Sometimes it feels like Bob Dylan says: "I practice a faith that's long been abandoned, ain't no altars on this long and lonesome road"

Visitors to this website today: 174Total number of visitors to this website: 510235
Welcome to the website of Kees de Graaf
Kees de Graaf keesdegraaf.com

Bob Dylan's ''Highlands" - lyric analysis- Part 1

Dylan’s ‘Highlands’ – Lyric analysis by Kees de Graaf - Part 1


1. Introduction.
‘Highlands’ is one of Dylan’s masterpieces, recorded in 1997 for the album ‘Time out of Mind’. The main theme of the album ‘Time Out of Mind’’ is movement. On the album the poet is constantly on the move to some destination. A destination which is sometimes undefined: ’I’m walking through the summer nights, the jukebox playing low’; ‘I’m walking through the middle of nowhere’. Sometimes this destination is more defined: ‘I’m trying to get to heaven’ or ‘’My heart’s in the Highlands’.  It is all about movement. The album starts with ‘Love Sick’’:’’ I’m walking though streets that are dead’. The album ends when the poet has finally reaches his destination in the Highlands:  I’m already there in my mind’. Physically he is still on his way, he is still in the flesh, but his mind is already in the Highlands, the place where he belongs, the only place left to go.
The song is in some sort of a way related to ‘Trying to get to Heaven’. There can be no doubt that ‘Highlands’ is a metaphor for heaven.  Whereas in ‘Trying to get to heaven’ the poet is  trying to deal with the troubles and woes  of his wretched existence on earth – walking that lonesome valley, feeling bad – and only tries to reach heaven as an ultimate consolation, in ‘Highlands’ however, there is a much more positive notion. In ‘Highlands’ the poet is equally dissatisfied with his earthly existence but the prospect of his forthcoming life in the Highlands makes the song much more joyful and complacent.
‘Highlands’ may be regarded as Dylan’s final testimony. Dylan’s final testimony, not only of the album ‘Time out of Mind’ but of his entire works.  When ‘Time out of Mind’ was released in 1997, seven years had passed since his last release of original material in 1990 when the album ‘Under the Red Sky was released. At the time in 1997 there was a strong sense that ‘this was it’ – it might be Dylan’s last album. ‘Highlands’ itself contributes to this feeling when Dylan states: ‘The party is over and there’s less and less to say’, apparently not taking it for granted that at least 3 albums would follow.
Although there is an outtake of the song which is even much longer than the final version which ended up on the album, the song is the longest Dylan ever recorded (16:31). The song’s title is borrowed from the poem ‘My Heart’s in the Highlands’ by the Scottish poet Robert Burns.
The song is based on a simple blues riff. The riff is played the whole way through the song, creating a sort of hypnotic effect. It has no traditional chorus or a bridge. The song has 20 verses, five of which – including the first and the final verse – start with: ‘Well my heart’s in the Highlands’.
As said the Highlands is a metaphor for Heaven. Each of the five verses verse starting with ‘My heart’s in the Highlands’ first draws  a picture of what sort of a serene beauty you may find in the Highlands and ends with the personal attitude of the poet towards the Highlands (Heaven) . As the songs progresses the poet gets closer and closer to the Highlands (Heaven) both physically and mentally. Below we will delve deeper into this.
The other 15 verses shoved in between deal with a lonesome, ragged, cynical, pessimistic, sometimes even whimsical pilgrim on his way to the Promised Land. He is a worried man with a worried mind. He is a man of constant sorrow, who is sick and tired of this life on earth and is longing for the end to come. His sense of humanity has really gone down the drain.  Within these 15 verses there is a sort of intermezzo of seven verses. In these seven verses the poet finds himself in some Boston restaurant. These verses constitute a separate category within the song. We will talk about this later.


2. ‘The Highlands’ in more detail.
Let’s first discuss the Highland verses in more detail. The Scottish Highlands are famous for their beautiful, unspoiled, natural scenery. The Highlands offer a pristine flora and fauna, beautiful hills and mountains, canyons which are formed through a mixture of waterfalls.  There is an abundance of wildlife: Otters, eagles, rabbits, swans deer etc. You are treated to breathtaking views of ancient pine forests, lochs, rivers and moorlands. This is reflected in the song: ‘Honeysuckle blooming in the wildwood air, bluebells blazing where the Aberdeen waters flow. The wind, it whispers to the buckeyed trees in rhyme, by the beautiful lake of the Black Swan. Big white clouds like chariots swing down low’.
In the Highlands the natural scenery is untouched by the hand of man. Way up in the border country, far from the industrial towns and cities, there is no pollution and smog caused by heavy industries. The twang of the arrow and the snap of the bow are reminiscent of ancient times, when there were no shotguns, and life was much less complicated and spontaneous.
In the mind of the poet, it is not far from the crystal clear fountains and rivers in the Highlands to the heavenly river as pointed out in Revelation 22:1,2: ‘Then He showed me the river of the water of life, bright as crystal, flowing from the throne of God and the Lamb, through the middle of the street of the city; also, on either side of the river, the tree of life with its twelve kinds of fruits, yielding its fruit each month; and the leaves of the tree were for the healing of the nations’. The reason why the poet uses the notion of the Highlands as a metaphor for Heaven is that in Heaven, he is sure to find the same peace, serenity and purity, you may find in the Highlands.
Next time we will take a closer look at a number of verses portraying the poet’s estrangement and alienation on his way to the Highlands.  Please leave your response to this article by pushing the button ‘reacties’ below and write your response.

 

Van die dag en dat uur weet niemand, ook de Zoon niet....

Van die dag en dat uur weet niemand, ook de Zoon niet…….

Dylan: ‘He unleashes his power at an unknown hour that no one knows’.

In mijn vorige weblog verteld ik iets over de Amerikaanse dominee Harold Camping (89) die voorspelde dat de dag van het laatste oordeel zou aanbreken op 21 mei jl. De krant de Oakland Tribune heeft afgelopen donderdag gemeld dat Harold Camping een beroerte heeft gehad en inmiddels in het ziekenhuis is opgenomen. De radiozender van Camping besteedde de afgelopen 7 jaar meer dan 70 miljoen Euro om de aankondiging van de dags des oordeels op 21 mei jl. te verspreiden. Hoewel hij ‘Mea culpa’ heeft beleden is hij desondanks met een nieuwe datum gekomen, nl. 21 oktober a.s.

In onze vorige weblog stelden we dat niemand de dag en het uur van de wederkomst van Jezus weet, ook de Zoon van God zelf niet, alleen de Vader. Waar het ons nu om gaat is dat de tekst waar we de vorige keer naar verwezen nogal wat vragen oproept. Daar willen we nu wat nader op ingaan. Het gaat om deze tekst die we vinden in o.a. Marcus 13:32: ‘Niemand weet wanneer die dag of dat moment zal aanbreken, de engelen in de hemel niet en de Zoon niet, alleen de Vader’.

Voor stromingen die de Godheid van Christus ontkennen (o.a. de Jehova getuigen) is dit geen moeilijke tekst. Men zegt: ‘Zie je wel, Christus is geen God. Want God is alwetend. Hij weet niet alleen alles uit het verleden en heden maar ook alles wat er in de toekomst zal gaan gebeuren. De Zoon weet niet van de dag en het uur van de wederkomst, dus staat Hij niet op dezelfde goddelijke hoogte als God de Vader’.

Toch geloven we dat deze vlieger van de Jehova getuigen e.a. niet opgaat. Laat het volgende voorbeeld dat duidelijk maken. Stel je hebt twee directeuren die samen een onderneming runnen. Ze hebben in de onderneming beiden even veel kapitaal ingebracht en hebben evenveel zeggenschap. Ze zijn voor de volle 100% elkaars gelijken. Ze spreken af dat de ene directeur zich zal bezig houden met de financiën en de administratie en de andere directeur met de verkoop en PR activiteiten. Ze hebben ook het volgende afgesproken: De directeur die verantwoordelijk is voor de PR activiteiten is geheel vrij om een reclame campagne te starten op een dag en een tijdstip dat hij zelf uitkiest. Om het verassingseffect veilig te stellen spreken ze af dat alleen de ene directeur het tijdstip kent waarop de campagne begint. De andere directeur weet daar niets van. Is die andere directeur daardoor nu de mindere geworden omdat hij dat tijdstip niet kent? Welnee, ze blijven volkomen elkaars gelijken. Ze handelen alleen volgens afspraak.

Zo hebben de Vader en de Zoon en de Heilige Geest ook afspraken gemaakt. Je zou haast zeggen een soort van taak verdeling. Bijv. Afspraken hoe de mens uit de zonde verlost zou gaan worden. Volgens het dogma van de ‘Vrederaad’ (Pactum salutis) hebben Vader Zoon en Geest deze afspraken al gemaakt vóór de grondlegging van de wereld. (Zie o.a. Matteüs 13:35; 25:34, Efeziërs 1:4,5 ). We gaan daar in detail nu niet verder op in.

Eén van die afspraken was dat de Eeuwige Zoon van God mens zou worden. Dit terwijl Hijzelf God is. Hij heeft zich ‘ontledigd’ (zie Filippenzen 2:7 e.v.). Dat betekent: Hij hield niet vast aan Zijn gelijkheid aan God, maar Hij deed er geheel vrijwillig afstand van. Hij nam de gestalte van een slaaf aan en werd gelijk aan een mens. Als mens heeft Hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood van het kruis. Je zou dit kunnen aanduiden met een woord dat vandaag een beetje uit de mode is: het ’ambt’ van Christus. Een ambt is altijd een officiële aanstelling voor een bepaalde taak.

Binnen het kader van die taak – dat ambt – is Christus, als gezondene van de Vader, geheel afhankelijk van de Vader boven. De evangeliën zijn vol van een biddende en gehoorzame Zoon, die in alles opziet naar Vader boven en Zich geheel aan Vader onderwerpt. De Jehova getuigen e.a. gebruiken de vele teksten, die daarvan getuigen, om af te dingen op de Godheid van Christus. Maar men realiseert zich niet dat die gehoorzaamheid en onderwerping van Christus, binnen de kaders valt van de gemaakte afspraken. Ook het feit dat de Zoon niet weet van het tijdstip van Zijn eigen wederkomst valt binnen deze kaders. Maar dit hoeft niets af te doen van Zijn goddelijke natuur.
E.P. Gould heeft geen ongelijk wanneer hij stelt dat het spreken van Jezus op dit punt afhankelijk is van Gods inspiratie en geen eigen bron heeft in Zijn Goddelijke natuur.

We gaan nog even terug naar het voorbeeld van de twee directeuren. De directeuren hebben een afspraak gemaakt dat ze niet alles van elkaar hoeven te weten. Maar de directeuren blijven wel elkaars gelijken. In ons voorbeeld is het echter zo dat het gaat om twee directeuren met gescheiden bevoegdheden. Het ‘probleem’ bij de Zoon van God is echter dat Zijn Goddelijke en Zijn menselijke natuur geen twee personen zijn. Integendeel. Zijn Goddelijke natuur en Zijn menselijke natuur vormen samen de ene persoon van de Zoon van God. Dat maakt het erg lastig om de precieze verhouding tussen zijn Goddelijke en menselijke natuur in kaart te brengen. Daar zijn al veel pogingen toe ondernomen. Maar niemand is daar ooit in geslaagd en daar zal ook niemand in slagen. Het is en blijft een groot mysterie.

Hetzelfde kan gezegd worden van de Drie-eenheid. Het woord Drie-eenheid komt in de Bijbel niet voor. Het concept van de Drie-eenheid van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest is een conclusie die de gelovige Bijbellezer trekt als hij alle gegevens over de Vader en de Zoon en de Heilige Geest naast elkaar legt. Maar het is en blijft een groot mysterie. Binnen dat kader is het gemakkelijker om te formuleren hoe de Drie-eenheid niet in elkaar steekt dan om aan te geven hoe het wel in elkaar steekt.

Zo is het ook als het gaat over de verhouding tussen de Goddelijke en menselijke natuur in de ene persoon van Christus. Ook hier heeft de kerk alleen op formule kunnen brengen hoe de verhouding tussen de beide naturen van Christus niet is. Niet hoe het wel is. We denken daarbij aan het Concilie van Chalcedon (451). Dit Concilie beleed ten aanzien van de twee naturen in de ene Persoon van Christus dat deze ‘Onvermengd, Onveranderd, Ongedeeld, en Ongescheiden’ zijn.

‘Onvermengd’ betekent dat Christus geen nieuwe Persoon is geworden waarbij een soort van mix is ontstaan tussen zijn Goddelijke en menselijke natuur.

‘Onveranderd’ betekent dat de menselijke natuur geen verandering heeft ondergaan om zich aan te passen aan de goddelijke natuur. Hetzelfde kan gezegd worden van de Goddelijke natuur. Die heeft geen verandering ondergaan om zich te kunnen aanpassen aan de menselijke natuur.

‘Ongedeeld’ betekent dat de Persoon van de Zoon niet voor een deel Goddelijk is en voor een gedeelte menselijk.

‘Ongescheiden’ betekent dat er in de Persoon van God geen twee van elkaar gescheiden compartimenten zijn die los van elkaar functioneren.

Welke conclusie kunnen we nu uit Marcus 13:32 trekken? Deze: Het feit dat Jezus niet van de dag en het tijdstip van Zijn eigen wederkomst kent past bij zijn ambt van Middelaar. In dit ambt van Middelaar is Hij gehoorzaam aan en onderwerpt Hij zich aan de instructies van Zijn Vader. Dit gegeven verhindert Hem om voor de kennis van de dag van Zijn Wederkomst te kunnen putten uit Zijn Goddelijke natuur. En waarom is dit? De enige reden die we hiervoor kunnen geven is dat de Vader en de Zoon en de Heilige Geest het zó vrijwillig hebben afgesproken, als iets dat past bij het ambt van Christus.

 

 

 

De dag van het Oordeel

De dag van het oordeel

De bekende Amerikaanse predikant en radio presentator Harold Camping voorspelde dat 'Judgment Day’ –de dag van het laatste oordeel - zou plaatsvinden op 21 mei 2011. Het is niet de eerste keer dat Camping er naast zat. Eerder had hij al ten onrechte voorspeld dat de Dag van het Oordeel in 1994 zou aanbreken. Je zou verwachten dat hij na het zoveelste debacle zijn excuus zou aanbieden om vervolgens met zijn volgelingen in de zee van de vergetelheid te verdwijnen. Maar niets is minder waar. De weg terug is kennelijk te pijnlijk. Dus moest er een verklaring komen, en die kwam er ook.

Hij gaf toe dat hij een rekenfout had gemaakt. Maar geen nood…. De Dag des oordeels zal nu gaan plaats vinden op 21 oktober 2011. Hij schrijft het toe aan Gods geduld met de mensen dat de Apocalyps nu vijf maanden later begint. In de VS zijn al duizenden reclameborden met de gewijzigde datum neergezet. Camping voorspelt nog steeds dat 200 miljoen mensen gered zullen worden en waarschuwt de achterblijvers dat ze zullen sterven door aardbevingen, plagen en andere rampspoed, totdat de hele aarde op 21 oktober 2011 door een vuurbal verteerd zal worden.

Wat moeten we hier nu mee aan? In Europa hebben wij er lang niet zo veel van gemerkt als in de VS. In de VS heeft het nogal wat impact gehad. Er is daar een heel media circus op gang gekomen.  Het heeft voor de volgelingen van dergelijke goeroes nogal wat gevolgen. Er zijn een hoop persoonlijke drama’s aan verbonden. Hele groepen mensen hebben alles op de kaart van 21 mei gezet; hun baan opgezegd die ze niet zo maar weer terug krijgen, en zich terug getrokken uit het sociale leven enz.

Verbijsterd vraag je jezelf af of een Harold Camping en zo velen anderen vóór hem de Bijbel niet gelezen hebben.  Er staat toch heel nadrukkelijk in Matteüs 24:36 over de jongste dag dat ‘Niemand weet wanneer die dag en dat moment zullen aanbreken, ook de hemelse engelen en de Zoon niet, alleen de Vader weet het’. Wie haalt het in vredesnaam in zijn hoofd om te beweren wijzer en beter geïnformeerd te zijn dan de Zoon van God zelf?

Moeten we nu maar – zoals zovelen- zeggen over Harold Camping en zijn volgelingen: het zijn een stelletje malloten waar we verder maar niet te veel woorden aan vuil moeten maken? Ik denk dat dat veel te kort door de bocht zou zijn. Hoe komt het toch dat er in de hele nieuw testamentische periode zo veel mensen zijn opgestaan en nog steeds opstaan, die zich toch gewaagd hebben aan een exacte voorspelling van de dag van de Wederkomst van Gods Zoon?

Ik denk dat er geen andere verklaring voor is dan dat satan hier achter zit. Daar heeft de apostel Petrus ons al voor gewaarschuwd. De satan gaat tekeer als een briesende leeuw. We lezen in 2 Petrus 3:3 en 4: ‘Vergeet niet dat er aan het einde van de tijd spotters zullen komen, die hun eigen begeerte volgen en smalend vragen: ‘Waar blijft hij nu? Hij had toch beloofd te komen?

Voor de spotters in onze dagen zijn de profetieën van Harold Camping koren op de molen van het ongeloof. De gehele christenheid wordt zodoende in één klap worden weg gezet als een stelletje wereldvreemde achterlijken die een boodschap verkondigen die keer op keer door de feiten wordt achterhaald.

Nu is het hoon gelach van de spotters wel heel vervelend maar in het licht van het evangelie niet iets om vreemd van op te kijken.  Het punt is dat als de spotters naar Camping c.s. kijken ze een ‘punt’  lijken te hebben. Wat veel erger is, is het feit dat de spotters met het badwater ook het hele kind weg gooien.

Want de draak steken met Harold Camping’s profetieën over de dag van de wederkomst is één, maar tegelijkertijd daarmee óók het apostolisch getuigenis over de Opstanding van Christus én van Zijn wederkomst van zijn kracht beroven, is een andere zaak. Want door die herhaalde valse profetieën wordt de voortgang van dat apostolisch getuigenis gehinderd, geblokkeerd en geridiculiseerd.

Dit is nl. wel betrouwbare informatie: a. Dat Christus werkelijk uit de doden is opgestaan en nu op Zijn troon zit in de hemel en b. dat Hij zal wederkomen op de wolken om te oordelen de levenden en de doden. Dat Hij zal wederkomen staat vast. Maar wanneer, dat weet alleen de Vader.

Als het over de wederkomst gaat dan lijkt er haast sprake van een hemels dilemma, waarbij het lijkt of gekozen moet worden tussen spoed en geduld. We lezen in 2 Petrus 3:9 dat de Heer niet traag is met het nakomen van Zijn belofte over de wederkomst. Hij heeft alleen maar geduld omdat hij wil dat iedereen tot inkeer komt en niemand verloren gaat. Geduldig zijn betekent dat je soms lang moet wachten. Door het lange wachten haken velen af. De Heer roept ons daarom op om waakzaam te blijven zodat we niet onaangenaam verrast worden, ook als de grote dag nog op zich laat wachten. Tegelijkertijd zegt Hij: ‘Ik kom spoedig’ (Openbaring 22:20). Maar als Hij te snel komt dan zijn sommigen er nog niet klaar voor. Gelukkig lost de Heer dit dilemma zelf op: ‘voor de Heer is één dag als duizend jaar en duizend jaar als één dag’ (2 Petrus 3:8). Zo valt alles op zijn plaats.

Voor ons geldt dat we altijd moeten klaar staan want zegt Matteüs 24:44: ‘de Mensenzoon komt op een tijdstip waarop je het niet verwacht’. Of zoals Bob Dylan zegt: ‘You always got to be prepared, but you never know for what’.

 

Het boek 'De Uitnodiging'' van W .Paul Young -een recensie - Deel 7 -Slot

Het boek ‘De Uitnodiging’ van W. Paul Young – een recensie- deel 7- slot.

Met dit laatste artikel sluiten we de bespreking van het boek ‘De Uitnodiging’ van W. Paul Young af.

In dit boek zijn we al meerdere keren zaken tegen gekomen die op het eerste gezicht best aantrekkelijk en waar lijken. Maar als je goed kijkt naar wat de Bijbel erover zegt, dan blijkt het helemaal niet te kloppen. Dan blijkt het niet te gaan om pietluttigheden of om muggenzifterij maar om zaken van essentieel belang, van leven en dood. Over wat je echt de kern van het evangelie kunt noemen en wat om die reden onopgeefbaar is. Een voorbeeld daarvan vinden we op pagina 187 waar Sophia over Papa (de Vader) zegt:

Hij koos de weg van het kruis, waar genade triomfeert over gerechtigheid vanwege de liefde. Had je liever gezien dat Hij gerechtigheid had gekozen voor iedereen?’.

In deel 2 van deze recensie hebben we al besproken dat het onjuist om te stellen dat (ook) de Vader aan het kruis geleden heeft. Daar gaan we hier dan ook niet verder op in. Wel moeten we hier nog opmerken dat als de Vader zelf aan het kruis geleden zou hebben, dit heel veel gevolgen heeft voor de Bijbelse verzoeningsleer. God de Vader kan zichzelf toch niet kruisigen voor de zonden die tegen Hem zelf zijn begaan! Dat zou nooit gerechtigheid kunnen brengen. Maar het is zoals Romeinen 8:3,4 zegt: ‘Heeft Hij (God) vanwege de zonde zijn eigen Zoon als mens in dit zondige bestaan gestuurd; zo heeft hij in dit bestaan met de zonde afgerekend’.

Laten we eerst iets zeggen over het woord ‘gerechtigheid’ dat we in de Bijbel bij Paulus zo vaak tegenkomen. Laten we daarbij niet vergeten dat de Bijbel een wet boek is. Het gaat om God’s recht! Het woord ‘ge-recht –igheid’ heeft in de Bijbel verschillende betekenis nuances. In ons spraak gebruik betekent het woord gerechtigheid o.a.: Het is terecht, het klopt, het is verdiend, eindelijk gerechtigheid.   Als je het hebt over God’s gerechtigheid (o.a. Romeinen 1:17) kan je allereerst denken aan Zijn Koninkrijk, aan Zijn bestuur van de hele kosmos. Daarin straalt Zijn liefde, glans en heerlijkheid, Zijn heiligheid, Zijn volstrekte reinheid en zuiverheid, Zijn verhevenheid macht en majesteit. Waarin alle dingen ‘recht’ staan, in volstrekte Goddelijke harmonie. In deze ‘rechte’ staat en in deze volstrekte harmonie leefde ook het eerste mensenpaar in het paradijs

Maar de mens keerde zich tegen God, viel in zonde en sleepte de hele mensheid daarin mee. Door die zondeval pleegde de mensheid een inbreuk op de gerechtigheid van God. Elke zonde is een inbreuk op het recht van God en wordt daarmee on-ge-recht-ig-heid. Door onze zonde slaan wij het recht – de gerechtigheid – van God aan stukken. Daarom staan wij schuldig tegenover God en zijn we uit Zijn nabijheid verdreven (Romeinen 3:23). Volgens Zijn goddelijk recht zouden wij de eeuwige dood moeten sterven. Maar wat deed Hij? Hij handhaafde zijn gerechtigheid. Hij deed de straf neerkomen op Zijn Zoon. Zo kon (Romeinen 3:21) Zijn gerechtigheid weer zichtbaar worden: ‘God schenkt vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven’. Maar hij handhaaft wel Zijn recht. Zo kon God met ons verzoend worden. Of zoals 2 Korintiërs 5:21 zegt: ‘Hem (Christus) die geen zonde gekend heeft, heeft Hij tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem’. (Vertaling NBG) Door het verzoenend lijden en sterven van Christus gaan wij weer delen in de oorspronkelijke gerechtigheid van Zijn Koninkrijk en worden wij als ‘recht’-vaardigen aangenomen.. In Christus ziet God ons aan alsof we nooit enige zonde gedaan hadden en alsof we zelf alle gerechtigheid volbracht hadden.

Wat een wonderlijke en heerlijke ruil!. In de hemelse rechtszaal worden we zo maar vrijgesproken omdat er een borg tussenbeide treedt die zegt: ‘Ik neem de schuld op me en betaal en jij kunt vrijuit gaan!’

Het is dan ook niet waar wat de schrijver stelt dat op Golgotha ‘ genade over gerechtigheid triomfeert’. Dat klinkt mooi maar dat is het helemaal niet. Genade over gerechtigheid laten triomferen zou betekenen: het onrecht, de schuld, de zonde niet rechtzetten door een daad van gerechtigheid, maar de zonde door de vingers zien. In onze tijd worden steeds zwaardere straffen voor de misdaad geëist. We zouden het ons rechtssysteem heel kwalijk nemen als de rechters zó met de misdaad zouden omgaan; als de rechters de misdaad door de vingers zouden zien en genade over gerechtigheid zouden laten triomferen. Maar het is juist zo dat op Golgotha het recht gehandhaafd werd. De zondelast werd daar op Hem, Jezus Christus, geworpen. En omdat het recht gehandhaafd werd kon de weg vrij gemaakt worden voor genade.  De retorische vraag van Sarayu aan Mack: ‘Had je liever gezien dat Hij gerechtigheid had gekozen voor iedereen?’ moeten we dan ook beantwoorden met: Ja dat heeft God gedaan. Hij heeft voor gerechtigheid gekozen door Christus in onze plaats gerechtigheid te laten verwerven, en die gerechtigheid is beschikbaar voor iedereen die het gelooft. Het staat er zo mooi in Romeinen 3:24: ‘en iedereen wordt uit genade, die niets kost, door God als rechtvaardige aangenomen, omdat Hij ons door Christus Jezus verlost heeft’.

Conclusie

We gaan tot een afronding van de recensie komen. Ik ben in dit boek veel te veel dingen tegen gekomen die in het licht van de Bijbel niet te handhaven zijn. Sterker nog: dialogen die niet naar de Bijbel, naar Jezus wijzen, maar die je er vanaf voeren. In de bespreking ervan ben ik nog lang niet uitputtend geweest. Je zou je haast kunnen afvragen: is er dan niets goeds in dit boek? Gelukkig staan er in dit boek ook  goede dingen. Vooral als het gaat over het hebben van een relatie met God. Ik zal daar een voorbeeld van geven. Op pagina 237 zegt Papa tegen Mack: ‘Snap je, Mackenzie, ik wil niet alleen maar een stukje van jou, of een stukje van je leven. Zelfs al zou je in staat zijn, wat dus niet mogelijk is, om mij het grootste stuk te geven, is dat niet wat ik wil. Ik wil je helemaal en elk deel van jou en je dagelijks leven’. Jezus zegt hierop: ‘Mack ik wil niet de eerste zijn op een lijstje van waardevolle zaken; ik wil het middelpunt zijn van alles’.  Dit is echt Bijbels gedacht. Geen gespletenheid, geen halfheid, geen lauwheid en laksheid maar heel je leven wijden aan Jezus.

Als we nu naar het totaal beeld van dit boek kijken moeten we constateren dat het boek je vooral een goed gevoel wil geven. Je zou je bijna afvragen: is dat dan niet goed? Toch moeten we zeggen dat dit helemaal niet goed is. Het ergste is dat er een verkeerd beeld van God wordt neer gezet. Naar mijn mening hebben we dit vanuit de Bijbel voldoende aangetoond.

Een verkeerd Godsbeeld leidt haast automatisch tot een verkeerd mensbeeld. De ernst van de breuk, die de mens door zijn val in zonde sloeg in de relatie met God, wordt niet in zijn Bijbelse diepte gepeild. De diepe verlorenheid die de zonde teweeg brengt, wordt slechts aangeduid als een streven naar ‘onafhankelijkheid’ van de mens. God wordt getekend als een lieve God die de zonde door de vingers ziet en genade voor recht laat gelden. Terwijl het juist zo is dat Hij Zijn recht handhaaft en daardoor buitengewoon overvloedig in genade is. De God die we in dit boek voorgeschoteld krijgen, is niet de God van de Bijbel maar een door de schrijver zelf geconstrueerd beeld van God. De gelovige van dit boek, Mack, is niet de gelovige zoals de Bijbel ons die schetst. De gelovige van de Bijbel neemt zijn kruis op zich en volgt Jezus. Hij leeft vanuit de overwinning die Christus voor hem behaald heeft, toen Hij voor ons leed en stierf en opstond. Door die opstandingskracht wordt het leven van de gelovige zoals de Bijbel die ons tekent, van dag tot dag vernieuwd. Die vernieuwing houdt in dat de gelovige door de Heilige Geest kracht ontvangt om tegen de zonde dapper te strijden. Totdat uiteindelijk de volkomen overwinning behaald is. Die volkomen overwinning is de erfenis die voor ons is weg gelegd in de hemel. (I Petrus 1:4,5).

Kunnen we dit boek aanbevelen? Ons antwoord is Ja en Nee. We kunnen het niet aanbevelen als je de Bijbel dicht laat en alles voor zoete koek slikt wat de auteur in dit boek ter sprake brengt. Dan kom je op een dwaalspoor terecht, op een weg die je van het evangelie afvoert. We kunnen dit boek wel aanbevelen als je dezelfde houding aanneemt zoals eens de gelovigen in Berea:’ Ze bestudeerden dagelijks de Schriften om te zien of het inderdaad waar was wat er werd gezegd’.(Handelingen 17:11)

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het boek 'De Uitnodiging'' van W .Paul Young -een recensie - Deel 6

Het boek ‘De Uitnodiging’ van W. Paul Young – een recensie- deel 6.

We gaan door met de bespreking van dit spraakmakende boek ‘De Uitnodiging’ van W. Paul Young

Is God alleen maar een ‘werk’-woord?

Op pagina 233 en 234 zegt de Geest ( Sarayu) iets wat op het eerste gezicht nogal raadselachtig lijkt: Ik verkies altijd een werkwoord boven een zelfstandig naamwoord. Ik ben een werkwoord!. Ik ben die ik ben. Ik zal zijn die ik zijn zal. Ik ben levend dynamisch, altijd actief, in beweging. En omdat mijn wezen een werkwoord is, ben ik meer in overeenstemming met werkwoorden dan met zelfstandige naamwoorden. Werkwoorden zoals belijden, bekeren, leven, liefhebben, reageren, groeien, oogsten, veranderen, zaaien, rennen, dansen, zingen, enzovoort. Mensen hebben echter de neiging om een werkwoord dat vol leven en genade is te nemen, en het te veranderen in een dood zelfstandig naamwoord, of een principe dat riekt naar regels - –iets wat leeft en groeit en sterft. Zelfstandige naamwoorden bestaan omdat er een geschapen heelal is en een tastbare werkelijkheid, maar als het heelal helemaal bestaat uit zelfstandige naamwoorden is ze dood. Zonder ”Ik ben” zijn er geen werkwoorden. En het zijn werkwoorden die het heelal tot leven brengen’. Om ervoor te zorgen dat iets van dood overgaat naar leven moet je iets levends en bewegends inbrengen. En om over te gaan van iets dat alleen maar een zelfstandig naamwoord is naar iets dynamisch en onvoorspelbaar is, naar iets dat levend en in het heden is, is te vergelijken met het overgaan van de wet naar de genade’

Sarayu geeft vervolgens als voorbeeld de zelfstandige naamwoorden ‘verantwoordelijkheid en verwachting’ en zegt dan: ‘Voordat jullie woorden zelfstandige naamwoorden werden, waren ze eerst mijn woorden, werkwoorden vol beweging en ervaring. Zij boden de mogelijkheid om te reageren en vooruit te zien. Mijn woorden zijn vol leven en mogelijkheden, die van jullie zijn dood, vol van wet, angst en oordeel. Daarom zul je het woord verantwoordelijkheid niet in de Bijbel vinden’.

Het is duidelijk dat de auteur hier verwijst naar Exodus 3:14 en 15 waar Jahweh (JHWH) zich aan Mozes openbaart. God openbaart zich  in deze teksten met de volgende naam: ‘IK BEN DIE IK BEN’ (NGB),’ IK  ZAL ZIJN DIE IK ZIJN ZAL’ (SV), ‘IK BEN DIE ER ZIJN ZAL’. (NBV). Nu heeft de auteur ten dele gelijk dat het in de gebruikte werkwoordsvorm voor de naam gaat om een werkzaam zijn, een worden en werken, een zich gedragen en verhouden. Je mag daaruit concluderen dat het in de naam Jahweh gaat om het levend, actief werkzaam zijn van God in de relatie tot Zijn volk en de volkeren.  Maar toch is dat slechts één kant van de medaille. De vertaling: ‘IK BEN DIE IK BEN’ zegt het al. Het gaat in deze naam evenzeer om een ‘zijn’. En dan een ‘zijn’ in de zin van onveranderlijkheid, rotsvaste betrouwbaarheid. En dan moet je juist niet aan een werkwoord denken. God is niet de ene dag zus en de andere dag zo. God is onveranderlijk als het gaat over Zijn Wezen, Zijn eigenschappen en Zijn wil. Hebreeën 13: 8 zegt het zo: ‘Jezus Christus blijft dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid’.

Wat me overigens opvalt in het rijtje werkwoorden dat de schrijver noemt: ‘belijden, bekeren, liefhebben’ etc., , is  dat het werkwoord ‘toornen’ ontbreekt.  Ook de toorn van God is een onlosmakelijk onderdeel van Zijn liefde. Of het werkwoord ‘haten’. Het ‘haten’ van de zonde hoort ook bij de Liefde van God. Maar dit terzijde.

De vraag is nu: waarom heeft de auteur zo’n voorkeur voor werkwoorden? Ik denk dat dit is omdat hij zelfstandige naamwoorden koppelt aan regels en wetten. Dat de schrijver een afkeer van regels en wetten heeft, hebben we al in eerdere weblogs al geconstateerd en besproken. Inhoudelijk gaan we daar nu niet verder op in. Hoe dan ook, regels en wetten staan volgens hem immers vast, zijn statisch, en vragen van de mens gehoorzaamheid. Sterker nog, wetten en regels onderdrukken per definitie de mens en staan een echte relatie met God in de weg.

‘Werkwoorden’ echter, zijn volgens de schrijver dynamisch en altijd in beweging. Dat geeft de mens maximale bewegingsruimte om in te spelen op veranderende omstandigheden. Bij een echte relatie zou dynamiek behoren, beweging; kortom, leven in de brouwerij. Dat het geheel daardoor ‘onvoorspelbaar’ wordt, moeten we volgens de schrijver op de koop toe nemen en hoort nu eenmaal bij een bruisende relatie. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat hier meer achter zit. Je kunt met deze redenering elke wet van God buiten werking stellen en in feite zelf gaan uitmaken wat goed en kwaad is. Als er bijv. In het zevende gebod staat: ‘Je zult niet echtbreken’ dan kan je zeggen: dat was toen en toen… maar nu zijn de opvattingen hierover gewijzigd, dus kan ik vandaag niets meer met dit gebod. In feite lap je je daarmee het gebod van God aan je laars.

Waarom zouden afspraken, wetten, regels in een goede relatie niet goed kunnen functioneren? Als je elkaar in een relatie innig lief hebt, dan wil je niets liever dan het die ander naar de zin maken. Dan is een wet, een gebod, geen last meer maar dan wordt het een lust. Je wilt niets liever meer dan naar de wil van God handelen en je doet er alles aan om die wil te weten te komen. De schrijver creëert dan ook doorlopend valse tegenstellingen die de Bijbel helemaal niet kent. Alsof een relatie alleen maar goed kan zijn als er binnen die relatie geen leefregels zijn, als er geen enkele vorm van hiërarchie is in de relatie tussen God en mens. Sterker nog alsof het hebben van een goede relatie om voortdurende onderwerping aan elkaar zou vragen; onderwerping van de ene ‘God’ aan de andere ’ God’ maar ook onderwerping van God aan de mens. Het onderscheid tussen Schepper en schepsel wordt door de schrijver geheel opgeheven. Dat kan nooit goed aflopen.

Sophia – de verpersoonlijking van de wijsheid.

Op pagina 174 verschijnt een vierde persoon. Het is een vrouw die op pagina 194 aan ons voorgesteld wordt met met de naam Sophia. Sophia wordt hier getekend als de’ verpersoonlijking van Papa’s wijsheid’ en een onderdeel van het mysterie dat Sarayu omgeeft’. Of zoals in het boek Spreuken staat, waar wijsheid wordt voorgesteld als een vrouw die op straat staat te roepen en kijkt of er iemand is die naar haar wil luisteren’. Als je dat woord ‘mysterie’ zo tot je door laat dringen en je hoort Sophia op pagina 177 ook nog zeggen: ‘Zo veel mensen geloven dat het de liefde is die groeit, maar het is het weten dat groeit en de liefde neemt slechts toe om dat weten te kunnen bevatten’, dan dringt zich hier de gedachte op dat je hier te maken hebt met gedachtengoed dat terug te vinden is in de aloude Gnostiek. De Gnostiek, dat was de grote tegenhanger van het christelijk geloof in de tweede en derde eeuw na Christus.

Het is bovendien niet verwonderlijk dat de schrijver deze persoon juist de naam ‘Sophia’ heeft gegeven. Sophia is in de gnostiek de persoon die tot het ware inzicht leidt. Bekend in de gnostiek is de mythe over Sophia. Sophia is in die mythe een hemelse macht. Tegen de wil van God de Vader had ze een kind ter wereld gebracht, dat echter een wanstaltig gedrocht bleek te zijn. Dat gedrocht werd de God van het Oude Testament, de God van Israël. Sophia kreeg echter spijt van haar daad. Christus nam haar daarna weer in genade op in de hemelse sfeer van God de Vader. Volgens de gnostici verkondigde Jezus de kennis – in het Grieks ‘gnosis’- van de  hoogste God. Veel mensen hebben volgens de gnostici onbewust een goddelijk lichtdeeltje uit de hoogste hemel in zich. Jezus is gekomen om de mens zich hiervan bewust te maken: ken jezelf en je leert de God – de Goddelijke vonk-  in jezelf  kennen.

De ‘kennis’, het ‘weten’ is het hoogste goed in de Gnostiek. Maar dan niet de kennis, het zeker weten, en het vast vertrouwen dat door het Evangelie in het hart van de mens gezaaid wordt en door het geloof tot wasdom komt. Nee, het gaat om de bewustwording van iets dat er altijd geweest is in de mens: de goddelijke vonk.  Die bewustwording van die kennis, daarin moet de mens in groeien. De Liefde is daarbij slechts een hulpmiddel. Dat zie je ook terug in bovenvermeld citaat. Maar de Bijbel spreekt toch heel andere taal. I Korintiërs 13:13 zegt: ‘Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde’. De schrijver maakt er echter in feite van: geloof, hoop en weten, maar de grootste daarvan is het weten.  Het citaat van pagina 177: ‘Zo veel mensen geloven dat het de liefde is die groeit, maar het is het weten dat groeit en de liefde neemt slechts toe om dat weten te kunnen bevatten’ is Bijbels gesproken gewoon onjuist. De Bijbel spreekt nergens over een groei in ‘het weten’ maar wel over een groei in Liefde, zoals staat in Efeziërs 4:15 ‘maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus’.

Als je het bovenstaande nog eens overdenkt dan wordt een citaat op pagina 190 wel heel veelzeggend. Mack vraagt daar of hij bij zijn vermoorde dochter Missy kan komen: ‘Kan ik bij haar komen? Alleen maar voor een knuffel, een kusje?. Antwoord: ‘Nee. Zij wilde het op deze manier. Ze is een erg wijs kind’. Een wijs kind.  Dat klinkt erg esoterisch, taal die alleen voor ingewijden toegankelijk is. Esoterie, kennis die alleen voor ingewijden toegankelijk is typerend voor de Gnostiek.

We zien niet alleen gnostische denkbeelden terugkomen maar ook citaten die sterk aan ‘New Age’ doen denken. Kijk maar eens naar het lied van Missy op pagina 266:

Kom wind en kus me en neem mijn adem, totdat jij en ik één zijn. En wij tussen de grafstenen zullen dansen, totdat alle doden verdwenen zijn’ Leg dit citaat eens naast een citaat op pagina 225 waar Mack aan Sarayu vraagt: ‘Heb jij ze (de menselijke emoties) allemaal geschapen, of alleen de goede of positieve? Antwoord van Sarayu: ‘Ze (de emoties) bestaan gewoon. Ze zijn niet per definitie goed of slecht. Ze bestaan simpelweg’. Anders gezegd: er is geen absoluut verschil tussen goed en kwaad. Daarmee wordt gesuggereerd dat alles voortkomt uit de zee van liefde die God heet en uiteindelijk ook weer in die zelfde zee van liefde  terugkeert. Volgende keer gaan we deze recensie echt afronden.

 

  

.

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het boek 'De Uitnodiging'' van W. Paul Young -een recensie - Deel 5

Het boek ‘De Uitnodiging’ van W. Paul Young – een recensie- deel 5.

We zetten de bespreking voort van dit uitdagende boek ‘De Uitnodiging’ van Paul W. Young. In Johannes 14: 6 zegt Jezus: ‘Ik ben de weg de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij”.  Alleen door geloof in Jezus Christus hebben wij toegang tot de Vader en worden wij als geliefde kinderen aangenomen. Andere toegangswegen zijn afgesloten. Dit is een exclusieve statement van de Heer.

De vraag is: denkt de schrijver hier ook zo over?. Ik zou haast zeggen van niet. Want als je de volgende passages leest dan is het antwoord op die vraag op zijn minst nogal in nevelen gehuld. Dat blijkt als we Jezus op pagina 207 tegen Mack horen zeggen: ‘Onthoud dat de mensen die mij kennen, mensen zijn om te leven en lief te hebben zonder een lijst van verplichtingen’. Mack tegen Jezus: ‘Is dat wat het inhoudt om christen te zijn? Jezus vervolgt: ‘Wie heeft het over christen-zijn. Ik ben geen christen’. Jezus vervolgt: Zij die mij liefhebben komen uit elke bestaand systeem. Sommigen zijn boeddhist geweest of mormoon, baptist of moslim, democraat of republikein en velen die niet stemmen of geen kerkdienst bijwonen op zondagochtend. Onder mijn volgelingen vind je moordenaars en mensen die zo overtuigd waren van hun eigen deugdzaamheid, dat ze aanvankelijk vonden dat ze mij niet nodig hadden. Sommigen van hen zijn bankier of bookmaker, Amerikaan of Irakees, Jood of Palestijn. Ik wil geen christenen van ze maken, maar ik wil ze wel helpen om zonen en dochters van mijn Papa te worden, mijn broers en zussen, mijn geliefden’. Mack: ‘Betekent dat, dat alle wegen naar jou leiden? Jezus: Niet alle, de meeste wegen leiden nergens naartoe. Wat het wel betekent is dat ik elke weg afga om ze te vinden. En zo vond ik jou ook!’.

I Petrus 4:16 zegt dat het kan gebeuren dat je moet lijden in deze wereld omdat je christen bent.  Waarom heeft de schrijver eigenlijk bezwaar tegen de naam ‘christen’? De Bijbel noemt de volgelingen van Christus toch christenen?(Handelingen 11:26 en I Petrus 4:16).Volgens de auteur wil Jezus van bijv. Boeddhisten, joden en moslims geen christenen maken. Maar wat dan wel? De Bijbel leert op veel plaatsen dat een mens alleen volgeling van Jezus kan worden door zich te bekeren.( Zie bijv. Handelingen 3:19 en 2 Petrus 3:9) Bekering betekent: je zonden belijden, breken met je zondige levenswandel en jezelf volledig toewijden aan de Heer. Daardoor wordt je van jood, boeddhist of moslim een christen. Die noodzaak voelt de schrijver kennelijk niet. Hij stelt weliswaar dat ‘niet alle wegen’ naar Jezus (God) leiden. Dat houdt op zijn minst de mogelijkheid open dat sommige andere wegen ook naar Jezus (God) kunnen leiden. De verwarring zit hier in het gebruik van de naam ‘Jezus’. Een weg die uit zichzelf immers naar Jezus leidt, leidt automatisch ook naar God. De auteur suggereert op zijn minst dat er meerdere wegen zijn om tot God te komen. De Bijbel leert echter duidelijk dat alleen Jezus zelf die weg is. Het goede nieuws is dat ook volgens de schrijver de meeste wegen ‘nergens naartoe’ leiden. Zelfs dat is niet eens Bijbels te noemen. Andere wegen leiden volgens de Bijbel niet naar het leven maar naar de dood.

Is het bovenstaande nu allemaal zo belangrijk? Dat is het m.i. wel. Als we in twijfel gaan trekken of Jezus wel de enige weg tot de Vader is, dan slaan we de bodem weg onder elke vorm van zending of evangelisatie, van elke vorm van missionair gemeente zijn. Waarom zou de mens zich nog tot de God van de Bijbel bekeren als ‘zijn weg’ (bijv. de weg van de islam of het boeddhisme) ook tot God kan leiden ?Met deze leer draai je de mensen een rad voor ogen. Uiteindelijk kom je dan uit bij de alverzoening. Dat betekent: het komt met alle mensen goed, alle mensen worden uiteindelijk behouden of ze nu in Christus geloven of niet. Dat wordt niet met zoveel woorden gezegd in dit boek. Maar toch tendeert het wel in die richting. Lees maar de dialoog tussen God de Vader (Papa) en Mack op pagina 220. Papa zegt tegen Mack: ‘Lieverd je hebt mij gevraagd wat Jezus aan het kruis heeft volbracht. Nou, luister goed: door zijn dood en opstanding ben ik nu volkomen verzoend met de wereld’. Mack: ‘De hele wereld? U bedoelt met degenen die in u geloven toch?”. Papa vervolgt: ‘Met de hele wereld, Mack. Wat ik je vertel is dat de verzoening twee kanten heeft en ik heb mijn aandeel geleverd, helemaal en afdoende. Het ligt niet in de aard van liefde om een relatie op te dringen aan iemand, maar liefde opent juist de weg naar de ander toe’.

Nu moeten we goed onderscheiden. Het offer van Christus, Zijn lijden en sterven, is voldoende voor de verzoening van de zonde van de hele wereld.  Maar dat staat in bovenvermeld citaat niet! In dat citaat staat dat God verzoend is met de hele wereld, ongeacht of de wereld nu in Christus gelooft of niet. De Bijbel spreekt echter anders. Johannes 3:36 zegt: ‘Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven, wie de Zoon niet wil gehoorzamen zal dat leven niet kennen; integendeel, Gods toorn blijft op hem rusten’. Dat maakt toch een groot verschil.

Maar dat is nog niet alles. II Korintiërs 5:20 roept de wereld op: ‘Laat u met God verzoenen’.  In dit boek krijgt de verzoening echter twee kanten: God heeft aan de ene kant Zijn aandeel geleverd en dat ‘helemaal en afdoende’. Nu zijn wij kennelijk aan de beurt om ons aandeel te leveren. Want God dringt zich niet aan ons op. Dat past immers niet bij de aard van de liefde om een relatie op te dringen. In wat de schrijver hier zegt zit een kern van waarheid. We hebben een eigen verantwoordelijkheid gekregen. Als wij tegen God kiezen dan zijn we daar zelf verantwoordelijk voor. God dringt zich nergens aan de mensen op. Jezus heeft dat ook nooit gedaan. Het is inderdaad alleen de liefde van God zelf die de weg naar God openbreekt. Maar….die vrijheid, dat ongedwongene, om tot God te komen is iets wat de Geest in ons werkt. Want zegt 2 Kor. 3:17 ‘waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid’. God werkt zowel het willen als het werken in ons (Filip. 2:13). Wij hebben geen vrije wil zoals hier gesuggereerd wordt, en al helemaal geen aandeel in de verzoening. Dat is voor 100% het werk van God. Dat is volgens Efeziërs 2:5-8 enkel en alleen genade. Het woord ‘genade’ is trouwens een woord wat ik zo pijnlijk mis in dit boek.

Ook op pagina 257 wordt gezinspeeld op de vrije wil van de mens, alsof de mens het in zijn eigen macht heeft om voor God te kiezen.  Alsof de mens zichzelf met zijn eigen haren uit het moeras kan optrekken.  Alsof de mens zichzelf op de borst kan kloppen: ik ben toch zo goed geweest om voor u te kiezen. Pappa zegt op pagina 257: ‘In Jezus heb ik alle mensen hun zonden tegen mij vergeven, maar slechts een aantal kiest voor een relatie met mij’. Voor nadere uitleg over dit onderwerp kunt u mijn weblog raadplegen: Heeft de mens nog steeds een vrije wil?l

Tenslotte nog dit. Op pagina 152 vraagt Mack aan Sarayu: ‘Is er echt een tuin geweest?. Ik bedoel de tuin van Eden en zo?. Sarayu: ‘Natuurlijk. Ik heb je toch verteld dat ik iets heb met tuinen’. Mack: ‘Daar zullen sommige mensen moeite mee hebben. Er zijn heel wat mensen die denken dat het alleen maar een mythe is’. Sarayu: ‘Nou hun vergissing is niet fataal. Er zit vaak heel wat goddelijks verscholen in wat door velen beschouwd wordt als mythen en verhalen’.

Het heeft er alle schijn van dat de Heilige Geest (Sarayu) hier vasthoudt aan de historiciteit van de Hof van Eden en van zijn bewoners Adam en Eva. Er wordt echter door Sarayu ook ruimte gelaten om te geloven de geschiedenis van Genesis 2 een mythe is. Een dergelijke vergissing wordt in ieder geval niet ‘fataal’ d.i. ‘dodelijk’ genoemd. Sarayu kan die ruimte dan wel geven, de Bijbel echter niet. Als de Hof van Eden niet echt heeft bestaan maar slechts een mythe is, dan hebben de bewoners van de Hof van Eden, Adam en Eva ook niet echt bestaan. Jezus Christus wordt in Romeinen 5:12-21 getekend als de tweede Adam. De eerste Adam viel in de hof van Eden in zonde en sleepte de gehele mensheid mee in zijn val. Romeinen 5 zegt dat de tweede Adam (Christus) gekomen is om door zijn offerande deze breuk van de eerste Adam te herstellen en heeft zodoende het eeuwige leven en de gerechtigheid voor God verworven. Die eerste en die tweede Adam zijn nauw met elkaar verbonden. Je kunt niet de eerste Adam als historisch persoon doorstrepen en tot mythe verklaren, zonder de gehele verzoeningsleer onderuit te halen. Want ten diepste is het zo: als de eerste Adam niet echt heeft bestaan, dan is er ook geen zondeval geweest. Dan is de verlossing door de tweede Adam ook niet nodig. Bovendien waarom zou je de dood en opstanding van Christus (de tweede Adam) dan ook niet tot een mythe kunnen verklaren waarin ‘ heel wat goddelijks is verscholen’?.

De volgende keer gaan we nog wat zaken langs zoals de vraag of God een ‘werkwoord’ is en willen we ook nog wat zeggen over Sophia, een vierde persoon, die in dit boek op het toneel verschijnt. Vervolgens maken we de balans op. Wordt vervolgd……….

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het boek 'De Uitnodiging'' van W .Paul Young -een recensie - Deel 4

Het boek ‘De Uitnodiging’ van W. Paul Young – een recensie- deel 4.

We gaan door met de bespreking van de bestseller ‘De Uitnodiging’ van Paul W. Young. In de vorige weblog zagen we dat de schrijver God laat zeggen dat Hij niet veel op heeft met het naleven van wetten, principes en leefregels.  

Het blijft echter niet bij een zekere aversie van de schrijver tegen het naleven van wetten en leefregels. Het zit veel dieper. Ook instituten zoals de kerk, het huwelijk en politieke en economische structuren worden nogal eenzijdig negatief ingekleurd. We geven een aantal citaten.

Mack zegt op pagina 202 tegen Jezus: ‘Jij hebt het over de gemeente als de vrouw waarop je verliefd bent. Ik geloof dat ik die nog niet heb ontmoet. Het is niet de gemeente waar ik ’s zondags naar toe ga.  Jezus antwoordt hierop: ‘Mack, dat komt doordat jullie alleen maar het instituut zien, een door mensen opgezet systeem. Dat ben ik niet komen bouwen. Ik zie mensen en hun leven, een levende gemeenschap van al degenen die mij liefhebben, en niet gebouwen en programma’s. Het draait allemaal om relaties en het delen van je leven in mij met anderen. Mack vraagt: ‘En hoe maak ik deel uit van die gemeente? Jezus: ‘Dat is eenvoudig Mack. Het draait allemaal om relaties en het delen van je leven in mij met anderen. Zoals wat wij op dit moment aan het doen zijn, hier en nu. Dat we open naar elkaar toe zijn en beschikbaar zijn voor de mensen om ons heen. Mijn gemeente gaat over mensen en het leven heeft betrekking op relaties. Jullie kunnen de gemeente niet bouwen. Dat is mijn werk en ik ben daar aardig goed in’’.

In deze citaten staan een aantal zaken  die zonder meer juist zijn. De kerk behoort inderdaad een levende gemeenschap te zijn, waarin onderlinge relaties heel belangrijk zijn en waarin het gaat om het delen van je leven in Christus én met anderen. Handelingen 2:42 geeft de z.g. ‘mission statement‘ van de christelijke gemeente: ‘Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed’. Maar de schrijver doet  het voorkomen alsof het vormen van een gemeenschap ( de z.g. koinoonia) het één en al is van het gemeente zijn. Zie hiervoor mijn weblog  'Eat, pray, love" - is that all?. Er komt wel meer bij kijken. En voor die andere elementen van het gemeente zijn: de verkondiging van het woord, de sacramenten en het publiek gebed, daar heb je een concrete  kerk voor nodig. Daarvoor heb je de kerk nodig ook als instituut met een echt adres. Daar gaat het N.T. steeds vanuit. Paulus spreekt de concrete gemeente aan in Korinthe, in Thessaloníki  enz.  Ook Jezus spreekt in Openbaring concrete kerken aan zoals in Efeze, Smyrna enz. Dat de kerk later vaak tot een machtsinstituut verworden is waarin mensen verdrukt worden is een kwalijke zaak. Hier heeft de schrijver zeker een punt. Maar dit doet niets af van het feit dat de kerk ook als instituut noodzakelijk is, en dwars tegen al het menselijk falen in, door Christus wordt gebouwd.

Met kerkdiensten heeft de auteur niets en al evenmin met Bijbel lezen. Dat blijkt als we verder lezen op pagina 202: ‘Voor Mack waren deze woorden als een frisse wind. Eenvoudig. Geen lading uitputtende teksten en een lange lijst met punten waaraan je allemaal moet voldoen. Geen eindeloze samenkomsten uitzitten, terwijl je al die tijd naar het achterhoofd van de persoon voor je moet kijken, iemand die je niet eens kent. Gewoon je leven delen met anderen’. Op pagina 226 zegt Mack: ‘Het lijkt erop dat leven vanuit een relatie – je weet wel, jou vertrouwen en met je praten – wat gecompliceerder is dan alleen maar regels volgen. Sarayu antwoordt hierop met: ’En wat voor regels mogen dat dan wel zijn? Mack: Goede dingen doen, wijken van het kwaad, aardig zijn voor armen, Bijbellezen, bidden en naar de kerk gaan. Zulke dingen’ Sarayu antwoordt: ‘De Bijbel zegt niet dat je regels moet volgen. Ze laat zien wie Jezus is Het is waar dat relaties een stuk chaotischer zijn dan regels maar regels zullen je nooit een antwoord kunnen geven op de diepere vragen van je hart en ze zullen nooit van je houden’.  Sarayu vervolgt op pagina 227: ‘Je moet gewoon niet naar regels en principes zoeken. Kijk uit naar je relatie met ons, naar een manier om met ons samen te zijn’.

Hier wordt eigenlijk het gehele christelijk leven opgeofferd aan ‘de relatie met God’. Hier staat op een wat verhullende wijze eigenlijk het volgende: niet te veel naar de kerk gaan (dat is alleen maar vreselijk saai) en niet te veel in de Bijbel bezig zijn. En het beoefenen van christelijke barmhartigheid en gerechtigheid – het omzien naar weduwe en wees (Jacobus 1:27) – laat maar zitten. Dit gaat nog veel verder dan de ‘Eat, pray, love’ gedachte die de laatste tijd ook hier in Nederland veel besproken is. Op dit punt is dit boek echt een slechte gids. Het wijst hier niet naar de Bijbel toe maar juist ervan af.

De ‘Eat, pray, love’ gedacht roept in ieder geval nog op tot het gebed. In dit boek wordt er niet gebeden, ook niet bij het eten. Dit tot verbazing van Mack als hij op pagina 238 vraagt: ‘Wordt er niet gebeden?’ Papa antwoordt: ‘We doen niet aan rituelen Mack’. Nu kan het gebed wel een nietszeggend ritueel worden. Maar is het ook een ritueel als Jezus bij het broodwonder in Marcus 6:41 omhoog keek naar de hemel en het zegengebed uitsprak en pas daarna de broden brak? Jezus gaat ons zelf hierin voor.

Mack zegt op pagina 204 tegen Jezus: ‘Jij moet niet zoveel hebben van religie en instituten, geloof ik’. Jezus: ‘Ik schep geen instituten, dat heb ik nooit gedaan en zal ik ook nooit doen’. Mack: ‘En het instituut van het huwelijk dan?’. Jezus: ‘Het huwelijk is in die zin geen instituut. Het is een relatie. Ik schep geen instituten; dat is iets van degenen die voor God willen spelen. Dus nee….Ik heb niet zoveel op met religie. En ik ben ook niet zo dol op politiek en economie’. Het is deze door mensen ingestelde drie-eenheid van verschrikkingen die de aarde verwoest en degenen om wie ik geef, misleidt. Deze instituten, deze structuren en ideologieën zijn allemaal een vergeefse poging een soort gevoel van veiligheid en zekerheid te geven. Systemen geven geen zekerheid, alleen ik kan die geven. Ik ben gekomen om je het leven te geven, het volle leven. Mijn leven. Mack vervolgt op pagina 205: ‘Gewoon genieten van een groeiende intieme vriendschap?’. Jezus: ‘Kijk jij snapt het!’.

Het is waar, elke instituut, elk systeem en elke ideologie kan door mensen misbruikt worden om daarmee eigen doeleinden na te streven, een schijn zekerheid te creëren en voor God te willen spelen. Het is ook waar dat dit in de praktijk ook vaak gebeurt. Maar daarmee mag je nog niet alles over één kam scheren, zoals de auteur schijnt te doen. Want als zo vaak in dit boek, de schrijver stelt niet iets maar hij suggereert voortdurend allerlei zaken. Hij zegt niet wat hij eigenlijk bedoelt: het huwelijk is geen instituut dat door God is ingesteld. Nee, hij zegt: Het huwelijk is in die zin geen instituut. Het huwelijk wil hij geheel laten opgaan in een relatie, trouwens de hele dienst aan God wil hij laten opgaan in een wederzijds gelijke relatie, zonder enige vorm van verplichting. De Bijbel is er echter duidelijk over. Het huwelijk is wel degelijk door God ingesteld. Al bij de schepping. Zie hiervoor Matteüs 19:3-6 en Genesis 2:23-24. Hebreeën 13:4a roept ons op om het huwelijk in ere te houden. Door mensen gecreëerde instituten zijn we geen eer verschuldigd, wel het door God zelf ingestelde instituut van het huwelijk.

De schrijver laat Jezus ook zeggen dat Jezus niet zo dol is op politiek en economie. Anders gezegd: hij heeft niets op met de overheid die immers het politieke en economische leven regeert. Maar ook hier negeert de auteur de Bijbel. De Bijbel zegt duidelijk dat de overheid door God is ingesteld. Romeinen 13: 1: ‘Er is geen gezag dat niet van God komt; ook het huidige gezag is door God ingesteld’. Romeinen 13:2 ‘ Wie zich tegen dit gezag verzet, verzet zich dus tegen een instelling van God’. Romeinen 13:4: ‘want ze (de overheid) staat in dienst van God en is er voor uw welzijn’.  I Timoteüs 2: 2 roept ons dan ook op voor alle koningen en gezagsdragers te bidden.

Het standpunt van de schrijver riekt een beetje naar doperse wereldmijding. Die wereldmijding houdt in dat de overheid, de economie, in de machtssfeer van de Boze ligt. Je moet er als mens nu eenmaal gebruik van maken. We kunnen nu eenmaal niet zonder overheid en als zodanig moet je die overheid ook respecteren. Maar tegelijktijdig wordt de christen opgeroepen om er afstand van te nemen en er zeker niet in te participeren. Het gevolg is veelal dat de christen zich terug trekt in de eigen kring van gelijk gestemden.

De Bijbel roept ons echter op om in alle levensverbanden een zoutend zout te zijn. Om midden in deze wereld te gaan staan, zonder van deze wereld te worden.  Zoutend zout zijn betekent: positief bijdragen aan het politieke en economische leven. Om overal door woord en daad te laten zien dat op alle terreinen van het leven Christus de baas is. Wordt vervolgd………

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het boek 'De Uitnodiging'' van W. Paul Young -een recensie - Deel 3

Het boek ‘De Uitnodiging’ van W. Paul Young – een recensie- deel 3.

In de vorige weblog zagen we dat de diepte van het lijden van Jezus aan het kruis door de auteur wordt ondergewaardeerd. Dat heeft gevolgen want het kan niet anders of de ernst, de kracht en de diepte van de zonde wordt óók onderschat. Wil de schrijver eigenlijk wel weten van een plaats vervangend lijden en sterven van Christus? Dat blijkt nergens in dit boek. Integendeel.

In dit verband moeten we nog even terug komen op een citaat dat we in deel 2 al bespraken. Op pagina 253 lezen we: ‘Zoals je weet was het niet mogelijk om vrijheid te scheppen zonder er een prijs voor te betalen. Papa keek omlaag naar zijn handen en polsen waar de littekens duidelijk zichtbaar waren”. Het lijden aan het kruis wordt hier voorgesteld als een prijs die betaald moest worden om vrijheid te kunnen scheppen. Dat lezen we nergens in de Bijbel. Integendeel, in Marcus 10:42 lezen we dat Jezus is gekomen om zijn leven te geven als losprijs voor velen en helemaal niet om hierdoor vrijheid te kunnen scheppen. Wel om ons vrij te kunnen kopen van de zonde.

Als tekort gedaan wordt aan de ernst van de zonde dan ontstaat er een veel te optimistisch mensbeeld. De indruk wordt gewekt dat God toch wel heel blij moet zijn met hoe die goede Mack in elkaar steekt. Los van Het Grote Verdriet mankeert er eigenlijk helemaal niets meer aan Mack. Het lijkt wel de omgekeerde wereld. God heeft juist respect voor Mack. Op pagina 120 lezen we zelfs dat God voor Mack zichzelf beperkingen heeft opgelegd ‘uit respect voor jou’. Op pagina 165 zegt Jezus: ‘Het gaat om een relatie die gebaseerd is op liefde en respect. In feite zijn wij op dezelfde manier aan jou onderworpen’.

Mack moet maar niet al te veel praten over schuld want  Papa zegt op pagina 191 tegen Mack: ‘Jij bent de enige in het hele universum die vindt dat jou enige schuld treft’’. Op pagina 236 zegt Papa tegen Mack: ‘Lieverd, ik heb nooit een bepaalde verwachting van jou of iemand anders gehad’. Even later zegt Papa: ‘’En bovendien, omdat ik jou geen verwachting opleg, stel je me ook nooit teleur’.

Dit is toch taalgebruik dat mijlen ver afstaat van de Bijbel. In de Bijbel lezen we van de worsteling van gelovigen met en tegen de zonde. Dan maakt het niet uit of je Abraham, Jacob, David, Daniël, Paulus of Petrus heet. ’Ik ellendig mens’ moet Paulus zelfs uitroepen in Romeinen 7:24.Maar in dit boek lijkt het of de bede ‘Vergeef ons onze schulden’ maar beter uit het Onze Vader geschrapt kan worden.

We zien dat Mack de moordenaar van zijn dochter Missy vergeving schenkt en Hij voor Het Grote Verdriet in zijn leven weer met God in het reine komt. Maar voor de rest kan Mack op voet van gelijkheid met God omgaan en is er van enige schuld of zondebesef totaal geen sprake. Het is waar, doordat de Heilige Geest in ons woont, mogen wij heel ons leven groeien in geloof, in liefde, en vertrouwen. Maar dat is een proces van vallen en opstaan. Een proces van dagelijkse bekering en vernieuwing. Volgens de auteur heeft God van de mens en dus ook van Mack geen enkele verwachting en kan hij God dus niet teleurstellen. Maar wij kunnen door onze dagelijkse zonde God wel degelijk teleur stellen. Efeziërs 4:31 zegt niet voor niets: ‘Maak Gods heilige Geest niet bedroefd, want hij is het stempel waarmee u gemerkt bent voor de dag van de verlossing’.

Antinominanisme

Het z.g. Antinominanisme is een stroming die zegt dat als men het evangelie aanvaardt, dat dan de (morele) wet niet langer van toepassing is. In dit boek zien we van deze opvatting veel sporen. Ik zal uitleggen waarom.

Het is duidelijk dat de auteur heel sterk inzet op het onderhouden van een relatie met God. Daarover zegt de auteur in de dialogen heel veel waardevolle dingen. Wat mij echter opvalt, is dat hij het onderhouden van een relatie met God sterk afzet tegen het onderhouden van wetten, principes en leefregels. Het lijkt alsof een goede liefdevolle relatie met God onderhouden én tegelijkertijd zijn wetten en geboden liefhebben twee dingen zijn die in de ogen van de auteur niet samen kunnen gaan. Op pagina 227 zegt de Heilige Geest (Sarayu) tegen Mack: Je moet gewoon niet naar regels en principes (in de Bijbel) zoeken. Kijk uit naar je relatie met ons, naar en manier om met ons samen te zijn’. Op pagina 232 zegt Sarayu over de Tien geboden: ‘Er zit geen genade of vriendelijkheid in regels, zelfs niet als er maar één wordt overtreden. Daarom heeft Jezus ze allemaal voor jullie vervuld zodat ze geen rechtsgeldigheid meer hebben!. En de wet die vroeger onmogelijke eisen aan jullie stelde: ‘Gij zult niet…..” wordt uiteindelijk een belofte die wij in jullie vervullen. Jezus is zowel de belofte als de vervulling van de wet’. Mack antwoordt hierop met: ‘Wil je beweren dat ik me niet meer aan die regels hoef te houden? Antwoord van Sarayu: ‘Ja. In Jezus val je niet meer onder welke wet dan ook. Alles is wettig. Als je de wet wilt houden is dat in feite een onafhankelijkheidsverklaring, een manier om zelf alles onder controle te houden’. Sarayu vervolgt op pagina 233 en zegt over de wet: ‘Ze geeft macht om over anderen te oordelen en je boven hen verheven te voelen. Regels kunnen geen vrijheid brengen, ze verschaffen alleen macht om te beschuldigen. Mack antwoordt hierop met: ‘ Zeg je nu dat verantwoording afleggen en aan verwachtingen voldoen gewoon een andere vorm zijn van regels waaraan we ons niet langer hebben te houden? “JA” bracht Papa (God) weer in: ‘Nu zijn we waar we willen zijn’. Sarayu op pagina 235: “Religie heeft een wet nodig om macht te kunnen uitoefenen”.

De auteur geeft zoals gezegd in zijn boek geen tekstverwijzingen. Dat maakt het soms wat lastig om precies de bedoeling van de auteur in kaart te brengen. Maar als hij de Geest tegen Mack laat zeggen dat er geen genade of vriendelijkheid in regels en geboden zit, dan klopt dat niet. Romeinen 7:12 zegt dat ‘de wet zelf heilig is en de geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed’. Maar omdat wij in eigen kracht de geboden niet kunnen volbrengen, heeft Christus de wet in onze plaats vervuld en worden wij van de klemmende eis van de wet vrij gesproken. Christus heeft de wet vervuld. Dat betekent ook: Hij heeft de echte betekenis van de wet laten zien, nl. dat het in alle geboden gaat om liefde en trouw. Maar daarmee worden de geboden, zoals de auteur beweert, niet afgeschaft of verliezen ze daarmee hun rechtsgeldigheid. Integendeel. Dat zegt Jezus heel duidelijk in Matteüs 6:17,18: ‘Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen. Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn’.

De schrijver maakt van de wet een ‘belofte die wij in jullie vervullen’. Dat klinkt heel mooi maar waar staat dat dat de wet een ‘belofte’’ wordt? Een belofte spreekt immers altijd over iets dat in de toekomst vervuld, ingelost wordt. Van de komst van de Heilige Geest, daarvan mag je wel zeggen dat dit de vervulling van een belofte is (zie Handelingen 1:4). Van die belofte van de Geest spreekt ook het bekende Jeremia 31:31: ‘Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven’. Dankzij het werk van Christus en door de werking van de Heilige Geest gaat er in het hart van de gelovige iets geweldigs moois gebeuren met die wet van God. De motivatie om naar de wet van God te leven gaat van binnenuit, vanuit je hart, komen. Geen uiterlijke naleving meer van geboden en regels omdat het nu eenmaal moet maar omdat je, door de Geest, nu ook niets liever wilt dan die geboden naleven.

Het is met de wet van God precies zo gesteld als bij een verliefd stel. Als je echt verliefd bent dan wil je niets liever doen dan het de ander naar de zin te maken. Je wilt die ander steeds beter leren kennen en je probeert er achter te komen wat die ander fijn vindt en je spant je tot het uiterste in de hartenwens van die ander te vervullen. Je doet dat met liefde en plezier, zonder enige vorm van dwang of machtsvertoon. Zo gaat het nu ook als je God lief hebt. In Zijn wetten en Zijn geboden heeft God zijn hart gelegd. Die geboden zijn goed voor jezelf en voor de samenleving. Omdat je – om zo te zeggen- zo verliefd bent op God wil je niets anders dan dat zijn geboden in jouw binnenste tot leven komen. Net zoals de dichter van Psalm 119. De langste psalm in de Bijbel. Maar liefst 176 verzen lang is de dichter lyrisch enthousiast over de wet van God. Waarom? Omdat Hij God lief heeft.

Natuurlijk heeft de schrijver niet helemaal ongelijk als hij schrijft dat religie een wet nodig heeft om macht te kunnen uitoefenen. Zo heeft de wet in de geschiedenis helaas vaak gefunctioneerd. Maar ook hier gooit de auteur het hele kind met het badwater weg. Als liefde, trouw en gerechtigheid van de wet los gekoppeld wordt, dan wordt het een janboel in de samenleving. Dan blijft van de wet alleen het autoritaire machtswoord over. Maar dat is in de Bijbel nooit de bedoeling. Romeinen 13:-10 is er duidelijk over:  ‘De liefde berokkent uw naaste geen kwaad, dus de wet vindt zijn vervulling in de liefde’. Wordt vervolgd……

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[1]      «      10   |   11   |   12   |   13   |   14      »      [15]