gezaaid wordt en door het geloof tot wasdom komt. Nee, het gaat om de bewustwording van iets dat er altijd geweest is in de mens: de goddelijke vonk.  Die bewustwording van die kennis, daarin moet de mens in groeien. De Liefde is daarbij slechts een hulpmiddel. Dat zie je ook terug in bovenvermeld citaat. Maar de Bijbel spreekt toch heel andere taal. I Korintiërs 13:13 zegt: ‘Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde’. De schrijver maakt er echter in feite van: geloof, hoop en weten, maar de grootste daarvan is het weten.  Het citaat van pagina 177: ‘Zo veel mensen geloven dat het de liefde is die groeit, maar het is het weten dat groeit en de liefde neemt slechts toe om dat weten te kunnen bevatten’ is Bijbels gesproken gewoon onjuist. De Bijbel spreekt nergens over een groei in ‘het weten’ maar wel over een groei in Liefde, zoals staat in Efeziërs 4:15 ‘maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus’.

Als je het bovenstaande nog eens overdenkt dan wordt een citaat op pagina 190 wel heel veelzeggend. Mack vraagt daar of hij bij zijn vermoorde dochter Missy kan komen: ‘Kan ik bij haar komen? Alleen maar voor een knuffel, een kusje?. Antwoord: ‘Nee. Zij wilde het op deze manier. Ze is een erg wijs kind’. Een wijs kind.  Dat klinkt erg esoterisch, taal die alleen voor ingewijden toegankelijk is. Esoterie, kennis die alleen voor ingewijden toegankelijk is typerend voor de Gnostiek.

We zien niet alleen gnostische denkbeelden terugkomen maar ook citaten die sterk aan ‘New Age’ doen denken. Kijk maar eens naar het lied van Missy op pagina 266:

Kom wind en kus me en neem mijn adem, totdat jij en ik één zijn. En wij tussen de grafstenen zullen dansen, totdat alle doden verdwenen zijn’ Leg dit citaat eens naast een citaat op pagina 225 waar Mack aan Sarayu vraagt: ‘Heb jij ze (de menselijke emoties) allemaal geschapen, of alleen de goede of positieve? Antwoord van Sarayu: ‘Ze (de emoties) bestaan gewoon. Ze zijn niet per definitie goed of slecht. Ze bestaan simpelweg’. Anders gezegd: er is geen absoluut verschil tussen goed en kwaad. Daarmee wordt gesuggereerd dat alles voortkomt uit de zee van liefde die God heet en uiteindelijk ook weer in die zelfde zee van liefde  terugkeert. Volgende keer gaan we deze recensie echt afronden.

 

  

.

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het boek 'De Uitnodiging'' van W. Paul Young -een recensie - Deel 5

Het boek ‘De Uitnodiging’ van W. Paul Young – een recensie- deel 5.

We zetten de bespreking voort van dit uitdagende boek ‘De Uitnodiging’ van Paul W. Young. In Johannes 14: 6 zegt Jezus: ‘Ik ben de weg de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij”.  Alleen door geloof in Jezus Christus hebben wij toegang tot de Vader en worden wij als geliefde kinderen aangenomen. Andere toegangswegen zijn afgesloten. Dit is een exclusieve statement van de Heer.

De vraag is: denkt de schrijver hier ook zo over?. Ik zou haast zeggen van niet. Want als je de volgende passages leest dan is het antwoord op die vraag op zijn minst nogal in nevelen gehuld. Dat blijkt als we Jezus op pagina 207 tegen Mack horen zeggen: ‘Onthoud dat de mensen die mij kennen, mensen zijn om te leven en lief te hebben zonder een lijst van verplichtingen’. Mack tegen Jezus: ‘Is dat wat het inhoudt om christen te zijn? Jezus vervolgt: ‘Wie heeft het over christen-zijn. Ik ben geen christen’. Jezus vervolgt: Zij die mij liefhebben komen uit elke bestaand systeem. Sommigen zijn boeddhist geweest of mormoon, baptist of moslim, democraat of republikein en velen die niet stemmen of geen kerkdienst bijwonen op zondagochtend. Onder mijn volgelingen vind je moordenaars en mensen die zo overtuigd waren van hun eigen deugdzaamheid, dat ze aanvankelijk vonden dat ze mij niet nodig hadden. Sommigen van hen zijn bankier of bookmaker, Amerikaan of Irakees, Jood of Palestijn. Ik wil geen christenen van ze maken, maar ik wil ze wel helpen om zonen en dochters van mijn Papa te worden, mijn broers en zussen, mijn geliefden’. Mack: ‘Betekent dat, dat alle wegen naar jou leiden? Jezus: Niet alle, de meeste wegen leiden nergens naartoe. Wat het wel betekent is dat ik elke weg afga om ze te vinden. En zo vond ik jou ook!’.

I Petrus 4:16 zegt dat het kan gebeuren dat je moet lijden in deze wereld omdat je christen bent.  Waarom heeft de schrijver eigenlijk bezwaar tegen de naam ‘christen’? De Bijbel noemt de volgelingen van Christus toch christenen?(Handelingen 11:26 en I Petrus 4:16).Volgens de auteur wil Jezus van bijv. Boeddhisten, joden en moslims geen christenen maken. Maar wat dan wel? De Bijbel leert op veel plaatsen dat een mens alleen volgeling van Jezus kan worden door zich te bekeren.( Zie bijv. Handelingen 3:19 en 2 Petrus 3:9) Bekering betekent: je zonden belijden, breken met je zondige levenswandel en jezelf volledig toewijden aan de Heer. Daardoor wordt je van jood, boeddhist of moslim een christen. Die noodzaak voelt de schrijver kennelijk niet. Hij stelt weliswaar dat ‘niet alle wegen’ naar Jezus (God) leiden. Dat houdt op zijn minst de mogelijkheid open dat sommige andere wegen ook naar Jezus (God) kunnen leiden. De verwarring zit hier in het gebruik van de naam ‘Jezus’. Een weg die uit zichzelf immers naar Jezus leidt, leidt automatisch ook naar God. De auteur suggereert op zijn minst dat er meerdere wegen zijn om tot God te komen. De Bijbel leert echter duidelijk dat alleen Jezus zelf die weg is. Het goede nieuws is dat ook volgens de schrijver de meeste wegen ‘nergens naartoe’ leiden. Zelfs dat is niet eens Bijbels te noemen. Andere wegen leiden volgens de Bijbel niet naar het leven maar naar de dood.

Is het bovenstaande nu allemaal zo belangrijk? Dat is het m.i. wel. Als we in twijfel gaan trekken of Jezus wel de enige weg tot de Vader is, dan slaan we de bodem weg onder elke vorm van zending of evangelisatie, van elke vorm van missionair gemeente zijn. Waarom zou de mens zich nog tot de God van de Bijbel bekeren als ‘zijn weg’ (bijv. de weg van de islam of het boeddhisme) ook tot God kan leiden ?Met deze leer draai je de mensen een rad voor ogen. Uiteindelijk kom je dan uit bij de alverzoening. Dat betekent: het komt met alle mensen goed, alle mensen worden uiteindelijk behouden of ze nu in Christus geloven of niet. Dat wordt niet met zoveel woorden gezegd in dit boek. Maar toch tendeert het wel in die richting. Lees maar de dialoog tussen God de Vader (Papa) en Mack op pagina 220. Papa zegt tegen Mack: ‘Lieverd je hebt mij gevraagd wat Jezus aan het kruis heeft volbracht. Nou, luister goed: door zijn dood en opstanding ben ik nu volkomen verzoend met de wereld’. Mack: ‘De hele wereld? U bedoelt met degenen die in u geloven toch?”. Papa vervolgt: ‘Met de hele wereld, Mack. Wat ik je vertel is dat de verzoening twee kanten heeft en ik heb mijn aandeel geleverd, helemaal en afdoende. Het ligt niet in de aard van liefde om een relatie op te dringen aan iemand, maar liefde opent juist de weg naar de ander toe’.

Nu moeten we goed onderscheiden. Het offer van Christus, Zijn lijden en sterven, is voldoende voor de verzoening van de zonde van de hele wereld.  Maar dat staat in bovenvermeld citaat niet! In dat citaat staat dat God verzoend is met de hele wereld, ongeacht of de wereld nu in Christus gelooft of niet. De Bijbel spreekt echter anders. Johannes 3:36 zegt: ‘Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven, wie de Zoon niet wil gehoorzamen zal dat leven niet kennen; integendeel, Gods toorn blijft op hem rusten’. Dat maakt toch een groot verschil.

Maar dat is nog niet alles. II Korintiërs 5:20 roept de wereld op: ‘Laat u met God verzoenen’.  In dit boek krijgt de verzoening echter twee kanten: God heeft aan de ene kant Zijn aandeel geleverd en dat ‘helemaal en afdoende’. Nu zijn wij kennelijk aan de beurt om ons aandeel te leveren. Want God dringt zich niet aan ons op. Dat past immers niet bij de aard van de liefde om een relatie op te dringen. In wat de schrijver hier zegt zit een kern van waarheid. We hebben een eigen verantwoordelijkheid gekregen. Als wij tegen God kiezen dan zijn we daar zelf verantwoordelijk voor. God dringt zich nergens aan de mensen op. Jezus heeft dat ook nooit gedaan. Het is inderdaad alleen de liefde van God zelf die de weg naar God openbreekt. Maar….die vrijheid, dat ongedwongene, om tot God te komen is iets wat de Geest in ons werkt. Want zegt 2 Kor. 3:17 ‘waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid’. God werkt zowel het willen als het werken in ons (Filip. 2:13). Wij hebben geen vrije wil zoals hier gesuggereerd wordt, en al helemaal geen aandeel in de verzoening. Dat is voor 100% het werk van God. Dat is volgens Efeziërs 2:5-8 enkel en alleen genade. Het woord ‘genade’ is trouwens een woord wat ik zo pijnlijk mis in dit boek.

Ook op pagina 257 wordt gezinspeeld op de vrije wil van de mens, alsof de mens het in zijn eigen macht heeft om voor God te kiezen.  Alsof de mens zichzelf met zijn eigen haren uit het moeras kan optrekken.  Alsof de mens zichzelf op de borst kan kloppen: ik ben toch zo goed geweest om voor u te kiezen. Pappa zegt op pagina 257: ‘In Jezus heb ik alle mensen hun zonden tegen mij vergeven, maar slechts een aantal kiest voor een relatie met mij’. Voor nadere uitleg over dit onderwerp kunt u mijn weblog raadplegen: Heeft de mens nog steeds een vrije wil?l

Tenslotte nog dit. Op pagina 152 vraagt Mack aan Sarayu: ‘Is er echt een tuin geweest?. Ik bedoel de tuin van Eden en zo?. Sarayu: ‘Natuurlijk. Ik heb je toch verteld dat ik iets heb met tuinen’. Mack: ‘Daar zullen sommige mensen moeite mee hebben. Er zijn heel wat mensen die denken dat het alleen maar een mythe is’. Sarayu: ‘Nou hun vergissing is niet fataal. Er zit vaak heel wat goddelijks verscholen in wat door velen beschouwd wordt als mythen en verhalen’.

Het heeft er alle schijn van dat de Heilige Geest (Sarayu) hier vasthoudt aan de historiciteit van de Hof van Eden en van zijn bewoners Adam en Eva. Er wordt echter door Sarayu ook ruimte gelaten om te geloven de geschiedenis van Genesis 2 een mythe is. Een dergelijke vergissing wordt in ieder geval niet ‘fataal’ d.i. ‘dodelijk’ genoemd. Sarayu kan die ruimte dan wel geven, de Bijbel echter niet. Als de Hof van Eden niet echt heeft bestaan maar slechts een mythe is, dan hebben de bewoners van de Hof van Eden, Adam en Eva ook niet echt bestaan. Jezus Christus wordt in Romeinen 5:12-21 getekend als de tweede Adam. De eerste Adam viel in de hof van Eden in zonde en sleepte de gehele mensheid mee in zijn val. Romeinen 5 zegt dat de tweede Adam (Christus) gekomen is om door zijn offerande deze breuk van de eerste Adam te herstellen en heeft zodoende het eeuwige leven en de gerechtigheid voor God verworven. Die eerste en die tweede Adam zijn nauw met elkaar verbonden. Je kunt niet de eerste Adam als historisch persoon doorstrepen en tot mythe verklaren, zonder de gehele verzoeningsleer onderuit te halen. Want ten diepste is het zo: als de eerste Adam niet echt heeft bestaan, dan is er ook geen zondeval geweest. Dan is de verlossing door de tweede Adam ook niet nodig. Bovendien waarom zou je de dood en opstanding van Christus (de tweede Adam) dan ook niet tot een mythe kunnen verklaren waarin ‘ heel wat goddelijks is verscholen’?.

De volgende keer gaan we nog wat zaken langs zoals de vraag of God een ‘werkwoord’ is en willen we ook nog wat zeggen over Sophia, een vierde persoon, die in dit boek op het toneel verschijnt. Vervolgens maken we de balans op. Wordt vervolgd……….

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het boek 'De Uitnodiging'' van W .Paul Young -een recensie - Deel 4

Het boek ‘De Uitnodiging’ van W. Paul Young – een recensie- deel 4.

We gaan door met de bespreking van de bestseller ‘De Uitnodiging’ van Paul W. Young. In de vorige weblog zagen we dat de schrijver God laat zeggen dat Hij niet veel op heeft met het naleven van wetten, principes en leefregels.  

Het blijft echter niet bij een zekere aversie van de schrijver tegen het naleven van wetten en leefregels. Het zit veel dieper. Ook instituten zoals de kerk, het huwelijk en politieke en economische structuren worden nogal eenzijdig negatief ingekleurd. We geven een aantal citaten.

Mack zegt op pagina 202 tegen Jezus: ‘Jij hebt het over de gemeente als de vrouw waarop je verliefd bent. Ik geloof dat ik die nog niet heb ontmoet. Het is niet de gemeente waar ik ’s zondags naar toe ga.  Jezus antwoordt hierop: ‘Mack, dat komt doordat jullie alleen maar het instituut zien, een door mensen opgezet systeem. Dat ben ik niet komen bouwen. Ik zie mensen en hun leven, een levende gemeenschap van al degenen die mij liefhebben, en niet gebouwen en programma’s. Het draait allemaal om relaties en het delen van je leven in mij met anderen. Mack vraagt: ‘En hoe maak ik deel uit van die gemeente? Jezus: ‘Dat is eenvoudig Mack. Het draait allemaal om relaties en het delen van je leven in mij met anderen. Zoals wat wij op dit moment aan het doen zijn, hier en nu. Dat we open naar elkaar toe zijn en beschikbaar zijn voor de mensen om ons heen. Mijn gemeente gaat over mensen en het leven heeft betrekking op relaties. Jullie kunnen de gemeente niet bouwen. Dat is mijn werk en ik ben daar aardig goed in’’.

In deze citaten staan een aantal zaken  die zonder meer juist zijn. De kerk behoort inderdaad een levende gemeenschap te zijn, waarin onderlinge relaties heel belangrijk zijn en waarin het gaat om het delen van je leven in Christus én met anderen. Handelingen 2:42 geeft de z.g. ‘mission statement‘ van de christelijke gemeente: ‘Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed’. Maar de schrijver doet  het voorkomen alsof het vormen van een gemeenschap ( de z.g. koinoonia) het één en al is van het gemeente zijn. Zie hiervoor mijn weblog  'Eat, pray, love" - is that all?. Er komt wel meer bij kijken. En voor die andere elementen van het gemeente zijn: de verkondiging van het woord, de sacramenten en het publiek gebed, daar heb je een concrete  kerk voor nodig. Daarvoor heb je de kerk nodig ook als instituut met een echt adres. Daar gaat het N.T. steeds vanuit. Paulus spreekt de concrete gemeente aan in Korinthe, in Thessaloníki  enz.  Ook Jezus spreekt in Openbaring concrete kerken aan zoals in Efeze, Smyrna enz. Dat de kerk later vaak tot een machtsinstituut verworden is waarin mensen verdrukt worden is een kwalijke zaak. Hier heeft de schrijver zeker een punt. Maar dit doet niets af van het feit dat de kerk ook als instituut noodzakelijk is, en dwars tegen al het menselijk falen in, door Christus wordt gebouwd.

Met kerkdiensten heeft de auteur niets en al evenmin met Bijbel lezen. Dat blijkt als we verder lezen op pagina 202: ‘Voor Mack waren deze woorden als een frisse wind. Eenvoudig. Geen lading uitputtende teksten en een lange lijst met punten waaraan je allemaal moet voldoen. Geen eindeloze samenkomsten uitzitten, terwijl je al die tijd naar het achterhoofd van de persoon voor je moet kijken, iemand die je niet eens kent. Gewoon je leven delen met anderen’. Op pagina 226 zegt Mack: ‘Het lijkt erop dat leven vanuit een relatie – je weet wel, jou vertrouwen en met je praten – wat gecompliceerder is dan alleen maar regels volgen. Sarayu antwoordt hierop met: ’En wat voor regels mogen dat dan wel zijn? Mack: Goede dingen doen, wijken van het kwaad, aardig zijn voor armen, Bijbellezen, bidden en naar de kerk gaan. Zulke dingen’ Sarayu antwoordt: ‘De Bijbel zegt niet dat je regels moet volgen. Ze laat zien wie Jezus is Het is waar dat relaties een stuk chaotischer zijn dan regels maar regels zullen je nooit een antwoord kunnen geven op de diepere vragen van je hart en ze zullen nooit van je houden’.  Sarayu vervolgt op pagina 227: ‘Je moet gewoon niet naar regels en principes zoeken. Kijk uit naar je relatie met ons, naar een manier om met ons samen te zijn’.

Hier wordt eigenlijk het gehele christelijk leven opgeofferd aan ‘de relatie met God’. Hier staat op een wat verhullende wijze eigenlijk het volgende: niet te veel naar de kerk gaan (dat is alleen maar vreselijk saai) en niet te veel in de Bijbel bezig zijn. En het beoefenen van christelijke barmhartigheid en gerechtigheid – het omzien naar weduwe en wees (Jacobus 1:27) – laat maar zitten. Dit gaat nog veel verder dan de ‘Eat, pray, love’ gedachte die de laatste tijd ook hier in Nederland veel besproken is. Op dit punt is dit boek echt een slechte gids. Het wijst hier niet naar de Bijbel toe maar juist ervan af.

De ‘Eat, pray, love’ gedacht roept in ieder geval nog op tot het gebed. In dit boek wordt er niet gebeden, ook niet bij het eten. Dit tot verbazing van Mack als hij op pagina 238 vraagt: ‘Wordt er niet gebeden?’ Papa antwoordt: ‘We doen niet aan rituelen Mack’. Nu kan het gebed wel een nietszeggend ritueel worden. Maar is het ook een ritueel als Jezus bij het broodwonder in Marcus 6:41 omhoog keek naar de hemel en het zegengebed uitsprak en pas daarna de broden brak? Jezus gaat ons zelf hierin voor.

Mack zegt op pagina 204 tegen Jezus: ‘Jij moet niet zoveel hebben van religie en instituten, geloof ik’. Jezus: ‘Ik schep geen instituten, dat heb ik nooit gedaan en zal ik ook nooit doen’. Mack: ‘En het instituut van het huwelijk dan?’. Jezus: ‘Het huwelijk is in die zin geen instituut. Het is een relatie. Ik schep geen instituten; dat is iets van degenen die voor God willen spelen. Dus nee….Ik heb niet zoveel op met religie. En ik ben ook niet zo dol op politiek en economie’. Het is deze door mensen ingestelde drie-eenheid van verschrikkingen die de aarde verwoest en degenen om wie ik geef, misleidt. Deze instituten, deze structuren en ideologieën zijn allemaal een vergeefse poging een soort gevoel van veiligheid en zekerheid te geven. Systemen geven geen zekerheid, alleen ik kan die geven. Ik ben gekomen om je het leven te geven, het volle leven. Mijn leven. Mack vervolgt op pagina 205: ‘Gewoon genieten van een groeiende intieme vriendschap?’. Jezus: ‘Kijk jij snapt het!’.

Het is waar, elke instituut, elk systeem en elke ideologie kan door mensen misbruikt worden om daarmee eigen doeleinden na te streven, een schijn zekerheid te creëren en voor God te willen spelen. Het is ook waar dat dit in de praktijk ook vaak gebeurt. Maar daarmee mag je nog niet alles over één kam scheren, zoals de auteur schijnt te doen. Want als zo vaak in dit boek, de schrijver stelt niet iets maar hij suggereert voortdurend allerlei zaken. Hij zegt niet wat hij eigenlijk bedoelt: het huwelijk is geen instituut dat door God is ingesteld. Nee, hij zegt: Het huwelijk is in die zin geen instituut. Het huwelijk wil hij geheel laten opgaan in een relatie, trouwens de hele dienst aan God wil hij laten opgaan in een wederzijds gelijke relatie, zonder enige vorm van verplichting. De Bijbel is er echter duidelijk over. Het huwelijk is wel degelijk door God ingesteld. Al bij de schepping. Zie hiervoor Matteüs 19:3-6 en Genesis 2:23-24. Hebreeën 13:4a roept ons op om het huwelijk in ere te houden. Door mensen gecreëerde instituten zijn we geen eer verschuldigd, wel het door God zelf ingestelde instituut van het huwelijk.

De schrijver laat Jezus ook zeggen dat Jezus niet zo dol is op politiek en economie. Anders gezegd: hij heeft niets op met de overheid die immers het politieke en economische leven regeert. Maar ook hier negeert de auteur de Bijbel. De Bijbel zegt duidelijk dat de overheid door God is ingesteld. Romeinen 13: 1: ‘Er is geen gezag dat niet van God komt; ook het huidige gezag is door God ingesteld’. Romeinen 13:2 ‘ Wie zich tegen dit gezag verzet, verzet zich dus tegen een instelling van God’. Romeinen 13:4: ‘want ze (de overheid) staat in dienst van God en is er voor uw welzijn’.  I Timoteüs 2: 2 roept ons dan ook op voor alle koningen en gezagsdragers te bidden.

Het standpunt van de schrijver riekt een beetje naar doperse wereldmijding. Die wereldmijding houdt in dat de overheid, de economie, in de machtssfeer van de Boze ligt. Je moet er als mens nu eenmaal gebruik van maken. We kunnen nu eenmaal niet zonder overheid en als zodanig moet je die overheid ook respecteren. Maar tegelijktijdig wordt de christen opgeroepen om er afstand van te nemen en er zeker niet in te participeren. Het gevolg is veelal dat de christen zich terug trekt in de eigen kring van gelijk gestemden.

De Bijbel roept ons echter op om in alle levensverbanden een zoutend zout te zijn. Om midden in deze wereld te gaan staan, zonder van deze wereld te worden.  Zoutend zout zijn betekent: positief bijdragen aan het politieke en economische leven. Om overal door woord en daad te laten zien dat op alle terreinen van het leven Christus de baas is. Wordt vervolgd………

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het boek 'De Uitnodiging'' van W. Paul Young -een recensie - Deel 3

Het boek ‘De Uitnodiging’ van W. Paul Young – een recensie- deel 3.

In de vorige weblog zagen we dat de diepte van het lijden van Jezus aan het kruis door de auteur wordt ondergewaardeerd. Dat heeft gevolgen want het kan niet anders of de ernst, de kracht en de diepte van de zonde wordt óók onderschat. Wil de schrijver eigenlijk wel weten van een plaats vervangend lijden en sterven van Christus? Dat blijkt nergens in dit boek. Integendeel.

In dit verband moeten we nog even terug komen op een citaat dat we in deel 2 al bespraken. Op pagina 253 lezen we: ‘Zoals je weet was het niet mogelijk om vrijheid te scheppen zonder er een prijs voor te betalen. Papa keek omlaag naar zijn handen en polsen waar de littekens duidelijk zichtbaar waren”. Het lijden aan het kruis wordt hier voorgesteld als een prijs die betaald moest worden om vrijheid te kunnen scheppen. Dat lezen we nergens in de Bijbel. Integendeel, in Marcus 10:42 lezen we dat Jezus is gekomen om zijn leven te geven als losprijs voor velen en helemaal niet om hierdoor vrijheid te kunnen scheppen. Wel om ons vrij te kunnen kopen van de zonde.

Als tekort gedaan wordt aan de ernst van de zonde dan ontstaat er een veel te optimistisch mensbeeld. De indruk wordt gewekt dat God toch wel heel blij moet zijn met hoe die goede Mack in elkaar steekt. Los van Het Grote Verdriet mankeert er eigenlijk helemaal niets meer aan Mack. Het lijkt wel de omgekeerde wereld. God heeft juist respect voor Mack. Op pagina 120 lezen we zelfs dat God voor Mack zichzelf beperkingen heeft opgelegd ‘uit respect voor jou’. Op pagina 165 zegt Jezus: ‘Het gaat om een relatie die gebaseerd is op liefde en respect. In feite zijn wij op dezelfde manier aan jou onderworpen’.

Mack moet maar niet al te veel praten over schuld want  Papa zegt op pagina 191 tegen Mack: ‘Jij bent de enige in het hele universum die vindt dat jou enige schuld treft’’. Op pagina 236 zegt Papa tegen Mack: ‘Lieverd, ik heb nooit een bepaalde verwachting van jou of iemand anders gehad’. Even later zegt Papa: ‘’En bovendien, omdat ik jou geen verwachting opleg, stel je me ook nooit teleur’.

Dit is toch taalgebruik dat mijlen ver afstaat van de Bijbel. In de Bijbel lezen we van de worsteling van gelovigen met en tegen de zonde. Dan maakt het niet uit of je Abraham, Jacob, David, Daniël, Paulus of Petrus heet. ’Ik ellendig mens’ moet Paulus zelfs uitroepen in Romeinen 7:24.Maar in dit boek lijkt het of de bede ‘Vergeef ons onze schulden’ maar beter uit het Onze Vader geschrapt kan worden.

We zien dat Mack de moordenaar van zijn dochter Missy vergeving schenkt en Hij voor Het Grote Verdriet in zijn leven weer met God in het reine komt. Maar voor de rest kan Mack op voet van gelijkheid met God omgaan en is er van enige schuld of zondebesef totaal geen sprake. Het is waar, doordat de Heilige Geest in ons woont, mogen wij heel ons leven groeien in geloof, in liefde, en vertrouwen. Maar dat is een proces van vallen en opstaan. Een proces van dagelijkse bekering en vernieuwing. Volgens de auteur heeft God van de mens en dus ook van Mack geen enkele verwachting en kan hij God dus niet teleurstellen. Maar wij kunnen door onze dagelijkse zonde God wel degelijk teleur stellen. Efeziërs 4:31 zegt niet voor niets: ‘Maak Gods heilige Geest niet bedroefd, want hij is het stempel waarmee u gemerkt bent voor de dag van de verlossing’.

Antinominanisme

Het z.g. Antinominanisme is een stroming die zegt dat als men het evangelie aanvaardt, dat dan de (morele) wet niet langer van toepassing is. In dit boek zien we van deze opvatting veel sporen. Ik zal uitleggen waarom.

Het is duidelijk dat de auteur heel sterk inzet op het onderhouden van een relatie met God. Daarover zegt de auteur in de dialogen heel veel waardevolle dingen. Wat mij echter opvalt, is dat hij het onderhouden van een relatie met God sterk afzet tegen het onderhouden van wetten, principes en leefregels. Het lijkt alsof een goede liefdevolle relatie met God onderhouden én tegelijkertijd zijn wetten en geboden liefhebben twee dingen zijn die in de ogen van de auteur niet samen kunnen gaan. Op pagina 227 zegt de Heilige Geest (Sarayu) tegen Mack: Je moet gewoon niet naar regels en principes (in de Bijbel) zoeken. Kijk uit naar je relatie met ons, naar en manier om met ons samen te zijn’. Op pagina 232 zegt Sarayu over de Tien geboden: ‘Er zit geen genade of vriendelijkheid in regels, zelfs niet als er maar één wordt overtreden. Daarom heeft Jezus ze allemaal voor jullie vervuld zodat ze geen rechtsgeldigheid meer hebben!. En de wet die vroeger onmogelijke eisen aan jullie stelde: ‘Gij zult niet…..” wordt uiteindelijk een belofte die wij in jullie vervullen. Jezus is zowel de belofte als de vervulling van de wet’. Mack antwoordt hierop met: ‘Wil je beweren dat ik me niet meer aan die regels hoef te houden? Antwoord van Sarayu: ‘Ja. In Jezus val je niet meer onder welke wet dan ook. Alles is wettig. Als je de wet wilt houden is dat in feite een onafhankelijkheidsverklaring, een manier om zelf alles onder controle te houden’. Sarayu vervolgt op pagina 233 en zegt over de wet: ‘Ze geeft macht om over anderen te oordelen en je boven hen verheven te voelen. Regels kunnen geen vrijheid brengen, ze verschaffen alleen macht om te beschuldigen. Mack antwoordt hierop met: ‘ Zeg je nu dat verantwoording afleggen en aan verwachtingen voldoen gewoon een andere vorm zijn van regels waaraan we ons niet langer hebben te houden? “JA” bracht Papa (God) weer in: ‘Nu zijn we waar we willen zijn’. Sarayu op pagina 235: “Religie heeft een wet nodig om macht te kunnen uitoefenen”.

De auteur geeft zoals gezegd in zijn boek geen tekstverwijzingen. Dat maakt het soms wat lastig om precies de bedoeling van de auteur in kaart te brengen. Maar als hij de Geest tegen Mack laat zeggen dat er geen genade of vriendelijkheid in regels en geboden zit, dan klopt dat niet. Romeinen 7:12 zegt dat ‘de wet zelf heilig is en de geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed’. Maar omdat wij in eigen kracht de geboden niet kunnen volbrengen, heeft Christus de wet in onze plaats vervuld en worden wij van de klemmende eis van de wet vrij gesproken. Christus heeft de wet vervuld. Dat betekent ook: Hij heeft de echte betekenis van de wet laten zien, nl. dat het in alle geboden gaat om liefde en trouw. Maar daarmee worden de geboden, zoals de auteur beweert, niet afgeschaft of verliezen ze daarmee hun rechtsgeldigheid. Integendeel. Dat zegt Jezus heel duidelijk in Matteüs 6:17,18: ‘Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen. Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn’.

De schrijver maakt van de wet een ‘belofte die wij in jullie vervullen’. Dat klinkt heel mooi maar waar staat dat dat de wet een ‘belofte’’ wordt? Een belofte spreekt immers altijd over iets dat in de toekomst vervuld, ingelost wordt. Van de komst van de Heilige Geest, daarvan mag je wel zeggen dat dit de vervulling van een belofte is (zie Handelingen 1:4). Van die belofte van de Geest spreekt ook het bekende Jeremia 31:31: ‘Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven’. Dankzij het werk van Christus en door de werking van de Heilige Geest gaat er in het hart van de gelovige iets geweldigs moois gebeuren met die wet van God. De motivatie om naar de wet van God te leven gaat van binnenuit, vanuit je hart, komen. Geen uiterlijke naleving meer van geboden en regels omdat het nu eenmaal moet maar omdat je, door de Geest, nu ook niets liever wilt dan die geboden naleven.

Het is met de wet van God precies zo gesteld als bij een verliefd stel. Als je echt verliefd bent dan wil je niets liever doen dan het de ander naar de zin te maken. Je wilt die ander steeds beter leren kennen en je probeert er achter te komen wat die ander fijn vindt en je spant je tot het uiterste in de hartenwens van die ander te vervullen. Je doet dat met liefde en plezier, zonder enige vorm van dwang of machtsvertoon. Zo gaat het nu ook als je God lief hebt. In Zijn wetten en Zijn geboden heeft God zijn hart gelegd. Die geboden zijn goed voor jezelf en voor de samenleving. Omdat je – om zo te zeggen- zo verliefd bent op God wil je niets anders dan dat zijn geboden in jouw binnenste tot leven komen. Net zoals de dichter van Psalm 119. De langste psalm in de Bijbel. Maar liefst 176 verzen lang is de dichter lyrisch enthousiast over de wet van God. Waarom? Omdat Hij God lief heeft.

Natuurlijk heeft de schrijver niet helemaal ongelijk als hij schrijft dat religie een wet nodig heeft om macht te kunnen uitoefenen. Zo heeft de wet in de geschiedenis helaas vaak gefunctioneerd. Maar ook hier gooit de auteur het hele kind met het badwater weg. Als liefde, trouw en gerechtigheid van de wet los gekoppeld wordt, dan wordt het een janboel in de samenleving. Dan blijft van de wet alleen het autoritaire machtswoord over. Maar dat is in de Bijbel nooit de bedoeling. Romeinen 13:-10 is er duidelijk over:  ‘De liefde berokkent uw naaste geen kwaad, dus de wet vindt zijn vervulling in de liefde’. Wordt vervolgd……

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het boek 'De Uitnodiging'' van W. Paul Young -een recensie - Deel 2

Het boek 'De Uitnodiging' van  W. Paul Young - een recensie - deel 2

We gaan verder met de bespreking van dit zeer intrigerende boek van Paul W. Young 'De Uitnodiging'. We geven een aantal citaten waarop we commentaar geven. De citaten zijn steeds schuin gedrukt.

 Op Pagina 114 zegt Papa iets over de Drie-eenheid wat heel erg Schriftuurlijk lijkt: “Wij zijn niet drie goden en we hebben het ook niet over één god met drie hoedanigheden, zoals een man die tegelijkertijd echtgenoot, vader, en werknemer kan zijn. Ik ben één God en ik ben drie personen en elk van deze drie is ten volle en volkomen de Ene”.

Bovenvermeld citaat lijkt recht te doen aan de wijze waarop de Bijbel spreekt over de Drie-eenheid.   Maar erg verwarrend wordt het wanneer we op pagina 107 heel iets anders lezen en wel dat niet alleen Jezus littekens draagt maar dat Mack ook littekens op de polsen van Papa (!) ziet. Op pagina 253 lezen we iets soortgelijks: ‘Zoals je weet was het niet mogelijk om vrijheid te scheppen zonder er een prijs voor te betalen. Papa keek omlaag naar zijn handen en polsen waar de littekens duidelijk zichtbaar waren”.

We zien in dit citaat een aantal elementen die in eerste instantie lijken op diverse oude dwalingen  uit de eerste eeuwen van de kerkgeschiedenis. De eerste die we tegen komen is de dwaling van het modalisme van Sabellius uit de derde eeuw. Volgens het Sabellianisme bestaat God slechts uit één Persoon, die zich in drie verschillende gedaanten (proposa) of verschijningsvormen (modi) heeft geopenbaard. Als Papa (de Vader) ook littekens draagt dan schijnt dat te wijzen op het feit dat ook Hij aan het kruis heeft geleden. De Vader neemt dan de verschijningsvorm van de Zoon aan en lijdt in feite zelf aan het kruis. Een hieraan verwante dwalings is die van het z.g. Patripassionisme. Deze leer werd in de tweede eeuw verdedigd door Noëtius van Smyrna. Ook hier is Jezus is slechts een verschijningsvorm van God de Vader en geen zelfstandig persoon. Het lijden van de Christus aan het kruis is in feite het lijden van de Vader. God de Vader lijdt zelf aan het kruis.

Toch schijnt dat niet helemaal de bedoeling van de schrijver te zijn. Op pagina 108 wordt dit gereduceerd tot een samen lijden van de Vader en de Zoon aan het kruis. We lezen: ‘Wij waren daar samen’. Mack was verbaasd. ‘Aan het kruis? vraagt Mack. Wacht eens eventjes, ik dacht dat U (Papa) hem verliet. ‘Mijn God, mijn God waarom hebt u mij verlaten? ’Papa zegt tegen Mack: ‘Je begrijpt het mysterie daarvan niet. Ongeacht wat hij (d.i. Jezus)op dat moment ook voelde, ik heb hem nooit verlaten’. Even verder: ‘Vergeet niet dat het verhaal (nl. van de kruisiging) niet eindigde bij zijn gevoel van verlatenheid’. Hier wordt door de schrijver de gehele Bijbelse verzoeningsleer behoorlijk op zijn kop gezet en van zijn kracht ontdaan.

In de eerste plaats is het zo De Bijbel het op veel plaatsen duidelijk maakt dat door de mens de zonde in de wereld is gekomen. En door de zonde de dood. En dat er alleen door de rechtvaardige mens Jezus Christus voor de zonde betaald kon worden en de dood kon worden overwonnen verslagen. Zie bijv. Rom. 5:12-15; I Kor. 15:21; Hebr. 2:14-16; Hebr. 7:26,27; I Petrus. 3:18 ). God de Vader heeft dan ook niet samen met Jezus aan het kruis geleden maar alleen Jezus Christus.

In de tweede plaats wordt door de schrijver het verlaten zijn van Christus door God gereduceerd tot een gevoel van verlatenheid. Volgens de schrijver gaat het niet om een echte, feitelijke, verlatenheid maar slechts om een gevoel daarvan. Jezus voelde zich verlaten maar God had hem, volgens de schrijver, helemaal niet verlaten. Hij de Vader, leed mee aan het kruis. Vanuit de optiek van de schrijver is dat logisch. Als de Vader en de Zoon samen aan het kruis zouden hebben geleden dan kan er van echte verlatenheid geen sprake zijn. Gedeelde smart is immers halve smart.

Maar met het kruiswoord ‘Mijn God, mijn God waarom hebt U mij verlaten?’ (Mat. 27:46) is Jezus aangekomen bij het dieptepunt van Zijn onuitsprekelijke angst en pijn, verschrikkingen en helse kwelling die Hij moest ondergaan voor ons. Het ergste en pijnlijkste wat Hem kon en moest overkomen was de verlatenheid door God. Die verlatenheid ervoer Hij toen Hij neerdaalde in de hel en vormt daarmee de kern en het dieptepunt van het lijden. De hel is de plaats waar God niet is, de plaats van de totale verlatenheid.

Als je die verlatenheid van Jezus reduceert tot alleen maar een gevoel dan heeft dat ingrijpende gevolgen. Als je de diepte van het lijden vermindert, dan doe je op gelijke wijze afbreuk aan de ernst van de zonde. De zonde veroorzaakte een diepe kloof tussen God en de mens. Die kloof kon niet anders gedicht worden dan door het lijden en sterven van Jezus. De breuk tussen God en mens was zo ernstig dat deze alleen geheeld kon worden als Jezus de uiterste consequentie van onze ongehoorzaamheid zou dragen: de verlatenheid en angst en pijn van de hel.

Als de ernst van de zonde niet wordt gepeild, dan is het ook niet verwonderlijk dat het begrip ‘zonde en schuld’ in dit boek een heel andere invulling krijgt. Er wordt ons een veel te optimistisch mensbeeld voorgeschoteld dan dat we ons Bijbels gezien kunnen verantwoorden. Herhaaldelijk wordt gezegd dat de kern van ons falen is dat we ‘Onafhankelijk’ willen zijn. Nu is dit op zich wel juist, maar de Bijbel leert ons dat er véél meer aan de hand is. Door onze ongehoorzaamheid zijn we vijanden van God geworden (Romeinen 5:10).

Laten we tot slot een voorbeeld geven hoe de schrijver omgaat met zonde en schuld. Op pagina 134 vraagt Mack aan Papa: ‘Zijn er ook mensen op wie u niet zo dol bent? Antwoord van Papa: ‘Nee… niemand gevonden. Ik denk dat ik niet anders kan’. Mack: ‘Hoe zit dat dan met uw toorn? Volgens mij zou u toch veel bozer moeten zijn als u blijft volhouden dat u de almachtige God bent?’. Antwoord van Papa: ‘Moet dat?’. Papa vervolgt op pagina 135: ‘Ik hoef mensen niet voor hun zonden te straffen. De zonde straft zichzelf. Ze verteert je van binnenuit. Het is niet mijn bedoeling de zonde te straffen, het is mijn vreugde te genezen’. Op pagina 255 zegt Papa: ‘Ik haal nooit iemand naar beneden, ik veroordeel niemand. Zulke zaken brengen geen greintje heelheid of gerechtigheid voort. Daarom werden ze ook aan het kruis genageld in de persoon van Jezus’.

Tegen deze citaten kan vanuit de Bijbel heel veel ingebracht worden.  Johannes 3:36 zegt: ‘Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven, wie de Zoon niet wil gehoorzamen zal dat leven niet kennen; integendeel, Gods toorn blijft op hem’. Hoezo dan geen toorn? 2 Thessalonicenzen 1:8 zegt: ‘Dan komt Hij (d.i. Jezus) in een vlammend vuur en omringd door engelen, door wie hij zijn macht manifesteert; dan straft hij hen die God niet erkennen en het evangelie van onze Heer Jezus niet gehoorzamen’. Hoezo geen straf? De schrijver schijnt te geloven in het zelf reinigend en corrigerend karakter van de zonde. Het is waar: zonde brengt niets dan zonde voort en als de zonde volgroeid is leidt de zonde uiteindelijk naar de dood (Jacobus 1:15). Maar dat is geen autonoom proces, buiten God om, zoals de schrijver suggereert.

De schrijver lijkt zich niet te realiseren dat de zonde een inbreuk is op het recht van God. Elke zonde is een daad die indruist tegen de gerechtigheid van God. Elke zonde moet daarom recht gezet worden. En dat heeft Jezus Christus voor ons gedaan. Dat wordt prachtig onder woorden gebracht in 2 Korintiërs 5:21: “Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem” (vertaling NBG). De schrijver laat Papa zeggen: ‘Ik veroordeel niemand’. Dat is in de grond van de zaak universalisme. Universalisme is: Het komt goed met iedereen, ongeacht of hij of zij nu gelooft of niet. Maar hij had moeten zeggen: ‘Ik veroordeel niemand die in Christus Jezus is’ want dat is volgens Romeinen 8:1 Bijbelse taal. Veroordeling brengt wel degelijk gerechtigheid voort. Waarom? Omdat Jezus Christus in onze plaats werd veroordeeld en daardoor deze gerechtigheid volbracht heeft. Wordt vervolgd…….

 

 

Het boek 'De Uitnodiging'' van W. Paul Young -een recensie - Deel 1

Het boek 'De uitnodiging' van W. Paul Young - een recensie deel 1

Een broer uit onze kerkelijke gemeente gaf me dit boek met als titel 'De Uitnodiging'' geschreven door W.Paul Young. Het leek hem wel wat voor mij. Ik heb het gelezen en nog eens gelezen. En inderdaad, dit boek heeft ook mij onmiddellijk in zijn greep gekregen. Het is vlot geschreven en leest daarom heel gemakkelijk. Dit boek, dat in Amerika in 2007 voor het eerst verscheen, heeft in het Engels de titel ‘The Shack’ (‘De Hut’) gekregen, maar in het Nederlands is gekozen voor de titel ‘De Uitnodiging’.

In de categorie fictie heeft dit boek tot begin 2010 nummer 1 gestaan op de bestseller lijst van de New York Times en er zijn wereldwijd al meer dan 7 miljoen exemplaren van verkocht. De bekende professor in de spirituele theologie Eugene Peterson heeft het volgende over dit boek gezegd: “Dit boek heeft de potentie om voor onze generatie te doen wat ‘de Christenreis naar de eeuwigheid’ van John Bunyan heeft gedaan voor zijn generatie. Zo goed is het!’. Dat is nogal wat. Als je op internet kennis neemt van de vele lezers forums in Amerika dan blijkt dat voor heel veel lezers dit boek een ‘life changing experience’ is geweest.

Laten we eerst in het kort vertellen waar het boek over gaat. Het boek bestaat uit drie delen. De hoofdrol speler is Mackenzie Allen Philips. In het boek wordt hij Mack genoemd. In het eerste deel wordt verteld dat zijn jongste dochter Missy tijdens een kampeervakantie wordt ontvoerd. In een verlaten hut in de wildernis van Oregon worden er aanwijzingen gevonden die erop wijzen dat ze op brute wijze is ontvoerd en vermoord. Mack verwijt zichzelf dat hij nalatig is geweest in het beschermen van Missy en hij raakt in een diepe rouw over Missy. In het boek wordt die diepe rouw aangeduid als ‘Het Grote Verdriet’ – steeds in hoofdletters geschreven. Na vier jaar ontvangt Mack een opmerkelijk briefje met de volgende tekst:

Mackenzie. Het is alweer een tijdje geleden. Als je me wilt ontmoeten, ik ben komend weekend bij de hut’.

Is dit briefje afkomstig van de dader of van iemand anders? Misschien wel van God? Dwars tegen zijn gevoelens besluit Mack om terug te keren naar de plek des onheils. Zonder dat zijn vrouw Nan ervan af weet keert hij op een koude winterse middag terug naar de hut en gaat de confrontatie aan met zijn grootste nachtmerrie. Maar wat hij in de hut aantreft zet zijn hele leven op zijn kop. Daar begint het tweede en verreweg het grootste gedeelte van dit boek. Het briefje blijkt inderdaad van God te zijn want Mack heeft een ontmoeting met de Drieenige God. God, de Vader, verschijnt in de gedaante van een flamboyante, grote, zwarte, Afro-Amerikaanse vrouw. In het boek wordt zij steeds aangeduid als ‘Papa’.  De Heilige Geest verschijnt in de gedaante van een kleine Aziatische vrouw, aangeduid als ‘Sarayu’.  Jezus heeft de gestalte van een joodse man uit het Midden-Oosten, gekleed als bouwvakker, compleet met gereedschapsgordel en handschoenen.

Er ontstaat een gesprek met de Drieenige God dat zoals gezegd het grootste gedeelte van het boek in beslag neemt. Een gesprek dat echter zeer boeiend is en nergens langdradig of zwaar dogmatisch wordt. Er komen tussen neus en lippen heel veel onderwerpen over de grote vragen van het leven, zoals het lijden en de dood, aan de orde, met als doel om op een of andere manier een antwoord te formuleren op het Grote Verdriet van Mack.

In het laatste gedeelte van het boek krijgt Mack een ongeluk en raakt in coma. Het blijft raadselachtig of dit ongeluk nu gebeurd is vóórdat hij naar de hut is gegaan of daarná. Als het ongeluk gebeurd is voordat hij naar de hut is gegaan, dan wordt op zijn minst de suggestie gewekt dat het hier wel eens om ‘een bijna dood ervaring’ kan gaan. Als dat zo is, dan krijgt het verhaal een andere lading. Het wordt dan wel een heel persoonlijke religieuze ervaring waarbij het dan niet meer zo storend lijkt als over God op een alledaagse, haast platvloerse, manier gesproken wordt. De feiten doen er dan niet zoveel toe. Toch ben ik na he lezen van het boek er sterk van overtuigd dat de schrijver de bedoeling heeft gehad om een theologisch concept over de Drieenige God neer te zetten en hij heeft er daarbij voor gekozen om die boodschap te brengen in de vorm van een fictief verhaal. Zo wil ik in het vervolg dit boek dan ook beoordelen.

Als we het boek nu inhoudelijk gaan beoordelen, laat ik dan beginnen met het positieve van het verhaal. Aan het einde (254) geeft Mack zich geheel over aan God: ’Papa, ik vertrouw u echt’. Uiteindelijk gaat het in het geloof om vertrouwen.  Geloof en vertrouwen zijn dan ook twee synonieme woorden in de Bijbel. De mens wordt uiteindelijk door Gods liefde overweldigd en krijgt zo vertrouwen dat, wat er ook gebeurt, en al begrijpen wij het niet, alles voor ons zal meewerken ten goede. Als het over het versterken van die vertrouwensband gaat, dan staan er in dit boek heel veel mooie dingen die alleszins het overdenken waard zijn.

Het is waar, er zijn in de loop van de eeuwen, tot aan vandaag toe, heel veel kinderen van God terecht gekomen in de vermorzelende raderen van een bedreigend, manipulerend en veroordelend christendom. Althans in de raderen van wat zich ‘christendom’ noemt. Voor deze christenen kan dit boek een tegenhanger vormen. Alleen moet ik meteen nu al zeggen dat helaas ook op dit punt het kind in dit boek met het badwater is weg gegooid. Ik kom daar nog op terug.

Wat de beoordeling van het boek lastig maakt is dat er enerzijds heel veel over de eigenschappen van de Drieenige God verteld wordt, maar dat die gedachten heel vaak niet uitgewerkt worden. Er wordt veel gesuggereerd maar weinig vanuit de Bijbel bewezen. Dat heeft enerzijds te maken met het feit dat de schrijver er een goed lopend en spannend verhaal van wil maken maar anderzijds heeft het ook  te maken met de opvattingen van de schrijver over het gezag van de Bijbel. Ik ben van plan om aan dit boek meerdere weblogs te wijden en ik zal veel gaan citeren uit het boek om vandaaruit te proberen om duidelijkheid te krijgen.

In deze weblog nog twee zaken. Zoals boven als aangegeven neemt God de Vader (‘Papa’’) de gedaante aan van een grote zwarte Afro-Amerikaanse vrouw en de Heilige Geest de gedaante van een kleine Aziatische vrouw en Jezus verschijnt als een joodse timmerman. Komt een dergelijke voorstelling niet in conflict met het tweede gebod? God wil immers op geen enkele manier afgebeeld worden!. Wordt er hier niet een beeld van God naar eigen smaak en voorkeur getekend?

En tenslotte iets over de heiligheid van God. Mack discussieert op voet van gelijkheid met God. De sfeer tijdens de gesprekken met Vader, Zoon en Geest kan getypeerd worden als ‘oude jongens krentenbrood’.  Mack interrumpeert veelvuldig het spreken van God, hij veroorlooft zich in de oorspronkelijke Engelse  versie zelfs de bastaardvloek  ‘Damn!’.  Hoe gaan Vader, Zoon en de Geest in het boek met elkaar om? God –Papa- verzorgt de overvloedige maaltijden kookt allerlei heerlijke gerechten in de keuken. Sarayu, de Geest is aan het wroeten in de tuin. Jezus klust als timmerman, ligt s ’nachts samen met Mack naar de sterrenhemel te turen, en jaagt achter forellen aan in het meer, die hij maar niet gevangen kan krijgen( 200). Jezus (117) laat een kom met beslag of saus op de grond vallen en de rok van Papa en zijn voeten zitten onder de kleverige troep. Jezus pakt een teil met water en een paar handdoeken en gaat de boel schoon maken. Hij knielt neer aan de voeten van Papa en maakt behoedzaam haar voeten schoon en droogt ze af. ‘O wat voelt dat heerlijk’ roept Papa uit.

Als ik dat zo lees krijg ik er toch een beetje een vreemd gevoel bij. Het is waar, in en door Jezus Christus is God heel dichtbij gekomen en mogen wij hem vertrouwelijk als ‘Abba’, Vader, aanroepen (Romeinen 8:15). Maar tegelijkertijd leert de Bijbel ons ook een diep ontzag en eerbied voor God. Die eerbied en dat ontzag voor de heilige God ontbreekt totaal in dit boek. Als Jesaja met de heiligheid van God wordt geconfronteerd dan moet hij het uitschreeuwen: ‘Wee mij!. Ik moet zwijgen want ik ben een mens met onreine lippen, en ik leef temidden van een volk dat onreine lippen heeft. En nu heb ik met eigen ogen de koning, de HEER van de hemelse machten gezien’ (Jesaja 6:5). Als de verhoogde Kurios aan Johannes verschijnt op Patmos, is die ervaring zo indrukwekkend dat Johannes als dood voor de voeten van Christus viel. (Openbaring 1:17).  Wij sterfelijke mensen kunnen de confrontatie met die hoog Heilige God helemaal niet verdragen.  Hoe dicht God ook bij de mensen komt in Jezus Christus, er blijft altijd een oneindig groot verschil tussen Schepper en Schepsel. In dit boek vindt je daar niets van terug. Wordt vervolgd…………

 

 


[1] ISBN 978 90 435 1550 4

In Christus ben je een nieuwe schepping!

‘Daarom ook is iemand die één met Christus is een nieuwe schepping’ (2 Kor.5:17)

 

Over de Amerikaanse theoloog en apologeet Prof. Gregory A. Boyd heeft u al eerder iets kunnen lezen op mijn weblogs. Ik ben naar aanleiding van zijn zeer bekende en alom geprezen boekje ‘Brieven van een Scepticus’ met hem in debat gegaan. Boyd wordt wereldwijd gerekend tot één van de meest invloedrijke theologen van deze eeuw. Boyd is een aanhanger van het z.g. ‘open theïsme’. Deze stroming heeft de laatste tijd veel invloed gekregen in Amerikaanse evangelische kringen. Ik denk dat het een kwestie van tijd is alvorens we er hier ook mee te maken krijgen. Het open theïsme gaat ervan uit dat God weliswaar veel meer voorkennis heeft over de toekomst dan wij, maar tegelijkertijd ook, dat Hij niet alles weet over die toekomst. Je zou kunnen zeggen: Hij heeft vrijwillig besloten om niet alles te weten over die toekomst. Sommige zaken staan wel vast en daarvan heeft God ook volledige voorkennis. Zo staat zijn heilsplan vast en daarvan lees je in de Bijbel.

Als het echter over mensen (en engelen) gaat, dan worden deze door Boyd aangeduid als ‘’Free agents”. Liefde en vrijheid horen onlosmakelijk bij elkaar. Liefde zegt Boyd is geen echte liefde als die liefde niet vrijwillig is. God wil met de mens alleen een relatie aangaan op basis van vrijwillige liefde. Anders zouden we in feite alleen maar robots zijn die mechanisch de wil van God uitvoeren. (Like puppets on a string). Zo wil God niet met ons omgaan. Als de mens vrij is in zijn handelen dan  betekent dit volgens Boyd dat God de daden en beslissingen van de mens niet van tevoren kan kennen.

Ik vraag me persoonlijk af waarom dit noodzakelijk is. Een voorbeeld om dat duidelijk te maken. Jantje krijgt van moeder de opdracht om niet uit de snoepdoos te snoepen Ook al weet moeder van tevoren dat Jantje bij haar afwezigheid uit de snoepdoos zal gaan snoepen, toch kan je zeggen dat Jantje geheel vrijwillig het gebod van moeder overtreedt als hij toch besluit te gaan snoepen uit de snoepdoos.

Natuurlijk weet Bod dat ook wel maar waarom blijft hij dan toch bij de gedachte dat God de daden van de vrije mens niet van tevoren kan kennen?. Dit komt omdat Boyd het handelen in vrijheid als ‘scheppen’ ziet. In die visie is het kenmerkende van iets ‘scheppen’ nu juist dat je van tevoren niet weet hoe het geschapenen eruit zal gaan zien, anders is het geen ‘scheppen’ meer. Anders gezegd: een uitvinding is geen uitvinding meer als je al van te voren weet hoe die uitvinding eruit ziet en zal gaan functioneren. Ook spontaniteit en schepping horen onlosmakelijk bij elkaar. Zo gaat dat op menselijk niveau. Je voegt bepaalde substanties bij elkaar, je combineert bepaalde gedachtegangen en ’spontaan’ ontstaat er iets nieuws, vaak ‘out of the blue’. Je was er niet eens naar op zoek en tot je grote verrassing ontstaat er iets totaal nieuws, een creatie. Het is duidelijk dat je zo’n nieuwe creatie  pas weet kan krijgen op het moment dat deze echt ontstaat.

Op menselijk niveau is deze gedachte goed te volgen. Maar het typische is dat Boyd deze gedachte nu ook op God toepast. Boyd schrijft letterlijk:

Als Hij (d.i. God) ons vrijheid geeft, scheppen wij de werkelijkheid van onze besluiten door ze te nemen. En zolang wij die besluiten niet nemen, bestaan ze gewoon niet. Kortom er bestaat niets dat te kennen valt, totdat wij het in het leven roepen, zodat het gekend kan worden. Dus God kan de goede of verkeerde beslissingen van de mens die Hij (d.i. God) schept niet van te voren kennen, totdat Hij (d.i. God) ze schept en zij (dat zijn de mensen) op hun beurt hun beslissingen ‘scheppen’[1].

Allereerst denk ik dat Boyd de ‘scheppende’ kracht van de mens ten onrechte op hetzelfde niveau zet als de scheppende kracht van God. Als een mens iets ‘schept’ dat doet hij dat uit iets dat al bestaat. Hij ontdekt nieuwe mogelijkheden en toepassingen uit dingen die al bestaan. Als zodanig zou je dat niet eens ‘scheppen’ kunnen noemen. Bij God ligt dit heel anders. Hij is de echte Schepper. Echt ‘scheppen’ is scheppen uit het niets. Dat doet Hij dan ook.(creatio ex nihilo). Dat gebeurt door de kracht van zijn Woord. Hij spreekt en het staat er. Hij gebiedt en het gebeurt (Psalm 33:6). Dat is voor ons een onnavolgbaar proces.

Het lijkt me daarom maar moeilijk voorstelbaar dat God het handelen van zijn eigen schepsel niet van te voren zou kennen en door het optreden en handelen van dat schepsel a.h.w. verrast zou kunnen worden. Boyd ziet God echter optreden op het wereldtoneel als een oneindig wijze schaakspeler. Hij reageert  volgens Boyd interactief op het handelen van de mens. Het handelen van de mens dat Hij overigens niet van tevoren kent, want de mens is vrij in zijn handelen. Maar God weet volgens Boyd wel altijd een antwoord op elke zet die de mens op het schaakbord van het wereldgebeuren zet. Hij komt op het schaakbord nooit klem te zitten. Hij kent nl alle ‘possibilities’, alle mogelijkheden, zodat Hij uiteindelijk altijd bij Zijn doel uitkomt.

Nu gebruikt Boyd een aantal Schriftplaatsen om zijn visie een Bijbelse onderbouwing te geven. We gaan ze niet bespreken maar het zijn veelal plaatsen waarin God interactief schijnt te reageren op een ontstane situatie zoals bijv. in Exodus 32:14: ‘Toen zag de HEER ervan af zijn volk te treffen met het onheil waarmee Hij gedreigd had’.

Concluderend kunnen we zeggen dat Boyd met zijn opvattingen over de vrije wil van de mens, de mens op een veel te hoog plan zet. De mens krijgt zodoende een veel te grote vinger in de pap als het om zijn verlossing gaat. Hoe je het ook wendt of keert, God wordt hiermee veel te afhankelijk van wat de mens doet.

Als het om de verlossing van de mens gaat is het helemaal niet nodig dat God aan zou sluiten bij of zou reageren op de z.g. vrije wil van de mens. Als God de mens verlost dan begint Hij nl iets geheel nieuws in die mens. Er wordt iets geheel nieuws in die mens geschapen. Daarvan spreekt 2 Korintiërs 5: 17 heel duidelijk: ‘Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping’. Een nieuwe schepping waarvan God alles al van tevoren afweet.

 

 

 

 


[1] ‘Brieven van een Scepticus’ vierde briefwisseling, pagina 29

[1]      «      10   |   11   |   12   |   13   |   14      »      [14]