Sometimes it feels like Bob Dylan says: "I practice a faith that's long been abandoned, ain't no altars on this long and lonesome road"

Translate this website

Visitors to this website today: 88Total number of visitors to this website: 661109
Welcome to the website of Kees de Graaf
Kees de Graaf keesdegraaf.com

De ultieme liefdeservaring: door God gekend zijn

I Korintiërs 12 gaat over de gaven in de christelijke gemeente. De gemeente wordt getekend als het lichaam van Christus en de gemeenteleden maken ieder persoonlijk deel uit van dat lichaam. Net zoals het menselijk lichaam alleen goed kan functioneren als alle organen, spieren en botten samen werken, zo hoort het er ook in de gemeente aan toe te gaan. De Geest heeft verschillende gaven aan de gemeente gegeven. De Geest doet dat niet met het doel dat die gaven een soort van concurrentie strijd met elkaar zouden aangaan. Een strijd om te bepalen welke de belangrijkste gave is waar je in de praktijk het meeste aan hebt. Een dergelijke strijd verscheurt de gemeente. In Efeziërs 2 lezen we dat het de bedoeling van de Geest is dat de gemeente door een goede inzet van de gaven een sterk gebouw wordt – een plaats waar God woont door Zijn Geest (Efeziërs 2:22).

Paulus roept de gemeente op om de hoogste gaven na te jagen (12:31). Dat kost heel wat inspanning en dat gaat absoluut niet vanzelf. Maar stel je nu eens voor dat je het wel voor elkaar gekregen hebt. We zijn een warme gemeente. We zien echt om naar elkaar en niemand valt buiten de boot. Alle ambten zijn goed ingevuld. De commissies draaien goed. Volop Bijbel studie. We zijn vol missionair elan. We treden naar buiten en zijn een echte kerk voor de wereld geworden. Iedereen is bij ons welkom en we zien een geweldige groei. Een groei van binnenuit en een groei van buitenaf. (En dan niet de z.g. ‘circulation of the Saints’, gelovigen die uit andere kerken naar ons overkomen).

Reden genoeg om blij en voldaan te zijn. Je zou haast denken dat je er bent en niets meer te wensen hebt. Maar wat blijkt? Je bent er helemaal nog niet! Want dan komt het laatste vers van I Korintiërs 12: ‘En ik wijs u een weg, die nog veel verder omhoog voert’. (vert. NGB 1951) Die weg, dat is de weg van de liefde van I Korintiërs 13. Zonder de liefde heb je nog niets, ook al heb je alles op en top georganiseerd. Ook al heb je alle kennis in huis, ook al heb je het grootst denkbare geloof en geef je jouw hele bezit weg aan de armen, je schiet er niets mee op als je de liefde niet hebt.

Het hier gebruikte Griekse woord voor liefde is: ἀγάπη (Uitspraak: agapé). Met agapé wordt bedoeld de geheel onbaatzuchtige zichzelf opofferende liefde: liefde die  helemaal op de ander gericht is en die er helemaal voor die ander wil zijn. Die liefde is van God en die komt van God. Er worden hele mooie dingen gezegd van deze liefde. Er wordt gezegd wat de liefde niet is: ze is niet afgunstig, ze heeft geen ijdel vertoon, geen zelfgenoegzaamheid, ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze verheugt zich niet over het onrecht, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwade niet aan.  Er wordt ook gezegd wat die liefde wel is: ze is geduldig, vol goedheid, vindt vreugde in de waarheid, alles verdraagt ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze. Die liefde zal nooit vergaan.

Wat in I Korintiërs 13 over de liefde wordt gezegd, komt overeen met wat in Galaten 5:22 de vrucht van de Geest wordt genoemd. Het is waar die dubbele punt staat er niet in het Grieks in Galaten 5:22, maar je kunt dat vers zo lezen: ‘Maar de vrucht van de Geest is liefde: vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing’. Ik heb ze in willekeurige volgorde op de liefdesladder gezet.

Op weg naar de volmaaktheid van het Koninkrijk van God worden we uitgenodigd om nu al deze liefdesladder te beklimmen. Gods liefde is daarbij de dragende factor.  Zonder die liefde zou elke trede van deze ladder breken en zouden we naar beneden duikelen. We gaan het pad op van de levensvernieuwing door de Heilige Geest. Er komt groei. Af en toe vallen we weer terug. Soms moet je voor je gevoel weer helemaal opnieuw beginnen. Als we dichter bij de top van de ladder komen, komen we ook steeds dichter bij de glans van de hemelse heerlijkheid, reinheid en schoonheid te staan. We zien dan ook steeds meer en meer hoeveel we vanuit onszelf te kort komen. De smetten op ons dagelijkse gewaad worden in de glans van dat hemelse licht steeds beter zichtbaar. Maar gelukkig, telkens wordt ons weer een rein, wit gewaad uitgereikt. Dankzij Christus.

Dan komen we boven aan in de hemel. Dan gebeurt er iets merkwaardigs. De beperkte kennis maakt ineens plaats voor het volledig kennen. De schellen vallen plotseling van onze ogen. We gaan de dingen in het juiste perspectief zien. De spiegel wordt helder. Hier op aarde kunnen we alleen maar horizontaal kijken. We zien gelovigen naast elkaar en los van elkaar staan als individuen, we zien nog niet de juiste samenhang en verbondenheid. Maar in de hemel ga ik volledig kennen ‘zoals ik zelf gekend ben’. ( I Korintiërs 13:12). ‘Kennen’ op dezelfde manier als ik zelf gekend ben. Ik kan nu in eens verticaal gaan kijken. Ik kan nu terug blikken in de tijd. Ik zie dat ik zelf door God van eeuwigheid ‘gekend’ ben. Hij heeft mij altijd al gekend. Ik ben door Hem uitgekozen en daarom kostbaar. Hij heeft mij altijd al lief gehad. Maar ik kan daardoor nu ook mijn verbondenheid met alle vorige generaties zien, kennen en beleven. De verbondslijn wordt zichtbaar. Zijn liefde was er al bij mijn ouders, bij mijn grootouders, en vele geslachten en eeuwen terug, tot aan het begin. Je ziet de lijnen van Gods trouw lopen dwars door de geslachten en generaties heen.  Alsof je alle generaties, al je familieleden vanaf het begin, in eens op een foto naast elkaar ziet staan. Je merkt het nu ten volle: je hoort bij een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters een heilige natie (I Petrus 2:9).  Door God gekend te zijn, dat is nu echt de gaafste ervaring die je mee kunt maken. En die ervaring zal eeuwig blijven.

 

Nelson Mandela zegt: 'A Saint is a sinner who keeps on trying'

In het programma ‘De wereld draait door’ was woensdag 2 februari jl. Adriaan van Dis te gast. Van Dis vertelde iets over het nieuwste boek van Nelson Mandela getiteld: ‘Conversations with myself’. In dit boek vertelt Mandela o.a. dat hij gedurende zijn 27 jarige gevangenschap op Robben Eiland gewoon was iedere dag een kwartier te mediteren. In dat kwartier liet hij al zijn slechtheid naar boven komen. Hij was zich volledig bewust van zijn donkere kanten. Maar hij liet ook even zijn goedheid naar boven komen. Daardoor kon hij zijn waardigheid behouden en praten met zijn bewakers en corresponderen met zijn vrouw. Hij liet zich door het kwade niet overmeesteren. Hierdoor heeft hij zichzelf overtroffen, zo lijkt het in ieder geval. Dat was niet gemakkelijk. Lange tijd mocht zijn vrouw hem niet eens opzoeken. 21 jaar mocht Mandela zijn vrouw zelfs niet aanraken. Er werden banning orders uitgevaardigd. Zijn moeder en jongste zoon stierven en Mandela mocht er niet eens naar toe. Zijn toenmalige vrouw Winnie echter, ging vanwege deze situatie een heel andere kant op: ze was vol van boosheid, baldadigheid en wrok. Ze was kwaadaardig en ontspoorde volledig.

Vanuit de wetenschap dat hij tot een Saint, een Heilige, zal worden uitgeroepen, zegt Mandela over zichzelf: ‘A Saint is a sinner who keeps on trying’. Een heilige is een zondaar die telkens opnieuw, met vallen en opstaan, zijn best blijft doen. Van Dis vertelt dat als je mensen systematisch treitert, hun burgerrechten ontneemt, er twee krachten naar boven komen: enerzijds het goede, het bijna heilige en anderzijds het boze, het kwaadaardige. Hetzelfde zie je nu ook gebeuren in Noord Afrika. In Noord Afrika (o.a. Egypte en Tunesië) ontbreekt het echter (nog) aan een leider als Mandela die de ontwikkelingen in de goede richting zou kunnen sturen.

Wat mij nu intrigeert is de vraag: waar putte Mandela de kracht uit om zijn waardigheid te kunnen behouden en waarom ging hij niet –zoals zijn vrouw Winnie - het pad van de boosheid, wrok, en vergelding op? Voor dat laatste was immers reden genoeg. Voor van Dis moge dat duidelijk zijn: de innerlijke goedheid die in Mandela zelf woont en die hij van en uit zichzelf heeft. Ogenschijnlijk los van het christelijk geloof, want dat komt in deze uitzending niet in beeld.

Nu is het zo dat Mandela nooit openhartig is geweest over zijn christelijk geloof. We moeten het alleen doen met zijn autobiografie waarin hij schrijft dat hij altijd al christen is geweest en ook zal blijven en dat zijn daden en opvattingen hun oorsprong vinden in zijn christelijk geloof. Voor de meeste Zuid-Afrikanen is Mandela het toonbeeld van vergevingsgezindheid geworden. Hij wordt algemeen beschouwd als veel groter dan zijn voorgangers of opvolgers en door een groot deel van de zwarte bevolking wordt hij als een soort Messias gezien.

Laten wij over de innerlijke drijfveren van Mandela maar geen verder oordeel vellen. Als hij zegt dat hij altijd al christen is geweest, laten we dan aannemen dat zijn vergevings en opofferings gezindheid voortkomt uit de vernieuwende kracht van de Heilige Geest, ook al heeft zich voor zover we weten, nooit in deze zin uitgelaten over zijn innerlijke drijfveren.

Wat ik me dan wel afvraag hoe het zit met mensen die heel veel goeds in deze wereld hebben gedaan maar die niet vanuit christelijke drijfveren hebben gehandeld. Om enigszins inzicht in deze vraag te krijgen heb ik het geweldige boek van Dr. Gregory A. Boyd en Edward K.Boyd  ‘Brieven van een scepticus’· maar weer eens ter hand genomen. Dit boek bestaat uit een authentieke briefwisseling tussen een gelovige zoon en een ongelovige vader.

In de derde briefwisseling komt de vraag die we stelden aan de orde.  In de briefwisseling wordt gesteld dat de mens van God een bepaalde vrijheid heeft gekregen. Een vrijheid om goede en kwade dingen te doen.  Het risico dat deze vrijheid met zich meebrengt moet omgekeerd evenredig zijn aan het vermogen om het goede te bewerken, zo wordt gesteld. Wat wordt hiermee bedoeld? Ik citeer:

Als ik de vrijheid heb om maar één mens lief te hebben, dan heb ik ook de vrijheid om maar één mens te kwetsen. Als ik de vrijheid heb om een beetje van ze te houden, dan heb ik ook de vrijheid om ze een beetje te beschadigen. Als ik heel erg van ze kan houden, kan ik ze ook heel erg bezeren enz. Het feit dat wij mensen ongelooflijk veel kwaad kunnen doen, wijst er naar mijn mening op dat we ook ongelooflijk veel goed kunnen doen. Ja, er bestaan Hitlers en Stalins in deze wereld. Maar er zijn ook de Raoul Wallenbergs, de moeder Theresa´s, de Martin Luther King Juniors. En ik zie geen mogelijkheid om wel de laatsten te hebben zonder op zijn minst te riskeren dat ook de eerste rondloopt. Als we de macht hebben om miljoenen mensen te verdrukken en af te slachten, dan is dat omdat we ook de macht hebben om miljoenen mensen te bevrijden en lief te hebben. De mogelijkheid van goed én de mogelijkheid van kwaad zijn evenredig vertegenwoordigd´.

Dit is een boeiende gedachte. Weer zeggen we: Hoe zit het dan met hun innerlijke drijfveren? Inderdaad, we kennen uit de geschiedenis mensen die geheel belangeloos veel goeds hebben gedaan voor deze wereld en de medemens maar die dat niet vanuit een godsdienstige, laat staan christelijke overtuiging hebben gedaan. Toch moeten we m.i. blijven zeggen dat wat goed is ook goed genoemd moet worden, ongeacht uit welke innerlijke motieven dit gebeurt. Het is maar goed ook dat er nog zulke mensen zijn. Als in deze wereld alleen maar verscheurende beesten als Hitler en Stalin het voor het zeggen zouden hebben, dan zou de wereld geschiedenis vroegtijdig zijn afgebroken. Als de mens aan zijn eigen lot zou worden overgelaten is hij een verscheurend, zichzelf vernietigend, dier. Maar gelukkig, er zijn nog veel oases van goedheid. Zo blijft er een platform bestaan waarop de wereldgeschiedenis zich kan ontwikkelen.

Komen we nu niet in conflict met de definitie die de Catechismus geeft van de goede werken in antwoord 91? Volgens mij niet. In de Catechismus gaat het erom wat goede werken zijn in het oog van God. Dan blijft gelden dat goede werken voor God alleen kunnen bestaan als ze uit echt geloof, volgens Zijn wetten en tot Zijn eer gedaan worden. Wij hoeven daarover niet te oordelen. Daarom mogen we blij zijn dat er nog zulke mensen als Nelson Mandela bestaan.

 

 

'Volharding': een hemelse gave!.

Deze keer iets over dat prachtige Bijbelse woord ‘volharding’, in de NBV meestal vertaald door ‘standvastigheid’. Met ‘volharding wordt in het N.T. bedoeld: niet afwijken van je weloverwogen doel en vasthouden aan je geloof, ongeacht wat voor lijden en beproevingen je staan te wachten. We kennen de uitdrukking ‘verstand op nul, blik op oneindig’. Volharding heeft niets te maken met ‘verstand op nul’. Volharding heeft niets te maken blind, slaafs, volgen, de tanden op elkaar, zonder daar bij na te denken. Volharden is een welbewuste houding. Een keuze van het hart. ‘De blik op oneindig’ dat heeft wel iets met volharding te maken maar dan ‘oneindig’ in de betekenis van de eeuwigheid, de blik gericht op wat achter de horizon van het hier en nu ligt. Je ziet achter de horizon veel prachtige dingen die eraan zitten te komen. Al dat mooie geeft je inspiratie om nu standvastig te zijn en niet toe te geven aan krachten die je de andere –verkeerde- kant op willen trekken.

Het Griekse woord voor ‘volharding’ is ὑπομονή, uitspraak ‘hupomoné’. ‘hupo’ betekent ‘onder’ en ‘μένω’ – menoo- ‘blijven’. Je zou kunnen zeggen ‘er onder blijven’. Dus niet voor de druk bezwijken maar juist welbewust onder die druk blijven staan. Het woord komt maar liefst 32 keer voor in het N.T. waarvan 7 keer in het boek Openbaring. Dat getal 7 is belangrijk in Openbaring. Het staat in Openbaring voor een bepaalde afgemeten volheid: 7 gemeenten, 7 lampenstandaards, 7 sterren, 7 brieven, 7 zegels, 7 engelen, 7 bazuinen, 7 donderslagen, 7 plagen. En dus ook 7x het woord ‘volharding’. Het totaal aan ‘volharding van de heiligen’ heeft een afgemeten hoeveelheid en plaats gekregen in het master plan voor de redding van deze wereld.

Als we nu wat dieper gaan afsteken dan moeten we bedenken dat dit woord ‘volharding’ allereerst een eigenschap van God zelf is. Romeinen 15:5 noemt God een God van ‘volharding’ en 2 Thessalonicenzen 3:5 dicht deze eigenschap ook aan Christus toe. Willen we weten wat het betekent om te volharden moeten we kijken naar Jezus. We lezen van Hem in Hebreeën 5:8: ‘Hoewel Hij de Zoon was, heeft Hij moeten lijden en zo heeft Hij gehoorzaamheid geleerd’. Door lijden leer je wat gehoorzaamheid betekent. Gehoorzaamheid is een belangrijke houding om te komen tot volharding. Gehoorzaamheid, lijden en volharding zijn 3 woorden die in de Bijbel in elkaars verlengde liggen. Het is een trits van woorden die ons van nature niet aanspreekt en deze woorden lijken al helemaal niet geschikt om daar een evangelisatie campagne mee op te zetten. En toch is dit de weg die het evangelie volgt om te komen tot de overwinning. Hij, Jezus ging daar in voor.

Als wij ons inspannen voor een goed doel en de resultaten vallen tegen, sterker nog, als wij stank voor dank krijgen, dan haken we snel af. Het ontbreekt ons aan volharding. Daar waar wij het vaak laten afweten bleef Hij, Jezus, volharden. Dat was verre van eenvoudig. Volgens 2 Korintiërs 2:16 ‘stinkt’ de zonde. Jezus, als de volmaakt reine en zondeloze  moest voortdurend verkeren in de stinkende walm van de zonde om hem heen. Vele malen erger dan om als niet roker te moeten verkeren in een kamer vol met rokende mensen. Maar Hij hield het vol. Zo groot was Zijn liefde voor zondaren.

Het is waar, zegt Romeinen 5:3: ‘verdrukking leidt tot volharding’’ Maar toch is het woord ‘volharding’ niet alleen maar negatief geladen. Het doet niet alleen maar pijn. Het gaat hier niet om een vorm van masochisme, alsof lijden en volharding een voorwaarde zou zijn om te komen tot het echte leven, tot het echte heil. Neen, gelukkig niet! Wie met zijn poten in de modder blijft staan, wie volhardt, die ontvangt een rijke zegen Dat is een gave die God zelf geeft. Daarvan spreekt Romeinen 5:4. Daar staat: ‘volharding leidt tot betrouwbaarheid’. De NGB vertaling heeft voor ‘betrouwbaarheid’ vertaald ‘beproefdheid’ en de SV: ‘bevinding’. Je komt a.h.w. ‘gelouterd’ uit de strijd. Je weet van de hoed en de rand. Daardoor krijg je dat gevoel van zekerheid dat je hele bestaan doortrekt. Ondanks alle ellende zit ik toch op het goede spoor. Je hebt de proef doorstaan en er is nu niets en niemand meer die je nog van dat spoor kan afhalen. Je bent een betrouwbaar baken in zee geworden, om ook anderen vooruit te helpen. Dat is die betrouwbaarheid, de beproefdheid, die voortkomt uit de volharding.

Dan nog het laatste woord dat voortspruit uit de volharding. Romeinen 5: 4 zegt niet alleen: ‘volharding leidt tot betrouwbaarheid’ maar ook: ‘betrouwbaarheid leidt tot hoop’. Volharding en hoop liggen in de Bijbel in elkaars verlengde. Het typerende van de Bijbelse hoop is dat het onze blik naar vóren richt. Er wordt verwachting gewekt! De hoop is toekomst gericht. Temidden van alle pijn die het volharden met zich mee kan brengen, doet de hoop ons uitzien naar de terugkomst van Christus. Hoop doet leven en zorgt ervoor dat we het ook daadwekelijk kunnen volharden. De Bijbelse hoop is echter nooit onzeker. Wij zeggen soms: ‘op hoop van zegen’. Met daarin een ondertoon van onzekerheid. Eerst maar eens zien. De Bijbel echter spreekt over de hoop als een zekerheid. Hoop is een anker dat je uitgooit buiten jezelf (Hebreeën 6:19). Het kan hard stormen in je leven, maar je ligt door de hoop vast verankerd in Gods beloften.

Geloof, hoop en liefde worden in I Korintiërs 13 in één adem genoemd. ‘Geloof’ ( in het Grieks:’πίστις’ - uitspraak:’pistis’) kan ook vertaald worden met ‘vertrouwen’. Geloven houdt ook vertrouwen in. Vast vertrouwen dat het goed komt. De hoop zorgt ervoor dat dit vertrouwen zich naar de toekomst uitstrekt. Je ziet het nog niet en toch weet je het zeker. De volharding zorgt ervoor dat je in die geloofshouding blijft staan.  Die volharding heb je brood nodig want wie Jezus echt wil volgen, die moet er gegarandeerd op rekenen dat er tegenkrachten op gang gaan komen. Gelukkig, je hoeft het niet in eigen kracht te doen want: Geloof, hoop en liefde. Maar de meeste van die drie is de liefde. De liefde van God maakt de volharding uiteindelijk mogelijk.

 

 

Is de zonde een gepasseerd station?

Op de weblog getiteld ‘Geaccepteerd en toch zondig’ van Arjan Gelderblom las ik het volgende:

“Als ik Packer goed begrijp zegt hij dat ik als aangenomen (geadopteerd) kind van God het ‘Onze Vader’ bid. De zonden (schulden) die ik gedaan heb, maken mijn positie, mijn identiteit van aangenomen kind niet ongedaan. Mijn positie als geadopteerd kind staat als het ware niet ter discussie door mijn zonden. Ik ben geaccepteerd in Christus. Ik kan niets toevoegen aan én niets afdoen van mijn identiteit als kind van God. En tegelijk zondig ik als geadopteerd kind. Voor die zonden bid ik ‘vergeef ons onze schulden’. Deze bede bidden we dus niet om zo weer hersteld te worden in ons kind-zijn van God. De bede ‘vergeef ons onze schulden’ bid je juist als aangenomen kind van God. In de Vader-kind relatie gaat er (vanuit de mens gezien) het nodige fout (zonden) en daarom zeggen we ‘sorry’ tegen Vader”.

Arjan Gelderblom geeft hier een interpretatie uit het boek van J.I. Packer: ‘Groeien in Christus’. Met deze weergave van Arjan ben ik het eens. Over het woord ‘sorry’ straks nog iets meer. Laat ik eerst mijn eigen relaas vertellen en aan de hand daarvan wat dieper in de Schrift afsteken.

Al meer dan 30 jaar geleden las ik in de regionale krant een advertentie van een man die beweerde dat hij geen zonde meer heeft. Een volmaakt mens in een geheel zondeloos bestaan. Hij was gaarne bereid iedereen van deze stellingname rekenschap te geven. Daar wilden wij meer van weten, dus wij gingen erop af. Toen we bij hem op bezoek kwamen opende hij de Bijbel en kwam met de volgende teksten:

  1.        I Johannes 3: 6: “Ieder die in hem blijft, zondigt niet. Ieder die zondigt, heeft hem nooit gezien en kent hem niet”
  2.        I Johannes 3:8: “en wie zondigt komt uit de duivel voort, want de duivel heeft vanaf het begin gezondigd. De Zoon van God is dan ook verschenen om de daden van de duivel teniet te doen”.
  3.        I Johannes 3: 9 “Wie uit God geboren is zondigt niet, want Gods zaad is blijvend in hem. Hij kán zelfs niet zondigen, want hij is uit God geboren”
  4.        I Johannes 5:18 “We weten dat iemand die uit God geboren is niet zondigt. De Zoon, die uit God geboren werd, beschermt hem, zodat het kwaad geen vat op hem heeft”.

Dat leek een waterdicht betoog. De bede “vergeef ons onze schulden” was voor hem niet meer van toepassing want zijn zonden waren al vergeven.  De zonde, zo beweerde hij, was nog iets van vóór zijn bekering en dat was nu gelukkig een gepasseerd station. Hij maande ons te stoppen met het praten over de zonde. Daar praat je de kinderen van God alleen maar de put mee in en je kunt er bovendien behoorlijk depressief van worden.

Wat konden we hier tegenover stellen?. Wel, een paar teksten uit diezelfde eerste brief van Johannes die heel iets anders schijnen te zeggen:

  1. I Johannes 1: 8-10 :  Als we zeggen dat we geen zonde hebben, misleiden we onszelf en is de waarheid niet in ons. Belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad. 10 Als we zeggen dat we niet gezondigd hebben, maken we hem tot een leugenaar en is zijn woord niet in ons”
  2. I Johannes 2:1: “ Kinderen, ik schrijf u dit opdat u niet zondigt. Mocht een van u echter toch zondigen, dan hebben wij een pleitbezorger bij de Vader: Jezus Christus, de rechtvaardige”.

Die twee series van teksten, nog wel binnen dezelfde brief, lijken tegenstrijdig. Hoe zit dat nu? Zondig je als christen nu nog wél of juist niet (meer)?.

 Wel, het antwoord zit ‘m in dat eerste gedeelte van 3:6 ‘Iemand die in Hem blijft”. In ‘Hem’ dat is hier Christus. ‘In’ Hem zijn (Grieks: èn) is een geliefde uitdrukking ook bij Paulus. ‘In’ Christus zijn betekent niet alleen dat je hecht, onlosmakelijk, onafscheidelijk en eeuwig aan Hem verbonden bent, maar ook dat je zult delen in alles wat Christus voor ons gedaan heeft. ‘In’ Christus heb je je identiteit als kind van God ontvangen. Geen macht ter wereld, ook de zonde niet, kan die identiteit ongedaan maken.

Wie nu ’ in’ Christus is kan niet meer zondigen, want zegt 3:9 ‘Gods zaad is blijvend in hem, Hij is uit God geboren’. Dat ‘niet zondigen’ moeten we dan wel op een bepaalde manier verstaan.  Met het ‘niet zondigen’ wordt bedoeld dat je niet meer zondigt ‘ tot de dood’ (I Johannes 5:16,17). Zondigen ‘tot de dood’ is zodanig zondigen dat je daardoor verloren gaat. Uiteindelijk loopt dat uit op wat in Openbaring 20:14 wel wordt genoemd ‘de tweede dood’. De kinderen van God worden daarvoor bewaard omdat hun namen staan opgeschreven in het boek van het leven. Je kunt je identiteit als aangenomen kind van God nooit meer verliezen. De Boze kan geen vat op je krijgen. Gods genade richt je altijd weer op, hoe diep je ook in de zonde kunt vallen.

Deze Bijbelse leer is prachtig verwoord in de Dordtse Leerregels (Hoofdstuk 5 – De volharding van de heiligen). We hoeven ook op dit punt het wiel niet opnieuw uit te vinden.

We kunnen het ook nog anders formuleren: Leven in de zonden hoort bij degenen die het evangelie helaas verwerpen. Erin leven betekent dat ze zich er goed bij voelen. Ze juichen het zelfs toe als ook anderen in de zonden leven (Romeinen 1:32). Maar vallen in de zonde gebeurt dagelijks in het leven van de kinderen van God. Dat is diep tragisch. Je wilt het niet en toch struikel je telkens weer (Romeinen 7:15). Maar gelukkig we kunnen de toevlucht nemen tot onze pleitbezorger bij de Vader.

In het dagelijks leven zeggen we vaak gemakkelijk ‘sorry’ tegen elkaar voor allerlei dingen die verkeerd gaan. Meestal is het een oppervlakkig excuus om daarna weer tot de orde van de dag te kunnen overgaan.  Onze dagelijkse zonden zijn veel erger en kunnen niet met een oppervlakkig ‘sorry’ richting God worden afgedaan. Dat komt ook omdat we zo’n hoge positie hebben: we zijn koningszonen.  Elke smet op ons koninklijk blazoen wordt door de niet gelovige mensen om ons heen gezien als ook een smet op het blazoen van onze Koning. Een reden om Hem te kunnen afwijzen.

Laten we onze koninklijke positie in dit leven dan ook gebruiken om met een vrij en goed geweten tegen de zonde en de duivel te strijden. Straks valt alles ons ten deel en kunnen we in eeuwigheid met Hem regeren.

 

 

 

 

 

Ben ik nog steeds een zondaar?

In een weblog van Jos Douma met als titel: ‘Terugduwen in het doopwater’ las ik het volgende:

Kunnen wij niet zeggen: ‘In Christus ben ik geen zondaar meer, maar een nieuwe schepping dankzij het vernieuwende werk van de Geest; en zeker, ik zondig nog, vaker dan me lief is; en zeker, op de man af gevraagd erken ik dat het vaak zo tegenvalt met dat nieuw leven – maar God zij dank, ik wás een zondaar, ik bén een nieuwe schepping’.

Arjan Gelderblom die in zijn weblog hierop inhaakt vraagt zich af: ‘ben je een zondaar die geheiligd is of een heilige die zondigt?’.

Toen ik dat zo las dacht ik: Er is niets nieuws onder de zon want waar is deze problematiek al eerder aan de orde geweest? Jawel, bij Maarten Luther (1483-1546). Van Luther is de bekende stelling afkomstig: “Simul Iustus et Peccator” wat zoveel betekent als “Tegelijk rechtvaardige en zondaar”. Wat wordt bedoeld met een ‘rechtvaardige’? Eigenlijk in grote lijnen wat staat in H.C. antw. 60: Een rechtvaardige is iemand die van God een geweldig groot geschenk heeft ontvangen. Geheel onverdiend, alleen uit genade wordt hem of haar de volkomen voldoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus toegerekend. God doet zelfs net alsof ik nooit zonde had gehad of gedaan; het gaat zelfs zover alsof ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht had, die Christus voor mij volbracht heeft. Het middel dat God hiervoor gebruikt is het geloof.

In de visie van Luther wordt de gelovige door God voor de volle 100% voor rechtvaardig verklaard. Je bent kind van God geworden. Een geliefde zoon of dochter. Je bent erfgenaam geworden van God. Alle schatten en gaven van het Koninkrijk vallen je hierdoor ten deel. Hij, Christus, is in ons, en wij in Hem. Je krijgt de gave van de Heilige Geest. Je wordt één met Christus en daarom ben je een nieuwe schepping (2 Korintiërs 5:17). Kortom, je hebt in Christus een geweldig hoge positie gekregen. Dit wordt wel aangeduid als de ‘relationele ontologie’. Dit betekent zoiets als: Wat je bent, dat ben je uitsluitend dankzij je relatie met iemand anders en in dit geval is dat Christus.

Er is ook nog zoiets al ‘stoffelijke ontologie’, wat zoiets betekent als: wat je bent ben je vanuit jezelf als je alleen naar jezelf kijkt. Om die reden bleef Luther volhouden dat de gelovige ook na zijn bekering tegelijk zondaar is. Daarom blijft het gebed om dagelijkse schuldvergeving noodzakelijk. We zijn rechtvaardig, zegt Luther, maar ook de oude Adam zit nog steeds in ons. Luther vergelijkt de situatie waarin een kind van God verkeert met iemand die ziek is, maar die door de dokter wel een volledig herstel beloofd is en die zich nu al gedraagt alsof hij heel spoedig volledig zal herstellen. Luther schrijft: “Rechtvaardiging” is gelijk aan het geval van een zieke die gelooft in de dokter omdat de dokter hem een volledig herstel heeft beloofd. In de tussentijd gehoorzaamt hij trouw de opdrachten van de dokter, in de hoop op het beloofde herstel [van zijn zondige neigingen] en laat die dingen staan die hem door de dokter verboden zijn, zodat hij op geen enkele manier het beloofde volledig herstel zal hinderen of zijn ziekte zal verergeren, totdat de dokter zijn belofte aan hem gestand kan doen”.

Luther vervolgt: “Welnu, is de zieke man al hersteld? De werkelijkheid is dat hij zowel ziek is als hersteld. Feitelijk is hij ziek maar hij is ook hersteld [beschouwd als rechtvaardige]en dat komt door de vaste belofte van de dokter. De dokter die hij vertrouwt en die hem al als hersteld beschouwd, omdat de dokter er zeker van is dat hij hem zal genezen”.

Ook al was ook voor Luther de zonde in het leven van de bekeerde niet langer de baas, (Peccatum Regnatum) toch was en is de aanspraak ‘zondaar’ voor Rome onaanvaardbaar.

Laat ik eerlijk zijn: de aanspraak ‘zondaar’ doet ook zeer aan mijn oren. Maar het is daarbij wel de vraag of dit komt door de oude mens in mij, of dat dit komt door de nieuwe mens in mij die dit een ongepaste aanspraak vind voor een heilige. Want zo worden we in het NT aangesproken: als geroepen heiligen, als een nieuwe schepping, als meer dan overwinnaars enz. We moeten er wel bij zeggen: we hebben deze hoge status niet vanuit onszelf maar alleen in en dankzij Christus.

Het woord ‘zondaar’ wordt in het NT veelal (hoewel niet uitsluitend) gebruikt voor mensen die leven zonder God, buiten Christus en in de zonde. Anders is het gesteld met de kinderen van God. Die voelen zich vaak ‘zondaar’ voor het aangezicht van God. Omdat ze op zo veel fronten nog tekort schieten en in de zonde vallen. Die val in de zonde geeft een droevig gevoel maar het is de Heilige Geest zelf die dit droevige gevoel in het hart van de kinderen van God werkt. Met als doel dat we de toevlucht nemen tot de altijd aanwezige genade van Christus.

Toch denk ik dat het de restanten van de oude mens in mij zijn, die moeite hebben met de aanspraak ‘zondaar’. De Bijbel heeft er in ieder geval geen moeite mee. De tollenaar in Lucas 18:13 zei niet: ‘ O God wees mij, heilige, die gezondigd heeft genadig’ maar hij zei: ‘O God, wees mij zondaar genadig’. En wat lezen we dan: Hij ging als ‘rechtvaardige’ naar huis.

En Paulus? Hij wordt er in Romeinen 7 haast wanhopig van als hij ziet hoeveel invloed de zonde in zijn leven nog heeft: ‘Wat ik verlang te doen, het goede laat ik na, wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik’’(Romeinen 7:19) En dan volgt de haast wanhopig klinkende uitspraak: ‘Wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?’(Romeinen 7:25 NBG vertaling).

Er is geen enkele reden om gering te denken over de invloed die de zonde nog heeft in het leven van de door de Geest van God vernieuwde mens. Onderschatting van die kracht leidt tot hevige ontsporingen. Dat heeft de geschiedenis ons duidelijk geleerd. Is het erg om in het doopwater te worden terug geduwd? Nee, niet als we daarna maar onmiddellijk de toevlucht nemen tot de genade van onze Heer. Want dan komen we er alleen maar sterker uit tevoorschijn en verliest de zonde steeds verder terrein in ons leven. Dan blijven we niet in de zonde vastzitten. Paulus wijst ons de uitweg: ‘God zei gedankt hiervoor, door Jezus Christus onze Heer’(Romeinen7:25).

‘Tegelijk rechtvaardige en zondaar’. Die uitspraak blijft zeer doen aan mijn ‘oude’ oren maar toch kan ik er niet onderuit. Niet zo lang ik leef op aarde. Straks wel, als de volmaaktheid zijn intrede zal doen. Dan zal de hoge ‘status’ -die ik nu al heb in Christus- volkomen gelijk zijn aan de ‘stand’ van mijn leven.

 

 

Eat,pray,love: plug into the Powerhouse of Heaven

Bij de charismatische theoloog Kenneth Hagin kom ik de volgende instructie tegen:

  • Say it
  • Do it
  • Receive it
  • Tell it

Toen ik dat zo las moest ik weer even denken aan de discussie over ‘Eat, pray, love’ (zie hiervoor mijn eerdere weblog). Ik merkte een bepaalde overeenkomst met de woorden van Hagin.

‘Eat, pray, love’ als de expressie van het echt, radicaal kerk zijn wordt sterk gepropageerd door o.a. David Heek. De kerk als organisatie heeft daarbij veelal af gedaan, de verkondiging wordt meer en meer naar de achtergrond geschoven. Discussies over zaken als doop, verbond enz. worden afgedaan als non-issues uit een ver verleden die de jonge generatie niet meer interesseert. Weg met al die dogma’s en regeltjes. Hou het simpel. Doe het nu maar: Eat, pray, love en wees daarin relaxed en radicaal en dan…. dan gaat er echt iets gebeuren. Dan komt er echt leven in de brouwerij!.

Het geheel wordt daarbij al snel- wellicht onbedoeld- een methode. Een versmalling. Alleen het ‘koinoonia’ element wordt uit het kerk zijn van Hand. 2:42 gelicht, en tot het een en al verklaard. Een dergelijke versmalling treffen we ook bij Kenneth Hagin aan. Wel op een andere manier. Maar tegelijkertijd zijn er raakvlakken.

De naam Hagin is sterk verbonden aan de z.g. ‘rhema’ theologie. Daar moeten we eerst iets meer over vertellen. Deze theologie heeft in de vorige eeuw megakerken en wereldbewegingen doen ontstaan. Deze beweging gebruikt de Bijbel op twee manieren. Dat werkt zo: Het Bijbelse Grieks kent twee termen voor wat wij vertalen met ‘woord’. Enerzijds het woord ‘rhema’ en anderzijds het woord ‘logos’. De Rhema theologen maken nu een zeer sterk onderscheid tussen het Bijbelse woord ‘rhema’ en ‘logos’. ‘Logos’ is in deze opvatting het Woord op schrift. Daaruit kunnen we God leren kennen, het evangelie en de geschiedenis van het heil. Het gaat dan om objectieve kennis van God en Zijn heilswerk. De theorie, de dogma’s enz.

Wanneer deze theologen het woord ‘rhema’ tegen komen in de Bijbel dan denken ze aan een ander verstaan en werking van Gods woord. Dat komt omdat in hun visie het woord ‘rhema’ een totaal andere betekenis heeft dan ‘logos’. Overigens, m.i. ten onrechte, maar daar kom ik aan het einde nog even op terug.

Schriftwoorden hebben volgens deze gedachte niet alleen een bepaald logos gehalte maar ook een potentieel rhema- gehalte. Geschreven Bijbelwoorden (logoi) hebben de potentie in zich om eventueel ‘rhema’ te worden in het concrete leven van de gelovigen. Kort samengevat: de uitleg van ‘logos’ woorden leidt tot objectieve kennis van God, zeg maar: de leer. Deze kennis is passief en statisch. De werking van het ‘rhema’ woord is de subjectieve ervaring in het leven van de gelovige en die is veel concreter en dynamischer. Het ‘rhema’ woord zou zelfs scheppingskracht hebben.

De ‘Rhema’ theologie leert ons dat de Heilige Geest woorden uit de Bijbel neemt en deze herhaalt en bijzondere kracht en betekenis geeft in het leven van de gelovige: ‘God’s word for you in your present situation, a word spoken for a particular occasion’. Het ‘rhema’ woord krijgt ‘power’ wanneer de Geest dit woord in de mond van de gelovige legt. Het moet daarom nadrukkelijk door de gelovige hardop worden uitgesproken. Vandaar dat de instructie luidt: ‘Say it’. De gelovige dient Bijbelwoorden en beloften veelvuldig uit te spreken (als een soort van mantra) en dan treedt de scheppende kracht van het woord in werking.

Bijbelwoorden krijgen volgens Kenneth Hagin gegarandeerd ‘creative power’, mits je de vier stappen maar zet: ‘Say it – Do it – Receive it – Tell it. Als je dat, al biddende, op die manier doet dan krijg je alles wat je maar hebben wilt: ‘You can have what you say’. Je mag dit zeker weten omdat dit door jou als maar herhaalde woord door de Geest wordt getransformeerd tot een ‘rhema’ woord. Het wordt op die manier een scheppend Woord dat zijn uitwerking nooit kan missen. Je moet natuurlijk hiervoor wel een onwrikbaar geloof hebben, anders gaat het niet werken. Niets is op die manier onmogelijk want ‘Faith is force; just plug into the powerhouse of heaven’.

Een voorbeeldje hoe zo iets werkt in de praktijk. Een predikant overweegt of hij een beroep uit een andere gemeente moet aannemen of niet. Hij leest herhaalde malen hardop Hand. 16:9b: ‘Kom ons te hulp’’ en nu weet hij het zeker: ik moet dit beroep aannemen. Of hij leest herhaalde malen hardop Openb. 3:11: ‘Houd vast aan wat u hebt’ en hij weet het zeker: dit beroep moet ik niet aannemen.

Het raakvlak van de rhema theologie met de ‘eat, pray, love’ gedachte zit ‘m hierin dat beiden menen door simpele handelingen iets extra’s te krijgen dat schijnbaar ontbreekt in de traditionele manier van kerk zijn- een kerk zijn met nadruk op de verkondiging van het Woord en de strikte binding van de Geest aan dat Woord. Ook de z.g. ‘overwinningstheologie’ speelt hierin een rol. Dit punt werk ik nu verder niet uit.

Tenslotte nog dit. Met betrekking tot de rhema-theologie ben ik van mening dat het scherpe onderscheid dat deze theologie maakt tussen ‘logos’ en ‘rhema’ geen sterke papieren heeft. Ik ben van mening dat beide woorden vrijwel synoniem zijn in de Bijbel. Neem bijv. Matteüs 12:36,37: “Van elk nutteloos woord (rhema) dat mensen spreken, zullen ze op de dag van het oordeel rekenschap moeten afleggen. Want op grond van je woorden (logoon) zul je worden vrijgesproken, en op grond van je woorden (logoon) zul je worden veroordeeld’.  Trouwens, ook van het woord ‘logos’ wordt gezegd dat het krachtig en dynamisch is. Als voorbeeld mag dienen Hebr. 4:12: ‘Want levend en krachtig is het woord (logos) van God en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken, en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden’.

 

Belangstelling voor de tweede dienst taant.....

Er is één belangrijk ding dat ik gemist heb  in het artikel ‘Belangstelling voor de tweede dienst taant, maar toewijding blijft’  dat op 28 december 2010 in het ND werd geplaatst.  Wat ik gemist heb is een antwoord op de vraag: Om wie gaat het in de eredienst nu eigenlijk? Gaat het om het vervullen van mijn persoonlijke religieuze behoeften? Als dat het geval is dan komen we uit bij het standpunt dat door velen in dit artikel wordt verwoord. De kerkdienst is dan slechts één van de middelen om aan die behoefte te voldoen. Andere middelen kunnen zijn: huiskringen, massa-evenementen als New Wine of Opwekkingen, Twitter, etc. Je zou kunnen zeggen voor elk wat wils. Je moet datgene doen wat bij jou past. Diensten en vieringen worden alleen nog georganiseerd rondom bepaalde gebeurtenissen, zoals bijv. ziekte. Het motto daarbij is: u vraagt en wij draaien. Kortom een facilitaire kerkgemeenschap in optima forma. Heb je een bepaalde behoefte niet, dan doe je er ook niet aan mee. Kerkgang is een optie geworden, hetzij twee of één keer per zondag of zelfs helemaal niet. De geïnterviewde predikanten van het artikel hebben gelijk. Het aantal religieuze handelingen van de gelovigen is toegenomen. Vanuit dat oogpunt is er zelfs méér toewijding dan een aantal decennia geleden en zou er ook geen reden voor somberheid hoeven te zijn. Maar je mag je wel afvragen of die toewijding wel de soort van toewijding is die de Heer van ons allen vraagt. Immers, sommige geïnterviewden in dit artikel lijken – al dan niet bewust-behoorlijk geïnfecteerd te zijn door het post moderne denken. De trend in dit post moderne denken is dat religie weer mag in onze cultuur. Maar dan niet op de traditionele wijze. Geen grote verhalen meer. Geen bindingen meer aan een kerkgemeenschap. Maar alles geheel vrijblijvend. Een ieder stelt een persoonlijk boeket van religieuze handelingen samen dat bij je past en waar je jezelf lekker bij voelt. Maar let wel op dat je elkaars  keuzen respecteert en elkaar niet met regels lastig valt. In dit kader past de uitspraak vans Ds. van der Schee goed dat je alleen maar regels in de kerkorde zet die voldoende draagvlak hebben in de kerk, anders is het volgens hem ‘onzin’. Over onzin gesproken!!.

Maar waar gaat het in de eredienst dan wel om? Het woord ‘dienst’ zegt het zelf al. Het gaat om het ‘dienen’ van God. God heeft een boodschap voor ons en wij ‘dienen’ hem door die boodschap aan te horen en deze te be-amen, om Hem vervolgens daarvoor te danken, te eren en te prijzen. Dat is een eredienst, een dienst van het Woord zoals die vroeger werd aangeduid. Een dienst dus waarbij de Heer op de voorgrond staat. Hij gaat via de bediening van het Woord tot ons spreken. Hij roept ons a.h.w. op appel. Zo ging het vroeger, toen ik in militaire dienst zat, ook. Als er een officiële mededeling moest worden gedaan dan werd de hele kazerne op appel geroepen. Weg blijven kwam niet eens in je op. Laten we eens eerlijk zijn. Wie zal ooit zonder opgaaf van redenen, weg blijven als je werkgever, je baas, je oproept om op een bepaald tijdstip bij hem op kantoor te komen? Als onze hoogste Baas ons roept, kijken we dan eerst of het in ons schema van de dag past?.

Elke eredienst is tevens een publiek getuigenis van onze Heer. Een openbare proclamatie. Hij heeft een rechtszaak met deze wereld. Hij maakt officieel bekend dat Hij is opgestaan. Heel de wereld moet dit weten. Dat getuigenis moet worden verkondigd totdat Hij terug komt. Hij roept Zijn volk op om dat getuigenis verder te dragen in deze wereld. In woord en daad. Dat is de reden waarom deelname aan de eredienst nooit een vrijblijvende aangelegenheid is. Wie daaraan niet wil deelnemen die is volgens de Bijbel ongehoorzaam.

‘Ongehoorzaam zijn’ dat doet pijn aan het post moderne oor. Simpel doen wat er van je gevraagd word en dat ook blijven doen, jaar in jaar uit, dwars tegen de stroom en de heersende cultuur in. Het lijkt haast een woord uit een ver verleden.  Maar God heeft er hele koninkrijken en koningen om verworpen.

Een voorbeeld daarvan is koning Saul. Saul bouwde zijn eigen religieus feestje. Daarvan lezen we in I Samuël 13:8-15. Saul had de nadrukkelijke opdracht gekregen te wachten op Samuël voor het opdragen van het brandoffer. Maar hij was eigenwijs en wachtte niet en droeg zelf het brandoffer op. Een schijnbaar kleine ongehoorzaamheid zouden we zeggen. Maar erg genoeg in de ogen van God om het koningschap van hem af te nemen en hem te verwerpen. God had en heeft nl.  een bloed hekel aan ongehoorzaamheid. Niet dat Saul niet religieus was. Integendeel. Hoofdstukken lang horen we uit de mond van Saul ‘’HEER’’ hier en “HEER” daar, zeggen. Vandaag zouden we zeggen: iemand die de naam van Jezus veel op de lippen heeft. Maar als het erop aan komt gaat hij zijn eigen gang.

Het lijkt erop dat het woord van Samuël “Spreek HEER, uw dienaar luistert” niet meer van deze tijd is. Dit woord doet in de ogen van veel christenen tekort aan ons nieuw testamentisch gevoel van mondigheid.  Toch blijft dit adagium de voorwaarde voor een kerk om te overleven. Een kerkgemeenschap die druk bezig is om het zoveel mogelijk mensen naar de zin te maken zal het niet overleven. Hoe boordevol de agenda ook gevuld is met op zich goede religieuze activiteiten. Maar alleen een kerk die blijft vasthouden aan het “Spreek HEER, uw dienaar luistert” heeft toekomst. Het wordt de komende tijd erg spannend welke kant we opgaan.

 

 

Het einde van de zondagse samenkomsten in zicht?

Op de weblog van David Heek las ik het volgende

“Iemand vertelde me laatst een preek over dat bekende vers uit Hebreeën 10, 25 gehoord te hebben. Je weet wel, ‘dat je de samenkomsten niet moet verzuimen’. Bleek dat die samenkomsten niet één op één te stellen zijn met onze zondagse kerkdiensten, maar juist met de huiskringen die zij in die tijd hadden. Het zou inderdaad ook vreemd zijn als de prediker van de Hebreeënbrief/preek tegen de aanwezige hoorders zou zeggen dat ze die samenkomst niet moeten verzuimen. Ze zitten er toch juist? Het gaat om de samenkomsten buiten de ‘vaste kerkdienst’ om”.

Ik denk niet dat deze redenering klopt. Als ik dit citaat goed begrijp dan kan een predikant alleen een vermaning tot een groep gelovigen uitspreken als die gelovigen ook fysiek onder zijn gehoor aanwezig zijn. Maar waarom zou dat nodig zijn? Vlak voor deze tekst staat toch de oproep ”opmerkzaam te blijven en elkaar ertoe aan te sporen lief te hebben en goed te doen, in plaats van weg te blijven van onze samenkomsten’. Kennelijk was er een groep gemeenteleden die regelmatig weg bleef uit de samenkomsten of zelfs helemaal niet meer verscheen. De gemeente wordt aangespoord die ontrouwe kerkgangers ook op dit punt aan te spreken. De gedachte die achter boven vermeld citaat van David Heek zit is, dat de huisgroepen (specifiek gericht op ’eat, pray love’) belangrijker zouden zijn dan de wekelijkse verkondiging in de samenkomsten van de gemeente. Weg blijven uit de wekelijkse verkondiging zou geen probleem zijn want dat is toch een aflopende zaak, maar weg blijven uit de huisgroepen, nee dat zou volgens deze tekst niet kunnen.

Als je echter, goed naar Hebreeën 10:25 kijkt, is dit m.i. niet vol te houden. Voor het woord ‘samenkomsten’’ staat in het Grieks: ἐπισυναγωγὴν (episunagoogèn). Daar zit het bekende woord ‘synagoge’ in, wat zoveel betekent als’ huis van samenkomst’. Dat klonk die gemeente, die Hebreeën, natuurlijk heel bekend in de oren. Want die Hebreeën, dat waren joden. Er staat vóór dat woord ‘sunagoogèn’ het voorzetsel ‘epi’ dat ’op’ kan betekenen. Er zit op die samenkomst a.h.w. een soort van op of aanbouw. Calvijn gebruikt hier het woord ‘toevergadering’ – een samenkomst met aangroei. En die aangroei in de gemeente, dat zijn dan de heiden christenen die zich bij de gemeente voegden. Volgens Calvijn accepteren sommige joden christenen die aangroei van de heidenen in de gemeente niet en is dat voor hen een reden om weg te blijven uit de samenkomsten.

Die Hebreeën zeiden we, dat waren joden christenen. Die waren nog volop bekend met de betekenis en de functie van de synagoge. De synagoge was(en is) immers een Godshuis voor gebed, schriftstudie en onderwijzing. Precies wat er ook in onze erediensten gebeurt. Dat wijst toch wel in een heel andere richting dan alleen maar ‘eat, pray and love’ gemeenschappen.

Het aardige is dat die aansporing om de samenkomsten niet te verzuimen in Hebreeën 10:25 in het kader staat van de dag van de wederkomst van Christus. Naarmate de dag van die wederkomst nadert wordt het nóg belangrijker de samenkomsten bij te wonen en niet te verzuimen.

Nu komt dat woord ‘episunagoogès’ nog één keer voor in het N.T. Het staat in 2 Thessalonicenzen 2:1:’Over de komst van onze Heer Jezus en het tijdstip waarop we met Hem worden verenigd zeggen we U, verlies niet meteen uw verstand….’. De NBV heeft hier dus dit woord ‘episunagoogès’ vertaald met: ‘verenigd’. De SV gebruikt weer dat woord ‘toevergadering’. Opvallend is dat dit woord ook weer staat binnen het kader van de wederkomst. Het gaat hier om de vereniging van Christus met Zijn gemeente op de jongste dag. Nu is Hij nog in de hemel straks wordt Hij met zijn bruid, de gemeente verenigd. De gemeente van de Heer die bestaat uit joden en uit heidenen wordt met Hem ‘vergaderd’.

Welke conclusie kunnen we hieruit trekken? De eerste is dat het in Hebreeën 10:25 gaat om de samenkomsten van de gemeente onder de bediening van het woord van de verzoening. Niets wijst erop dat her hier om samenkomsten buiten de vast kerkdiensten om zou gaan. Integendeel.

De tweede conclusie is dat de doorgaande verkondiging verre van passé is. Ook hier zeggen we: Integendeel. Deze tekst leert ons dat naarmate de grote dag van de wederkomst dichterbij komt, de verkondiging in de samenkomsten steeds belangrijker wordt. De aanvallen op die verkondiging zullen ook heftiger worden, niet in het minst aangejaagd door de ver doorgevoerde individualisering. De individualisering die alle grenzen diffuus maakt. Deze ontwikkeling daagt de kerk uit om na te denken over de vorm waarin de erediensten gegoten worden. Om vormen te vinden die passen bij deze tijd maar die tevens de inhoud van de verkondiging intact laten. Eén ding staat vast. Wil de kerk overleven dan moet de verkondiging blijven klinken in de gemeente. Zoals Paulus Timoteüs opdroeg: ‘Ik bezweer je bij zijn komst en heerschappij: verkondig de boodschap, blijf aandringen, of het nu uitkomt of niet’ (2 Timoteüs 4:2)

[1]      «      13   |   14   |   15   |   16   |   17      »      [17]